Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

KERKELIJKE RONDSCHOUW

15 minuten leestijd

Nog eens: Dr. SNETHLAGE
Wij hebben gemerkt, dat dr. Snethlage, van Oyen (N.-Br.), ons tweede schrijven in De Waarheidsvriend allesbehalve in dank heeft afgenomen. En we kunnen dat begrijpen. Want wij hebben ons vergist en hem daardoor onrecht aangedaan, en dat willen we hier weer goed maken. Dat is onze plicht als mensch, dat is zeker onze plicht als christen; dat is plicht tegenover onze geestverwanten en geloofsgenooten, dat is ook plicht tegenover onze tegenstanders.
Wij hebben ons vergist inzake de verklaring van dr. Snethlage, gedaan aan het Class. Bestuur van Den Bosch. Daarom laten we eerst nu letterlijk volgen wat hij aan dat Bestuur geschreven heeft. Het luidt:
„Mijne Heeren, Naar aanleiding van ons onderhoud op 18 Nov. j.l. en uw mij toegezonden schrijven no. 186, heb ik de eer U mede te deelen, dat ik zooveel mogelijk aan uw wenschen en bezwaren tegemoet zal komen. Daartoe heb ik de volgende maatregelen getroffen:
1. Heb ik bedankt voor het eere-presidium der V.V.S.U.
2. Heb ik verzocht, mij niet langer als woordvoerder dezer Vereeniging te beschouwen en aan te kondigen.
3. Heb ik opdracht gegeven mijn naam af te voeren van de lijst der vaste medewerkers aan het weekblad dezer Vereeniging, getiteld „Rusland van Heden".
4. Zal ik mij in het vervolg zeer matigen in het aantal spreekbeurten, dat ik op mij neem. Een groot aantal spreekbeurten heb ik reeds afgezegd.
Ik heb uit uw schrijven niet opgemaakt, dat het uw bedoeling zou zijn mij geheel net zwijgen op te leggen aangaande de groote brandende vraagstukken van onzen tijd, hetgeen — naar ik meen — ook al te zeer in strijd zou zijn met het karakter en de beginselen der Ned. Herv. Kerk. Wel spreek ik de wensch uit, dat, indien ik in het vervolg nog publicaties mocht laten verschijnen, deze niet meer als propaganda zullen worden beschouwd, doch uitsluitend naar haar innerlijk waarheidsgehalte geoordeeld zullen worden.
Overigens blijf ik ten allen tijde bereid met elke aanwijzing, die U te mijner kennis mocht brengen, nauwkeurig rekening te houden.
U dankend voor de welwillende houding, welke steeds door U te mijnent is aangenomen, met de meeste hoogachting, enz."
Deze verklaring was ons zakelijk bekend, maar niet woordelijk. Wij hebben dr. Snethlage indertijd voor dat antwoord hulde gebracht. Ons stellend op zijn plaats vonden we dat antwoord royaal en open en eerlijk. En we hebben dat ook uitgesproken.
Toen we later enkele publicaties lazen van zijn hand en zijn artikel: „Waarom ontving ik een berisping? " (Kerk en Wereld, 8 Jan. '37) ; ook wat hij schreef in R.V.H. (Rusland van Heden, zie boven) van Zondag 3 Jan. en Zondag 10 Jan. '37 — hebben wij niet genoeg in 't oog gehouden wat hij precies beloofd had (zie boven) en hebben ons laten verleiden te denken aan en te schrijven van „bedriegelijk handelen", van „huichelarij", en dat is, gezien wat dr. Snethlage woordelijk geschreven en zakelijk nadrukkelijk beloofd heeft, niet waar. Wat dr. Snethlage geschreven heeft — of wij 't er mee eens zijn of niet doet hier niets ter zake — is niet in strijd met wat hij aan het Class. Bestuur beloofd heeft. Hij heeft nader willen getuigen „niet meer als propaganda", maar om de wille van het „innerlijk waarheidsgehalte" en daarvan mochten wij dus in geenen deele zeggen, dat het woordbreuk jegens het Classicaal Bestuur was.
Ook is zijn beoordeeling van de kerkelijke uitspraak geen „verdachtmaking" geweest, maar een principieele beschouwing, waartoe natuurlijk ieder, en óók dr. Snethlage, volkomen het recht heeft.
Het valt ons dan ook als christen volstrekt niet zwaar om openlijk schuld te bekennen. Wij hebben de juiste bijzonderheden van de belofte van dr. Snethlage uit het oog verloren. En de zaak als zaak, de beginselen als beginselen latend voor 't geen het is, bieden wij hierbij dr. Snethlage gaarne openlijk en eerlijk onze verontschuldiging aan.
Wij zouden dat ieder doen, wien wij onrecht hebben aangedaan.
Wij doen dat óók bij deze aan dr. Snethlage.
De waarheid boven alles! Ook in De Waar­heidsvriend!

PAASCHCOLLECTE EN JAARVERGADERING.
Wij hebben dit jaar een vroege Paschen : 28 en 29 Maart. Dat is de oorzaak, dat we nu reeds de vraag stellen: ag de Paaschcollecte ook dit jaar zijn voor het Studiefonds van den Geref. Bond, tot opleiding van jonge menschen tot het predikambt in de Ned. Herv. (Geref.) Kerk?
Op het Pinksterfeest is de collecte, vanouds, bestemd voor de Zending en wordt in onze gemeenten dan bijzonder gedacht aan den Geref. Zendingsbond. Maar met Paschen gedenken we sinds jaren bijzonder aan de opleiding van predikanten hier te lande en staat het Studiefonds in het middelpunt van de belangstelling.
Waar het, met goedvinden van den kerkeraad, kan geschieden door middel van een kerkcollecte, is dat altijd buitengewoon aangenaam. En dat is ook de gemakkelijkste manier. Maar als dat niet kan — dan is er nog wel een weg te vinden, om toch geld bijeen te brengen. Want we laten ons immers niet zoo spoedig uit het veld slaan! Dan wordt er plaatselijk een Commissie gevormd, die circulaires aanvraagt te Maassluis (waar ze gratis te verkrijgen zijn) en men brengt die circulaire met inteekenbiljet aan bekende adressen, om b. v. acht dagen daarna persoonlijk antwoord te halen. Dat heeft nu jaren achtereen uitnemend hier en daar gewerkt en het is onzen ijverigen Penningmees­ ter bij zijn mooi, maar moeitevol werk, zéér ten goede gekomen. En het zal ons verheugen, wanneer velen ook dit jaar weer trouw, uit liefde voor de goede zaak, dat werk ter hand willen nemen. Met de hand aan de ploeg zien we niet achterwaarts, ook niet rechts, ook niet links, maar kloek en moedig vooruit en God van den hemel doe ons het werk ook nu weer wèl gelukken! Dat Zijn oog in liefde over ons geopend mag zijn!
En dan is de Jaarvergadering weer in 't zicht. De juiste datum is nog niet vastgesteld, maar voorloopig is het plan D.v. Donderdag 15 April a.s.
Wij herinneren er nu reeds aan, opdat onze Afdeelingen en allen, die hartelijk en liefdevol in ons werk belangstellen, er rekening mee kunnen houden.
Onze Secretaris, ds. Timmer, te Ermelo, zal straks — nu nog niet, maar over een paar weken b.v. — gaarne eventueele voorstellen in ontvangst nemen.

KERKELIJK SAMENWONEN MOGELIJK?
Onlangs is te Dokkum een buitengewone Classicale Vergadering gehouden om eens met elkander te spreken over het mogelijk saamwonen in één Kerkgemeenschap van rechtzinnigen en vrijzinnigen. Wij hebben toen van het gesprokene en verhandelde een kort verslag gegeven, zooals wij dat in de Pers vonden. Nu is een vervolg-buitengewone Classicale Vergadering gehouden om meer dogmatisch georiënteerd over dezelfde zaak met elkaar te spreken. Wij nemen hier over, wat we aangaande deze belangrijke vergadering lazen in Hervormd Weekblad „De Gereformeerde Kerk", van de hand van dr. J. Ch. Kromsigt, te Rinsumageest, die zich voor deze twee vergaderingen nogal geïnteresseerd heeft. Dr. K. schrijft:
Te Dokkum hadden we weer een buitengewone vergadering van de Classis om te handelen over de vraag ? Kunnen orthodoxie en modernisme kerkelijk samenwonen, zóó dat de Kerk Kerk van Christus blijft en niet ontaardt in een huis tegen zichzelf verdeeld ?
In de vorige vergadering, verleden jaar, was deze vraag gesteld, en daarop een meer voorloopig, algemeen antwoord gegeven. De wensch werd toen uitgesproken, dat men op een volgende vergadering van het meer algemeene tot het bijzondere en centrale, van het meer formeele tot het materieele zou overgaan. Oorspronkelijk was de bedoeling, dat hier het centrale aan de orde zou worden gesteld, n.l. het kruis van schuldverzoening en zelfverloochening, de offerande van Golgotha, door het Avondmaalsformulier beleden als „de eenige grond onzer zaligheid".
De referenten, die zich zeer bereidwillig beschikbaar stelden, wilden echter liever ditmaal handelen over de Menschwording. Zoo werd dan door prof. Aalders uit Groningen en prof. Sevenster uit Leiden, gesproken over „den Eeniggeborene des Vaders". Met groote belangstelling werden door de talrijke aanwezigen de sprekers gevolgd. Bijna geen kerkeraden ontbraken en van meerderen waren haast alle leden opgekomen. De referaten waren zeer belangrijk, zoowel van prof. Aalders, van wien we niet anders hadden verwacht, als van prof. Sevenster. Ook waren ze voor niet-academisch geschoolden zeer bevattelijk, waard in druk te verschijnen en ook in ruimer kring bekend te worden. Aan de gedachtenwisseling namen velen deel. De scherpste kritiek op het referaat van prof. Sevenster, vertegenwoordiger van de jong-rechts-modernen, kwam van diens vader, predikant te Hoogebeintum, leerling van de oud-moderne school.
Welk antwoord zou nu, gehoord de beide referaten, op de bovengenoemde vraag moeten worden gegeven?
Wordt door saamwoning van orthodoxie en modernisme onze Kerk beroofd van haar karakter van Kerk, in de vorige vergadering aangeduid als haar Christusbelijdend, Christocentrisch, Christokratisch karakter.
Ons trof zeer in het referaat van prof. Sevenster, die in zijn persoonlijk optreden en zijn refereeren naar vorm en inhoud ons zeer sympathiek was, dat hier zeer sterk de nadruk daarop werd gelegd, dat Jezus Christus,
de Eeniggeborene, in wien niet de mensch tot God opklimt, maar God verlossend tot den zondigen mensch neerdaalt, middelpunt is van Schrift en Kerk.
Was hij de vertegenwoordiger van het modernisme, dan zouden we geneigd zijn de vraag omtrent mogelijkheid der saamwoning bevestigend te beantwoorden.
Maar is hij dat?
Er zijn in het moderne kamp heel andere geesten. Niet alleen was er een prof. Oordt, die nadrukkelijk opkomt voor een „Christendom" der toekomst, dat niet Christusbelijdend en niet Christocentrisch zou zijn, een Bakels, die de Schrift, welke wij om haar Christocentrisch karakter als Gods Woord eeren, om dezelfde reden juist verwerpt, er zijn nog o.a een prof. Van Holk, een dr. Horreüs de Haas, die met dezen hierin geheel accoord gaan.
Door mij werd ter vergadering betoogd, dat een saamgaan tusschen belijders en verwerpers van de Christocentriciteit onmogelijk is. Was dit door „kerkelijke" uitspraak gewettigd (wat in onze Kerk niet is geschied) dan zou daardoor de „Kerk" van haar wezenlijk kerkelijk karakter worden beroofd. Hier is een scheidslijn, die niet mag verdoezeld. Ter vergadering werd door iemand gesproken over een „gezonde" verwarring van rechtzinnigheid en vrijzinnigheid. Dit zou een zeer ongezonde, ja voor de Kerk doodelijke verwarring worden, een spraakverwarring, waardoor de Kerk tot een Babel (Gen. 11) worden zou.
Wanneer prof. Sevenster in één vrijzinnig kamp zich met zulken één toont in vrijzinnigheid, dan kunnen we, hoe het ons leed moge doen, zijn Christocentrisch getuigenis niet aanvaarden, want door dit saamgaan maakt hij het zelf krachteloos.
Zoo keerde ik van de hier beschreven vergadering terug: voldaan en tegelijk zeer onvoldaan. Gekweld n.l. door deze vraag, die om antwoord roept: Is er bij prof. S. zulk saamgaan en, zoo ja, — hoe acht hij zelf dat mogelijk?

WAT PROF. HAITJEMA IN DEZE ZEGT.
Dr. Kromsigt, die over de buitengewone Classicale Vergadering van Dokkum schreef en eindigde met de vraag: „Is er ook bij prof. Sevenster zulk samengaan en, zoo ja — hoe acht hij zelf dat mogelijk? " — brengt dan in herinnering wat prof. Haitjema juist ten opzichte van deze vraag schrijft in Nieuw Kerkelijk Leven van Januari j.l. We lezen daar:
„Ik schreef in mijn boek over de Richtingen heel duidelijk, waar ik over de theologie van prof. Roessingh handelde, dat de worsteling om de eenheid van het vrijzinnige front met inschakeling van de z.g.n. rechtsmodernen naast de oud-modernen, meer was dan tactiek. Dat hier heel de visie van een trapsgewijze, geleidelijke opklimming van algemeene godsdienstigheid naar Christocentrische belijdenis des geloofs mede toe dreef. Zoolang de volstrektheid der openbaring in Christus niet als het volstrekt-nieuwe begin beleden wordt, kan men inderdaad van een „voortschrijden" van Godsgeloof tot Christusbelijdenis spreken. Dan is er geen sprong noodig. Geen radikaal ongeloof behoeft dan afgezworen te worden.
Het samengaan in één breede vrijzinnige organisatie blijft dan zinvol, ondanks de moeilijkheden en wrijvingen, die uit de soms vrij ver gaande „meeningsverschillen" kunnen ontstaan.
Deze visie van het rechts-modernisme ben ik bereid: „beginsel" te noemen.
Wanneer men onder Vrijzinnig-Hervormden dit beginsel nu echter op den voorgrond stelt, wete men wel, dat men de beginseltegenstelling met z.g.n. orthodoxen daarmede tegelijkertijd verscherpt en reden geeft tot de sceptische vraag, of onder Vrijzinnig-Hervormden van het rechts-moderne type de toenadering tot de klassieke inhouden van het Christelijk geloof wel zóó ver voortgeschreden is, als sommigen gaarne voorgeven, zoowel bij links als bij rechts".
Dr. Kromsigt teekent hierbij dan aan :
„Ook wij sluiten ons aan bij de hier door prof. H. aan het slot geformuleerde vraag. We doen dit zonder eenige persoonlijke geringschatting voor. mannen als prof. Sevenster. Allerminst met de bedoeling om verdacht te maken. Alleen uit oprechte begeerte naar klaarheid, die noodig is, wil kerkelijke ruimhartigheid niet ontaarden in dubbelhartigheid, die voor de Kerk doodelijk is. Immers zij berooft de boodschap der Kerk van haar kracht, ontrooft haar de goddelijke boodschap zelf en doet haar hare goddelijke bestemming missen.
Prof. S. wil dit toch ook niet.
Van hem zelf zouden we gaarne willen hooren, hoe het mogelijk is aan die dubbelhartigheid te ontkomen, terwijl men niet rekent met 's Heeren Woord (Matth. 12 vers 30): „Wie met Mij niet is, die is tegen Mij, wie met Mij niet vergadert, die verstrooit", noch ook met dat andere woord (Joh. 3 vers 36): „Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven, maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, de toorn Gods blijft op hem".

VRIENDEN YAN KOHLBRUGGE (3)
Door Carl von der Heydt kwam nu weer diens neef, de toenmalige student in de theologie Johannes Wichelhaus (zoon van ds. J. Wichelhaus te Bonn en kleinzoon van Wilhelmine von der Heydt) met Kohlbrugge in aanraking. En zoo ontstond een vriendschapsband, die ook voor Kohlbrugge een bron van veel vreugden en verkwikkingen is geworden.
De in 1819 geboren Johannes Wichelhaus keerde na zijn studie in Bonn en Berlijn, waar in 't bijzonder Hengstenberg veel invloed op hem uitgeoefend had, naar het Westen terug, met een tengevolge van een ernstige ziekte verzwakt lichaam. Zijn oom stelde hem in de gelegenheid om nader kennis te nemen van de preeken van Kohlbrugge, waarin hij „het getuigenis van de zaligmakende waarheid vond. Het werd hem innerlijk duidelijk, dat hij niet de theologie van zijn vroegere leeraren naast die van Kohlbrugge kon vasthouden ; hij gaf zich geheel aan Kohlbrugge over, door wiens preeken het Woord van den Heere zelf tot hem persoonlijk gericht werd, het Woord des Heeren, dat hem in het stof sleurde, hem overwon en gezond maakte".
Van de zee, van het strand van Scheveningen, waar hij genezing gezocht had (1843) begaf hij zich naar Utrecht, waar hij het eerste persoonlijk onderhoud met Kohlbrugge had.
Van dezen dag af begon een buitengewoon levendige briefwisseling tusschen Kohlbrugge en Wichelhaus. Kohlbrugge heeft hartelijk meegeleefd met al het leed en de beproevingen in het leven van Wichelhaus, wiens rijpste werk over het lijden en sterven van Christus handelt. In alle nooden naar lichaam en ziel richt Kohlbrugge hem liefdevol als een vader op en houdt hem vast door zijn gebed.
Wichelhaus was in Bonn met zijn studie over de Kerkgeschiedenis van Eusebius afgewezen (het geschrift ligt in het archief te Utrecht). De teleurstelling voor den jongen theoloog was groot. Toen begon Kohlbrugge te vertellen, wat hij zelf doorgemaakt had en hoe het ook bij hem eens den schijn had, alsof hij van God verlaten was. Maar „telkens weer heeft Hij mij getroost, toen ik de vijanden achter mijn rug had en het veld vol dooden was!" Ook hij heeft nachten lang met de Saulswapenrusting rondgeloopen en zie, dan gaf God hem een steentje, dat hij nauwelijks opgemerkt had, en de reus viel.
En verandert de wereld niet dagelijks voor onze oogen? „Neen, er is hier op de wereld niets blijvends! Maar het Woord des Heeren blijft in eeuwigheid, en wie is ooit beschaamd of te schande geworden, die Zijn heiligen naam heeft aangeroepen"!
De zaak in Bonn had hierdoor schipbreuk geleden, dat Wichelhaus de voor hem noodzakelijke eed niet meende te kunnen afleggen. Op raad van zijn vaderlijken vriend in Utrecht, wendde Wichelhaus zich daarna tot Minister Eichhorn zelf om zijn bezwaren in te dienen tegen het besluit van de Faculteit te Bonn. Toen dit verzoek afgewezen werd, gaf Kohlbrugge hem de raad zich rechtstreeks met den Koning in verbinding te stellen, waarbij Wichelhaus zich bedienen kon van de hulp van zijn oom (Von der Heydt), die aan het hof zeer veel invloed had. Toen ook deze poging mislukte, gaf hij' hem in overweging het in Heidelberg met de promotie te probeeren.
Zoo volgt Kohlbrugge gedurende deze jaren met belangstelling de lotgevallen van zijn vriend, overlegt met hem, of het beter is naar Heidelberg of naar Halle te gaan, troost en sterkt hem en verzorgt hem met het goud, dat hij zelf bij zijn graven in het Woord van God vindt. Hier wordt een zeldzame vriendschap gesloten tusschen twee mannen.
De vereenzaamde Kohlbrugge diende velen. Een groote gemeente hoorde hem. En hij gaf niets anders dan het Woord van God. Het valt op, dat Kohlbrugge in zijn vele brieven slechts zeer weinig meedeelt over zijn persoonlijke ervaringen en belevingen. Zijn taak was het, den rijkdom der Schrift te ontsluiten. Dat kenmerkt zijn werkzaamheid in deze stille jaren in Utrecht, dat is ook het kenmerk van al zijn brieven, dat geeft hem lofzangen zonder einde!
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken