Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET DOOPSFORMULIER

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET DOOPSFORMULIER

HOOFDSTUK III.

9 minuten leestijd

De Sacramenten (Slot).
In de Confessio Gallicana van 1559, de geloofsbelijdenis van de Fransche Kerken, willen we eerst wijzen op artikel 20, dat wel niet van de sacramenten spreekt, maar van den weg des geloofs als van den eenigen weg ter zaligheid en waar de beloften des levens (een uitdrukking, die door Calvijn menigmaal gebruikt wordt) aangemerkt worden als het voorwerp des geloofs. Het artikel luidt: „Wij gelooven, dat wij deelgenooten van deze gerechtigheid zijn door het geloof alleen, gelijk gezegd is, dat Hij geleden heeft om ons heil te verwerven met het doel, dat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verloren ga; en dat dit geschiedt, wijl de beloften des levens, die ons in Hem gegeven zijn, tot ons nut zijn geschonken en dat wij de kracht daarvan gevoelen, wanneer wij ze aannemen, niet twijfelende, of wij zullen niet bedrogen uitkomen, verzekerd als wij zijn door den mond van God. Zoo hangt dan de gerechtigheid, die wij door het geloof verkrijgen, aan de genadige beloften Gods, door welke God ons verklaart en betuigt, dat Hij ons liefheeft.”
In dit artikel wordt met nadruk de gerechtigheid van Christus als de eenige grond onzer behoudenis genoemd, maar Christus en Zijn gerechtigheid worden cfoor de beloften Gods ons gegeven en toegeëigend, zoodat gelooven in Christus hier omschreven wordt als een geloovig aannemen van deze beloften.
Wie zoo Christus in de belofte inwikkelt en door de belofte tot ons doet komen, moet natuurlijk ook in het sacrament, dat Gods beloften verzegelt, den nadruk leggen op Christus, die door deze uitwendige teekenen tot ons komt. Vandaar, dat in art. 34 van dezelfde belijdenis, nadat eerst is gezegd, dat de sacramenten bij het Woord gevoegd zijn ter nadere bevestiging van dat Woord om ons als onderpanden en teekenen te zijn van de genade Gods, beleden wordt, dat heel het wezen en de waarheid der sacramenten gelegen is in Jezus Christus en dat, als men ze van Hem scheidt, er niets overblijft dan rook en damp.
Het zal goed zijn om dergelijke uitdrukkingen te onthouden. Zij zijn zuiver reformatorisch, maar verdragen zich niet geheel met die strooming, die later de overhand kreeg, terugkeerde tot de Roomsche opvatting van een ingestorte genade en door de sacramenten het bezit van deze ingestorte genade wilde doen verzegelen. De reformatoren ontmoeten in de sacramenten Christus. En dan Christus met al Zijn heilsgoederen. Dat God ons uit genade Christus gegeven heeft tot een volkomen Verlosser, wordt ons door de sacramenten verzegeld. Maar wijl deze Christus ons in de beloften des evangelies geschonken wordt, kan men ook zeggen, dat de sacramenten de beloften des evangelies verzegelen. En wanneer wij bedenken, dat Christus met al Zijn goederen ons gegeven wordt, is het duidelijk, dat niet alleen vergeving der zonden daarin begrepen is, maar ook de vernieuwing des levens door de kracht des H. Geestes. In dien zin hebben wij in Christus ook de genade der wedergeboorte ontvangen, want Hij heeft deze voor ons verworven. Daarom lezen wij in art. 35 van dezelfde belijdenis, dat wij slechts éénmaal gedoopt worden, wijl de genade, die ons daar beteekend wordt, zich uitstrekt over leven en dood, opdat wij (in dien doop) een blijvend teeken zouden hebben, dat Jezus Christus ons altijd zal zijn tot gerechtigheid en heiligmaking. Wij worden dus voor onze heiligmaking niet naar een ingestorte kiem van genade in ons verwezen, maar naar Jezus Christus, die den levendmakenden Geest voor ons verworven heeft.
In de Hongaarsche belijdenis van 1562 wordt weer dezelfde lijn gevolgd. Hier worden in art. 31 de sacramenten genoemd „Gewisse teekenen en zichtbare getuigenissen, door God zelf ingesteld tot een voortdurend gebruik van Zijn Kerk gedurende haar omwandeling in deze wereld en krachtens Zijn autoriteit gevoegd bij de beloftenissen des evangelies aangaande de genadige verlossing van Jezus Christus om daardoor des te krachtiger aan onze uiterlijke zinnen te vertoonen, wat Hij ons in het Woord verklaart en door den Heiligen Geest werkt in onze harten, wanneer Hij die verlossing, die wij in deze wereld alleen in hoop en geloof bezitten, in onze harten verzegelt”.
Ook hetgeen in art. 43 van diezelfde belijdenis gezegd wordt, willen we hier even weergeven, opdat door den overvloed van getuigenissen, die in de reformatorische belijdenisgeschriften gevonden worden, overtuigd mogen worden, die thans tegenover het gebruik van de uitdrukking de belofte(n) des evangelies met een zekere schroom staan. Wij zijn onder de leiding van de scholastieke theologie er zoo aan gewoon geraakt altijd weer verwezen te worden naar de genade, die in het inwendige van een mensch ingeplant en gewerkt wordt, dat wij vaak niet meer verstaan en soms ook niet meer verstaan willen, dat het voorwerp des geloofs, waarheen wij verwezen worden, niet in ons ligt maar buiten ons zich bevindt, niet een ingestorte, geschapen genade is, maar het Woord en de beloften onzes Gods. En toch ligt hier de kern der Reformatie. Als dan ook in die Reformatie het stuk van de rechtvaardiging uit het geloof alleen in 't middelpunt komt te staan, is dat volstrekt niet alleen, omdat deze locus uit de dogmatiek tusschen de andere stukken zich door haar groote belangrijkheid onderscheidt, maar omdat in dit stuk aan de orde komt en naar voren treedt het grondbeginsel van de gemeenschap tusschen God en Zijn Kerk, dat over heel de linie van het christelijk leven zich uitstrekt, of wil men, overal dat leven draagt, n.l. het geloof. Want het geloof, dat in het stuk van de rechtvaardigmaking aan de orde is, is geen ander geloof, dan dat, hetwelk overal van ons gevorderd wordt. Het rechtvaardigend en het zaligmakend geloof zijn in wezen één en rusten beide op Gods Woord en beloften. Vandaar ook in de aangehaalde belijdenis de uitspraak, dat wij het heil Gods in Christus Jezus alleen in hoop en geloof bezitten.
Art. 43 luidt aldus : „De beloften, aan welke de sacramenten gehecht zijn als zekere authentieke zegelen, zien op Christus alleen. Zoo zijn dan allereerst Jezus Christus zelf en vervolgens al Zijne schatten, die Hij in zich heeft, dat eenige noodige ten eeuwigen leven, dat ons de allerbarmhartigste Vader geeft, zooals Hij ons door de zichtbare teekenen waarachtig en zeker afbeeldt en zooals het Woord, bij de teekenen gevoegd, luide verklaart, opdat het geloof, waardoor wij alleen die aangeboden schat aannemen, meer en meer in ons zou worden geoefend en bevestigd”.
Ook in de Engelsche belijdenisgeschriften komen wij hetzelfde spraakgebruik tegen. In de Anglicaansche artikelen van 1552 (herzien in 1563) wordt van den doop gezegd, dat hij een teeken is, „waardoor de beloften aangaande de vergeving der zonden en onze aanneming tot kinderen Gods door den H. Geest zichtbaar worden verzegeld”.
In de Westminster-belijdenis en Catechismus van 1647, ruim 100 jaar na de Hervorming dus, spreekt men niet meer van de beloften des evangelies, als verzegeld door de sacramenten; men noemt de sacramenten dan heilige teekenen en zegelen van het verbond der genade. Het komt in wezen op hetzelfde neer. Want 't zijn tenslotte de beloften des verbonds, die verzegeld worden. Toch is door het weglaten van deze uitdrukking de weg meer en meer geëffend geworden om straks een inwendige, in het hart uitgestorte genade door de sacramenten te laten verzegelen. Dan dient het sacrament niet meer tot versterking van het geloof, van dat geloof, dat op het Woord en de beloften Gods vertrouwt, maar tot versterking van dat geloof, waardoor men gelooven mag, dat God een werk der genade in het hart gewrocht heeft. Dat wil dus ook zeggen, dat van het Avondmaal uitgesloten worden zij, die geen andere toevlucht hebben dan de beloften van Gods genade, en dat geacht wordt, dat dit sacrament alleen voor diegenen is, die kunnen verhalen van wat God in hunne harten werkte.
Thans nog enkele getuigenissen uit de Catechismi, die in reformatorischen tijd in gebruik waren. Dat de Heid. Catechismus de sacramenten teekenen en zegelen noemt, door God ingesteld om ons daardoor de belofte des evangelies des te beter te doen verstaan en te verzegelen, kan ieder lezer bekend zijn.
In den kleinen Catechismus van Ursinus lezen we : „Wat zijn sacramenten ? Zij zijn van God ingestelde ceremoniën, opdat Hij daardoor als door zichtbare onderpanden en openbare getuigenissen allen, die gelooven, zou vermanen en bevestigen aangaande de genade, hun in het Evangelie beloofd”.
In den grooten Catechismus van Ursinus staat: „De sacramenten zijn ceremoniën, door God ingesteld en aan de belofte van genade gehecht, opdat Hij hun (de geloovigen) de genade, in het Evangelie beloofd, dat is de gemeenschap met Christus en al Zijn weldaden, daardoor zou voor oogen stellen”.
In den Catechismus van Zurich wordt gezegd : „Ten eerste zijn sacramenten zichtbare beelden, gewisse getuigenissen en heilige teekenen van Gods genade en beloften jegens ons”.
In den Catechismus van Embden luidt het opnieuw: „Tot welk doel zijn de sacramenten ingezet? Ten eerste, opdat zij ons de beloften van het heilig Evangelie van de onverdiende vergeving onzer zonden en van de gemeenschap aan de gerechtigheid van Christus op het duidelijkste zouden voor oogen stellen, betuigen en verzegelen en ons geloof aan de goede gunst van God en de verdienste van Christus oefenen en sterken”.
Al deze getuigenissen verzekeren als om strijd, dat de sacramenten van God verordend zijn om het geloof te sterken, niet het geloof, waarmede een christen in zich zelf gelooft, maar het geloof, waarmede hij in God gelooft, het geloof, waardoor hij, al is het, dat zijn consciëntie hem aanklaagt, dat hij tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd heeft, en geene daarvan gehouden heeft en nog steeds tot alle boosheid geneigd is, nochtans gelooft de genadige beloften Gods aangaande de onverdiende vergeving onzer zonden. Hoe meer hem duidelijk wordt, dat deze beloften waarachtig zijn en dat nooit iemand, die daarop betrouwd heeft, beschaamd uitgekomen is, des te meer zal hij gesterkt worden in het geloof. De sacramenten zijn nu de middelen, waardoor God hem dat duidelijk maakt, want zij zijn gegeven om deze genadige beloften Gods, waarin Hij de zaligheid, die in Christus is, om niet uit genade schenkt, te bevestigen en te verzegelen.
O. a. d. IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET DOOPSFORMULIER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken