Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

15 minuten leestijd

DE REORGANISATIE- VOORSTELLEN.
Zooals we reeds meedeelden is het Ontwerp voor een nieuwe Organisatie der Hervormde Kerk in druk verschenen en a ƒ 1.— ver­krijgbaar gesteld bij de drukkerij voorheen Smits, Westeinde 135, Den Haag.
In vervolge op 't geen we reeds uit het Voorstel dat bij de Synode is ingediend meedeelden, geven wij ook nog het volgende, zonder commentaar. Alleen men ziet, dat de Vrijzinnigen er niets van moeten hebben, wat ons geen oogenblik verwondert. Het is geen „spekje voor hun bekje".
Gemeld kan dan nog worden inzake de reorganisatie-voorstellen, door „Kerkherstel" en „Kerkopbouw" in accoord aan de Alg. Synode voorgelegd, dat de commissie verschilpunten zelden of nooit door stemming opgelost heeft, maar in den regel door onderling overleg. De leden De Blecourt en Tammens konden zich met de algemeene strekking van het reorganisatie-voorstel niet vereenigen. Het lid ds. B. J. Aris verklaart, dat hij de regeling der zaken, betreffende de eenheid en verscheidenheid der Kerk, te eenenmale ontoereikend acht voor de moeilijkheden en mogelijkheden, die op dit terrein liggen.
De reorganisatie-commissie heeft ernaar gestreefd, haar voorstel zoo weinig mogelijk het karakter van een compromis te geven ; het ging voor haar om het gemeenschappelijk bereiken van een resultaat, dat zoowel aan de vereeniging Kerkopbouw als aan de vereeniging Kerkherstel bevrediging zou kunnen schenken.
Het instituut der „huisgemeenten" is uit het ontwerp van de vereeniging Kerkopbouw verwijderd; als normaal werd aangenomen, dat de Kerk in alle verscheidenheid de eenheid moet bewaren.
Ten opzichte van het bestuur der Kerk heeft de commissie zich bij de voorstellen van Kerkopbouw aangesloten, met dien verstande, dat de classicale vergaderingen ook met tuchtoefening worden belast, en dat de verkiezing van de leden der Algemeene Synode berust bij de Provinciale Synoden. De Waalsche gemeenten zijn, met het oog op haar historische positie, als provinciaal ressort gehandhaafd, echter met één afgevaardigde naar de Algemeene Synode.
De figuur van „kerkvisitator" en „moderator" is overgenomen uit het ontwerp „Kerkopbouw", met deze afwijking, dat ook dienstdoende ouderlingen met deze functie kunnen belast worden.
De Commissie heeft gemeend geen nieuwe proponentsformule, noch nieuwe belijdenisvragen te moeten voorstellen, daar zij meent, dat dit een taak is van de georganiseerde Kerk."
Verder kan nog worden gemeld, dat er een minderheidsnota is van de vrijzinnige prof. dr. A. S. de Blecourt van Leiden, waarin hij zijn afwijkende meeningen kenbaar maakt en motiveert. (Ook ds. B. J. Aris heeft dit gedaan, echter alleen met een korte mededeeling, waarin hij het aangeboden ontwerp voor de Kerk „ontoelaatbaar en onaanvaardbaar" verklaart).
In de breedvoerige verklaring van prof. de Blecourt staat voorop, dat hij het tusschen Kerkherstel en Kerkopbouw getroffen accoord een schijnaccoord noemt, en deswege als grondslag van het werk der Reorganisatie commissie onbruikbaar. Z.i. kunnen de leden van Kerkherstel op het punt der belijdenis zoo goed als niets toegeven en voor de leden van Kerkopbouw, althans voor zeer velen hunner, zijn de cardinale punten der belijdenis van 1618/1619 onaanvaardbaar. Worden de aangeboden ontwerpen door de Kerk aanvaard, dan heeft Kerkherstel een sprong vooruit gedaan. Dan is, wat tot dusver dubieus was, de belijdenis, richtsnoer en kan wie er zich niet aan houdt onder tucht gebracht worden.
De hoogleeraar ziet hierin velerlei gevaar dreigen op cardinale punten voor de rechtszekerheid van predikanten. Tegenover de opmerking in de Memorie van Toelichting, dat de belijdenis' niet te beschouwen en te hanteeren is als een reglement, zet hij de meening, dat dit wèl zal geschieden. „Als de mannen van uiterst rechts er maar kans toe krijgen."
Dezelfde vrees ligt ten grondslag aan deze opmerking :
„Wij mogen, alvorens tot reorganisatie te adviseeren, alvorens ook het reglement Opzicht en Tucht en de proponentsformule te reformeeren, toch waarlijk wel weten waar we aan toe zijn met dat voorschrift omtrent dé belijdenis. Ik vrees ketterjacht !"
Daarentegen wil prof. de Blécourt behoud der leervrijheid. De reorganisatie mag z.i. daaraan niet raken, want dan zou men het karakter der Ned. Hervormde Kerk, zooals zich dat historisch ontwikkeld heeft, aantasten.
Dit concreet makende, vraagt hij aan de leden der Reorganisatie-Commissie, die tot „Kerkherstel" behooren :
Zullen de ethisch-orthodoxen op grond* van hun leer uit de Kerk moeten worden verwijderd ?
Zullen de evangelischen op grond van hun leer uit de Kerk moeten worden verwijderd ?
Zullen de modernen van de schakeering-Aris op grond van hun leer uit de Kerk moeten worden verwijderd ?
Zullen de modernen van de schakeering-Tammens op grond van hun leer uit de Kerk moeten worden verwijderd ?
Evenmin echter kan prof. de Blécourt de leden, die tot „Kerkopbouw" behooren, volgen : „Ik ben er van overtuigd, dat niet minder dan de heeren van Kerkherstel, die van Kerkopbouw met de edelste bedoelingen ten opzichte van de Kerk zijn bezield. Het standpunt van de Kerkherstellers, voor zoover zij de Calvinistische doctrine van de Geloofsbelijdenis en van de andere formulieren van eenigheid zijn toegedaan, eerbiedig ik, ik deel het geenszins."
Tenslotte adviseert de hoogleeraar : laat alles zoo blijven als het is."
Men bemerkt, dat hier dezelfde trucjes worden uitgehaald, die het liberalisme nu al meer dan 100 jaar gebruikt heeft, om de belijdende christenheid tegen elkaar óp te zetten èn wat de Kerk betreft, als ook wat aangaat het onderwijs en de school, ook wat het maatschappelijk leven en de politiek betreft.
Intusschen wil men liever, dat alles dood gaat met een geloof boven geloofsverdeeldheid, waarbij het ware christendom als de grootste vijand wordt beschouwd, dan dat men wil, dat Kerk en School uitkomen met een belijdenis die naar de Schriften is.

EEN CHRIST. GEREF. STEM OVER DE REORGANISATIE
Ds. H. Janssen, de leger-en vlootpredikant in algem. dienst schrijft week aan week in „De Wekker", orgaan der Christelijke Gereformeerde Kerk, over „Kerk en Staat" en betrekt in zijn artikelen altijd belangrijke gebeurtenissen van binnen-en buitenland, betrekking hebbende op Kerk en Staat. Zoo schrijft hij (Vrijdag 1 October) ook over het Reorganisatie-plan, dat bij de Synode der Ned. Hervormde Kerk is ingediend en zegt dan, na in hoofdtrekken de inhoud van het Ontwerp te hebben weergegeven (aan de hand van de publicaties in de Pers) :
„Met groote belangstelling hebben wij kennis genomen van dit reorganisatie-voorstel. Wat is daar jaren lang naar uitgezien en wat hebben wijlen dr. Hoedemaker en prof. Gunning er in hun dagen reeds met groote kracht op aangedrongen. Dat het toen niet ging, zat 'm hoofdzakelijk wel hierin, dat de Confessioneelen en Ethischen op dit punt te vèr van elkander afstonden. En daarin is een groote wijziging gekomen. „Kerkopbouw" en „Kerkherstel" hebben elkander gevonden, en wat thans door de Synodale reorganisatiecommissie wordt aangeboden, is overgenomen uit de voorstellen, die „Kerkopbouw" en „Kerkherstel" bij de Synode hadden ingediend. Het Synodale voorstel is dus niet rechtstreeks uit de Kerk opgekomen, maar zal wanneer het althans door de Synode (Jan. '38) wordt aangenomen, eerst naar de Kerkeraden terug moeten. Vervolgens op de Classicale Vergaderingen van 1938 behandeld moeten worden en vervolgens op een volgende Synode (Aug. '38) opnieuw in behandeling moeten komen. En dan zullen de Prov. Kerkbesturen er het laatste woord over spreken. Maar één groot voordeel is aan dit Synodale Voorstel verbonden, dat het de stem van de Confessioneelen en Ethischen in de Kerkelijke Vergaderingen zal hebben. Althans dit verwachten wij.
Hoe de Gereformeerde Bond er tegenover staan zal, moet afgewacht worden. Wij gelooven niet, dat hij er zich voor uitgesproken heeft, maar er is wel voeling in dezen met hem gehouden. Hoe het zij, er gaat in de Ned. Hervormde Kerk wat gebeuren, en dat verblijdt ons".
In een volgend artikel zal ds. Janssen nader zijn gedachten betreffende het Voorstel meedeelen.

DE KERK EN DE HOOGLEERAREN
In een zeer belangrijk artikel in „Kerkopbouw" (Sept. '37) schrijft prof. dr. A. M. Brouwer, vroeger kerkelijk hoogleer aar, nu Rijkshoogleeraar te Utrecht, over „De Kerk en de Hoogleeraren". Hij zegt, dat de tegenwoordige organisatie der Kerk iets heeft losgelaten wat in de organisatie der Gereform. Kerk vroeger was opgenomen, n.l. het ambt der doctoren. (Wij herinneren er aan, wat er over het „doctoren-ambt" jaren geleden „te doen" geweest is in de Gereformeerde Kerken, toen ook prof. Bavinck, ds. Doekes e.a. daarover breede studies hebben gegeven).. „Ik zie dit als een achteruitgang, als een ongewenscht afbuigen naar een onjuiste democratie in geestelijke zaken, zooals Calvijn zeker niet heeft gewild", aldus prof. Brouwer. „De door hem voorgestane Kerkorde was veel meer aristocratisch dan democratisch. Onder den invloed der 19de eeuwsche geestesstroomingen zijn velen in onzen tijd óok in de Kerk meer democratisch geworden". „En men betreedt daarmee een gevaarlijke weg. Dit komt o.a. uit in het prijs geven van het ambt der doctoren".
„Van ouds heeft de Kerk ingezien, dat het voor haar een levenskwestie is, hoe de predikanten worden opgeleid. Van de vijf Academies, die in onze gouden eeuw bestonden, hebben vier haar ontstaan te danken aan den wensch, om goed onderlegde leeraren der Kerk te hebben : Leiden, Franeker, Utrecht, Harderwijk. Alleen Groningen vormde hierop een uitzondering". „In dien tijd bestond er een nauwe band tusschen Kerk en Overheid. De professoren werden door de Overheid benoemd en bezoldigd. Om een band met de Kerk te leggen, wilde de Dordtsche Synode, dat zij de formulieren van éénigheid zouden onderteekenen volgens een door haar opgesteld formulier. Leiden weigerde dit. Franeker, Groningen en Harderwijk maakten geen bezwaar ; te Utrecht, dat eerst in 1636 zijn Academie kreeg, heeft de onderteekening nooit plaats gehad. Maar hier zoowel als te Leiden werd een soortgelijke verklaring geeischt van elken nieuwen doctor in de theologie".
„Door de revolutie van 1795 kwamen nieuwe toestanden. In de eerste zitting van de Nationale Vergadering werd reeds het beginsel van scheiding van Kerk en Staat uitgesproken".
Tot nu toe was niet ieder benoembaar voor een staatsbetrekking. Dat werd nu wel het geval. In 1798 werd o.a. bepaald „dat over drie jaren de theologische faculteit van de Academie verdwijnen en alleen door de Kerk geconstitueerd en bezoldigd zou worden". Deze bepaling is echter niet uitgevoerd. Er kwam een nieuwe richting in het Staatsbestuur, die de beteekenis van de Kerk hooger stelde, dan de oude revolutie-mannen deden. De theologische professoren zouden ook voortaan door de Overheid worden benoemd en uit de Staatskas bezoldigd. In 1809 werd de mogelijkheid geopend, dat ook aan andere dan de Hervormde gezindheid subsidie uit de Staatskas werd verleend. Het geven van geldelijke ondersteuning aan de Hervormde Kerk hing samen met de door de Overheid genaaste kerkelijke-en geestelijke goederen.
„De grondwet van 1814 en die van 1815 lieten de theologische faculteit voor opleiding van Hervormde predikanten in den eenmaal bestaanden vorm voortbestaan ; terwijl aan andere gezindten voor de opleiding hunner godsdiensltleeraren een subsidie werd gegeven. Alleen verviel de onderteekening van de kerkelijke belijdenisschriften door doctoren en professoren ; de professoren behielden zitting in de Algemeene Synode der Ned. Hervormde Kerk en waren zij verplicht tot het houden van Academie-preeken".
We slaan dan een stuk geschiedenis over en komen tot de Hooger Onderwijswet van 1876. Deze liet de theologische faculteit te Leiden, Groningen en Utrecht bestaan (Harderwijk en Franeker waren geen Academiestad meer) en het Amsterdamsch Athenaeum werd ook als Universiteit erkend. Er werd nu onderscheid gemaakt tusschen „neutrale"(!) en kerkelijke theologische vakken (zijnde dogmaltiek, geschiedenis der Hervormde Kerk, Kerkrecht). Deze vakken moesten voortaan door hoogleeraren worden onderwezen, die door de Kerk werden benoemd, maar door den Staat bezoldigd (volgens het boven aangestipt beginsel). Aan andere gezindten bleef de subsidie voor de opleiding verzekerd. „De hoogleeraren, die vroeger de opleiding der Hervormde predikanten te behartigen hadden, werden nu Staatshoogleeraren, die alleen in wetenschappelijken zin de theologie moesten beoefenen, in theorie buiten alle verband met de Kerk". Ze hadden geen zitting meer in de Synode en hielden geen Academiepreeken meer.
Dat bovenstaande regeling een „monstruositeit" is — zegt prof. Brouwer, wordt meer en meer ingezien.
„Het lidmaatschap der Synode is voor de kerkelijke hoogleeraren dus niet een toevalligheid of abnormaliteit ; 't is in de historie gegrond. Het is de toepassing van de juiste gedachte, dat zij, die de predikantsopleiding te behartigen hebben, in het kerkelijk leven betrokken worden en mede verantwoordelijk worden gesteld voor de leiding der Kerk. Hier hebben we in beginsel het ambt der doctoren weer in de Kerk ingevoerd gekregen. Ik zou willen, dat de Kerk zich hierop gaat bezinnen en op dit punt haar organisatie bewust herziet".
„De Kerk (die zelf in 1876 de scheiding niét gewild heeft) heeft, toen de scheiding van Staats-en kerkelijke hoogleeraren doorgevoerd was, alleen een intellectualistisch gebruik gemaakt van dat ambt der Kerkelijke hoogleeraren, door hen te overladen met vakken, die zij onmogelijk alle tot hun recht kunnen laten komen. Maar we zijn nu zestig jaar verder en de Kerk wordt zich van haar wezen en taak meer bewust. Men wil eigenlijk van alle zijden wel een reorganisatie bevorderen. Het is de leertucht, die een punt van geschil uitmaakt. Als men er toe kon komen, de vergaderings-leertucht uit het reorganisatie-ontwerp te elimineeren, dan zou makkelijk een groote meerderheid voor de reorganisatie te vinden zijn. Een onderdeel van die reorganisatie moet zijn de plaats, die de kerkelijke hoogleeraren in de Kerk behooren in te nemen".
„Bij leergeschillen zou het advies van de gezamenlijke kerkelijke hoogleeraren gevraagd moeten worden, en het betreffend kerkelijk college zou slechts met opgaaf van deugdelijke redenen van dat advies mogen afwijken. Als dit in die Kerkorde werd vastgelegd, was de kans op onverkwikkelijke leerprocedures aanzienlijk minder gemaakt. En de kerkelijke hoogleeraren zouden een nog veel meer kerkelijk gefundeerde positie krijgen dan tot nu toe het geval is. Voor deze positie kan een beroep gedaan worden op het oudtijds in de Gereformeerde Kerk bestaande ambt van doctoren. Zeer terecht, hebben deze vroeger een eigen plaats in het kerkelijk leven ingenomen. Het is van groot belang, dat de Kerk een college van bevoegde mannen bezit, die niet alleen de opleiding behartigen, maar ook in tal van vraagstukken die de leer enz. betreffen, deskundig advies kunnen geven. Dit is een geheel afzonderlijke taak, waarvoor een afzonderlijk ambt alle recht van bestaan heeft".

De verhouding van Staat en Kerk en de opleiding van Hervormde predikanten.
In bovenbedoeld artikel van prof. Brouwer komt ook een stukje voor, dat we hier afzonderlijk vermelden :
„In onze gouden eeuw, toen er nog een nauw verband tusschen Kerk en Staat bestond, hadden de theologische hoogleeraren niet" alleen de opleiding der predikanten te behartigen en de theologische wetenschap te beoefenen, maar zij waren de vraagbaak voor allerlei kwesties, die met het kerkelijk-staatkundig leven in verband stonden. Men leze maar eens, wat Eekhof van de Leidsche, Cramer van de Utrechtsche Faculteit aan correspondentie hebben uitgegeven. Vragen over huwelijk, scheiding, houden van pandjeshuizen (lombarden), komen hier evenzeer voor als die omtrent Zending, bepaalde leeropvattingen en kerkelijke gebruiken. Dat er aan de betreffende Universiteit maar vier theologische hoogleeraren verbonden waren, vormde geen bezwaar. De theologische faculteit en de opleiding der predikanten was in het kerkelijk verband opgenomen. De hoogleeraren hadden zitting in de Synode. De examens lagen geheel in de hand der kerkelijke vergaderingen : in Friesland was dit maar één examen, in de andere provincies waren het er twee".
„Wij hebben niet te verwachten" — schrijft prof. Brouwer, die het nu daarover hebben wil in dit verband — „dat ooit weer een band tusschen Kerk en Staat gelegd zal worden als in de 17e en 18e eeuw bestond. Wij hebben maar even op de politieke partijen te letten, om dit in te zien : de grootste Staatkundige partij is de Roomsch-Katholieke, die dien band natuurlijk héél anders zou willen ; dan volgen de Sociaal-Democraten, die op z'n best de liberale opvatting van scheiding van Kerk en Staat voorstaan ; dan komen de Anti-Revolutionairen, die een welwillende houding van den Staat tegenover de Kerk verlangen, maar toch met volledige scheiding van beider gebied. Dat laatste willen ook de liberalen en de Vrijzinnig-Democraten. Waarschijnlijk willen ook de meeste Christelijk-Historischen dit wel. Het is een zeer kleine minderheid, die iets wil, als vroeger bestond. Wij kunnen gerust zeggen, dat hierop niet de minste kans bestaat. Bovendien is rekening te houden met opvattingen, als in Duitschland de richting aangeven of als in Rusland bestaan". (Cursiveering is van ons. Red.).
„De Hervormde Kerk zal zich rekenschap hebben te geven van het feit, dat zij geheel op zichzelf aangewezen is. Maar dan moet zij ook voor de opleiding van hare predikanten daaruit de consequentie trekken. Zij moet met veel meer intensiteit dan tot nu toe het geval was, zich die opleiding aantrekken, en haar niet in groote hoofdzaak overlaten aan hoogleeraren, die geheel buiten haar om, vaak met zuiver politieke bedoelingen, en soms niet tot de Hervormde Kerk behoorende, door den Staat worden benoemd".
„De Kerk heeft een eenvoudig middel, om dit doel te benaderen. Zij kan een derden hoogleeraar naast de twee andere benoemen. Laat dit een bijzonder kerkelijk hoogleeraar zijn, die vanzelf gewoon kerkelijk hoogleeraar wordt, wanneer een der beide anderen overlijdt, aftreedt of Rijkshoogleeraar wordt. Het aantal vakken, dat nu aan twee mannen is opgedragen, is veel te groot voor twee".
„Na het candidaats-examen behooren de a.s. predikanten nog een twee jaren door de Kerk (ook als hulpprediker) te worden opgeleid. Op deze wijze kan de voorbereiding, die vanwege de Kerk gegeven wordt, veel beter tot zijn recht komen. En aan de kerkelijke Hoogleeraren moet (ook voor 't hulppredikerschap) de leiding in handen gegeven".
 

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken