Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET DOOPSFORMULIER

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET DOOPSFORMULIER

HOOFDSTUK V.

12 minuten leestijd

De veronderstelde wedergeboorte.
Na het voorafgegane historisch onderzoek willen wij thans onze bezwaren tegen de leer van de veronderstelde wedergeboorte nader samenvatten. We bepalen ons tot twee hoofdbezwaren, namelijk het bezwaar tegen het scholastieke begrip van de wedergeboorte, waardoor men de schriftuurlijke gedachte met betrekking tot dit genadewonder heeft ingeruild voor een wijsgeerige beschouwing, die dit wonderwerk des H. Geestes vrijwel degradeert tot een physisch proces en het bezwaar tegen het scholastieke genadebegrip, dat de genade, die ons in Gods beloften wordt toegebracht, vrijwel van haar waarde berooft om alle aandacht te vestigen op een geschapen, ingestorte genade in den mensch.
Het woord wedergeboorte met daaraan verwante werkwoordsvorm wedergeboren worden of zijn komt slechts een enkele keer in de Schrift voor, terwijl in het oorspronkelijke verschillende uitdrukkingen gebruikt worden. Over die uitdrukkingen als zoodanig is in de uitlegging weinig verschil. In Joh. 3, het voor de verklaring van het woord meest beslissende hoofdstuk, is het verband van dien aard, dat voor een ieder duidelijk is, dat een algeheele vernieuwing van des menschen hart en leven als een nieuwe, tweede geboorte gezet wordt tegenover de eerste geboorte. Dit brengt Nicodemus tot zijn eigenaardige vraag, vol van critiek op de uitdrukking, waarna Jezus hem verklaart, dat, waar dé eerste geboorte uit het vleesch is, de tweede uit den Geest is.
Echter is het woord in de Schrift niet alleen gebruikt ten opzichte van den mensch ; in Matth. 19:28 wordt het gebruikt in verband met een toekomstige vernieuwing van heel de wereld, gelijk de Schrift ook op andere plaatsen spreekt van een nieuwen hemel en een nieuwe aarde. Maar juist daaruit blijkt ten duidelijkste, dat het woord, toegepast.op den mensch, spreekt van een algeheele vernieuwing van 's menschen hart en leven door de kracht van Gods Woord en Geest.
Onze belijdenisgeschriften verstaan het Woord zeer klaar in dezen zin. In art. 24 Van de Nederl. Geloofsbelijdenis lezen we: Wij gelooven, dat dit waarachtig geloof, in den mensch gewrocht zijnde door het gehoor des Woords Gods en de werking des H. Geestes, hem wederbaart en maakt tot een nieuwen mensch en doet hem leven in een nieuw leven en maakt hem vrij van de slavernij der zonde.
De betrekking tusschen geloof en wedergeboorte, waarvan dit artikel mede spreekt, laten we hier rusten. Het gaat nu alleen over de omschrijving van de wedergeboorte in dit artikel en dan is duidelijk, dat daaronder niet alleen verstaan wordt een omkeering des harten maar ook een vernieuwing van het leven.
In de Dordtsche leerregels vindt men dezelfde opvatting. In hoofdstuk III en IV art. 10—12 wordt geen onderscheid gemaakt tusschen wedergeboorte en bekeering, alsof de eerste de wortel en de tweede de vrucht ware, maar de wederbarende kracht des Heiligen Geestes is die kracht, waardoor een mensch tot bekeering wordt gebracht. In de wedergeboorte en bekeering wordt alles veranderd, verstand, hart en wil, zoodat van een nieuwe schepping, een opwekking uit de dooden, een levendmaking gesproken wordt.
O'Ok de hervormers en in het bizonder Calvijn hebben op deze wijze van de wedergeboorte gesproken, wat trouwens ook door hen, die het woord wedergeboorte naar zijn scholastieke omvorming gebruiken, wordt toegestemd.
Uit wat we over Voetius mededeelden, is echter reeds gebleken, dat men heel spoedig na de reformatie reeds een onderscheiding heeft ingevoerd door te spreken van een wedergeboorte in engeren en ruimeren zin. Wat Schrift en belijdenis onder wedergeboorte verstonden, noemde men toen de wedergeboorte in ruimeren zin, de wedergeboorte, die daadwerkelijk aanwezig is. Men meende echter, dat, gelijk iedere plant uit een zaadkorrel opwast, zoo aan deze wondere planting des Geestes een klein beginsel in het hart des menschen ten grondslag ligt, geschapen door de kracht des Geestes. De mensch komt niet wedergeboren ter wereld; hij wordt wedergeboren, nadat God hem' in het aanzijn riep ; dit werk heeft dus een begin in den tijd en dit begin van des Geestes werk plaatste men in het verborgene, onbewuste zieleleven van den mensch om zoo van binnen uit de verandering te doen plaats hebben. Dit allereerste begin van het wederbarende werk des H. Geestes achtte men als een inplanting van het nieuwe leven, het zaad der bekeering en des geloofs en noemde dit de wedergeboorte in engeren zin, de allereerste wedergeboorte. En zooals het zaad een tijdlang onder de aardkluit kan liggen, voordat het ontkiemt, zoo meende men, dat het zaad des nieuwen levens een tijdlang in een mensch kan liggen, voordat het dien mensch tot bekeering brengt. Zelfs oordeelde Voetius, dat de uitverkoren kinderen des verbonds reeds in hun prilste jeugd nog vóór den doop wedergeboren zijn geworden en hij aarzelde niet om deze stelling ook toe te passen op den moordenaar aan het kruis, ofschoon de vrucht dezer wedergeboorte eerst aan het eind van zijn leven doorbrak.
Deze scholastieke opvatting van de wedergeboorte is in de vorige eeuw opnieuw met kracht door dr. A. Kuyper voorgestaan ; zij ligt ten grondslag aan zijn leer van de veronderstelde wedergeboorte, want deze leer is zonder de genoemde beschouwing der wedergeboorte onbestaanbaar.
Nog veel sterker dan Voetius drukte hij zich uit. Telkens spreekt hij van een verborgen levenskiem, die in den mensch wordt ingeplant, en waarin als in een zaadkorrel heel de nieuwe mensch besloten ligt. In zijn werk over den H. Geest doet hij dat zelfs op zulk een wijze, dat het schijnt, alsof deze levenskiem, deze nieuwe mensch in beginsel eerst van God geschapen wordt en daarna in een mensch wordt ingebracht.
Tegen een dergelijke spreekwijze en beschouwing hebben wij .gewichtige bezwaren. Allereerst is de uitdrukking levenskiem zeer duister. Bij wijze van vergelijking is deze uitdrukking natuurlijk gebruikt, maar in de natuur heeft het leven geen kiem. Als de zaadkorrel ontkiemt, is die kiem een teeken, dat de zaadkorrel leeft; daarom spreekt men van kiemkrachtig zaad om zaad aan te duiden, dat leeft en voort kan brengen. De kiem mag het begin van de nieuwe plant zijn, maar zij is reeds door de zaadkorrel voortgebracht. Wil men dus van het allereerste begin des nieuwen levens in een mensch in het verborgene van zijn zieleleven spreken, dan kan men hoogstens van een zaad spreken, waaruit een nieuwe plant straks, opschiet.
Heel deze gedachte echter van een zaad van nieuw leven, in een mensch ingeschapen, is een zuivere abstractie, een product en veronderstelling van 't redeneerend verstand, dat zegt: dit wondere werk des H. Geestes ter wedergeboorte van den mensch heeft een begin en dit begin is het zaad, het wortelbeginsel, waaruit straks alles voortkomt, de wedergeboorte in ruimeren zin, de bekeering, het geloof enz. Wat in het natuurlijke leven ontmoet wordt, dat b.v. de mensch reeds voor zijn geboorte een bestaan in de moederschoot heeft gehad en daar een allereerste leven heeft geleefd, brengt men zonder meer op den nieuwen mensch over en beweert, dat die nieuwe mensch, die voor Gods aangezicht wandelt in bekeering en geloof, reeds voordien een bestaan had in het verborgene des menschen.
Over dit nieuwe levensbeginsel, dat zonder nog eenige vrucht voort te brengen en zonder zijn aanwezigheid in iets te verraden, sluimert in het verborgene van het zieleleven spreken noch de Schrift noch onze belijdenisgeschriften, maar de dogmatiek gewaagt van dit beginsel met een zekerheid, alsof zij over een microscoop beschikt, waarmede de aanwezigheid van daar kan worden geconstateerd.
Uit Calvijn haalden we reeds enkele woorden aan, waaruit blijkt, dat hij van zulk een zaad der verkiezing, gelijk hij het noemt, niet weten wil, terwijl we ook wezen op de verklaring van de kantteekenaars bij I Joh. 3 : 9, die het zaad Gods, dat in den geloovige blijft, verklaren van het Woord Gods, dat in zijn hart is gevallen en daar werkzaam blijft. Van een zaad der bekeering en des geloofs in het binnenste des menschen als in den zin van een geschapen genade, die onvergankelijk is, reppen zij niet.
Ook de Dordtsche leerregels, die alle aanleiding hadden om in het stuk van de volharding der heiligen van dit onvergankelijk zaad des geloofs, te spreken, laten deze kwestie geheel rusten. De volharding der heiligen wordt geheel geplaatst in het licht der verkiezing en der trouwe Gods. Omdat God Zijn verkorenen niet meer loslaat, omdat Hij voleindigt, wat Zijn hand begon, daarom zal niet een van Gods kinderen op de reis naar het hemelsch Sion omkomen, maar nimmer worden de geloovigen getroost met de waarheid, dat in hun harten een genade ingeschapen is, die onverderfelijk is. Integendeel van zich zelf zijn zij, ook als geloovigen en begenadigden zoo zwak, dat zij zeker in den strijd bezwijken zouden, indien God de Heere hen niet hield en bij de verworven verlossing beschutte en bewaarde.
Trouwens wat men de allereerste wedergeboorte pleegt te noemen, het inscheppen in het hart van den mensch van een zaad des nieuwen levens kan zeer moeilijk met het woord wedergeboorte worden aangeduid, omdat het woord geboorte niet spreekt van iets, dat verborgen is, maar van een leven, dat juist aan den dag treedt.
Onze gedachten over dit stuk samenvattende meenen wij allereerst te moeten zeggen, dat ernst gemaakt moet worden met Jezus' woord in verband met de vraag naar de wedergeboorte gesproken : De wind blaast, waarheen hij wil en gij hoort zijn geluid maar gij weet niet vanwaar hij komt noch waar hij heengaat; alzoo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is.
De vrucht des H. Geestes in de verandering van een menschenhart blijft niet verborgen, maar het werk des Geestes zelf is een verborgenheid, die wij niet kunnen doorgronden. Daarom kunnen wij ook niet Vaststellen, waar en wanneer de H. Geest begint met zijn werk en den mensch tot nieuw leven verwekt. Een wedergeboorte in engeren zin, die de wortel is van de wedergeboorte, zooals Schrift en Belijdenis daarvan spreken, is een zuivere veronderstelling van ons redeneerend verstand, waardoor wij trachten af te dalen in dingen, die wij niet verstaan kunnen.
Veelmeer moet het dan ongeoorloofd genoemd worden om van alle uitverkoren bondskinderen te belijden, dat zij reeds vóór den doop wedergeboren zijn. Men kan hiervoor geen enkelen grond aanbrengen dan de gedachte, dat de doop zijn zin verliest, wanneer hij niet als een zegel de inwendige genade bekrachtigt en versterkt. Echter volgens Schrift en Belijdenis heeft de doop dezen zin nooit gehad, zoodat de leer der veronderstelde wedergeboorte geheel berust op de scholastieke opvatting der wedergeboorte en de dwalende gedachte, dat de sacramenten een inwendige genade in het werk bezegelen en versterken.
Het spreekt van zelf, dat wij de poging van het piëtisme om niet langs den weg der redeneering maar langs den weg der ervaring te komen tot aanwijzing van het begin van het zaligmakend werk des H. Geestes evenzeer afwijzen, 't Is een dwaze vermetelheid om de eerste werkzaamheid, 472 die men in zich zelf gewaar wordt en die het begin is van een reeks zielswerkzaamheden, die tot bekeering leiden, te willen vastleggen als het begin van het zaligmakende werk des Geestes en het tijdstip, waarop deze werkzaamheid verscheen, te willen vastleggen als het tijdstip der wedergeboorte. Trouwens het piëtisme zelf is met deze poging in de grootste moeilijkheden geraakt, omdat spoedig een groot verschil zich openbaarde over de vraag, of er voorbereidende werkzaamheden des H. Geestes zijn, die nog-niet-zaligmakend kunnen worden genoemd en waar dan het nog-niet-zaligmakende werk in het zaligmakende werk overgaat. De een wil de eerste bekommernis over de zonde reeds zien als een zaligmakend werk, terwijl anderen de scheidslijn tusschen niet-zaligmakend en zaligmakend werk steeds verder naar achteren verleggen, totdat sommigen oordeelen, dat eerst in het oogenblik van de bewuste rechtvaardigmaking een mensch wordt wedergeboren tot nieuw leven. In overeenstemming met dit verschil heeft het piëtisme allerlei nuances in de prediking en in de behandeling van het bekommerde volk.
Wij kunnen en wij mogen het werk van den H. Geest in de wedergeboorte des menschen niet naspeuren en het is niet dan grove oppervlakkigheid te meenen, nadat men de zielswerkzaam heden van een, die tot bekeering kwam heeft nagespeurd, dat men het werk des Geestes open en bloot voor zich heeft. Het wondere werk des H. Geestes in de vernieuwing van een menschenhart mag men niet gelijkschakelen met de werkzaamheden, die daaruit opkomen en die vaak maar al te zeer laten zien, ook in de waarachtige bekeering, dat zij werkzaamheden zijn van een zondig en in al zijn vermogens eindig, beperkt menschenkind.
In de tweede plaats achten wij het niet geoorloofd bij de wedergeboorte te spreken van de inschepping of instorting van een onvergankelijk levensbeginsel, waarin als in een kiem heel de nieuwe mensch van den aanvang af besloten ligt en waaruit die nieuwe mensch onder de leiding des Geestes opwast. Er is o.i. niets in de Schrift, dat daarvoor pleit. Niet op het blijvende van een ingeschapen genade, maar op de blijvende werkzaamheid des H. Geestes legt de Schrift telkens den nadruk en daarmede worden wij niet naar een genade in ons verwezen als naar een vasten grond van hope en vertrouwen, maar naar de trouw van Vader, Zoon en H. Geest als naar een bron van immer vloeiende vertroosting. Het werk der genade in ons heeft zijn vastigheid en duurzaamheid niet in zich zelf als in een onvergankelijke kern, maar deze duurzaamheid en vastigheid komen voort uit de trouw Gods, die nimmer laat varen de werken Zijner handen
O. a.d. IJ.
W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1937

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET DOOPSFORMULIER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1937

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken