Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

MEDITATIE

10 minuten leestijd

„En zij baarde haar eerstgeboren zoon". Lukas 2 vers 7a.

„Daar is uit 's werelds duist're wolken Een licht der lichten opgegaan, Komt tot Zijn schijnsel, alle volken, En gij, mijn ziele, bid het aan".
Zoo klinkt van nabij en van verre de Kerstpsalm des Ouden Verbonds, en overal waar de naam van Christus wordt genoemd, wordt opnieuw de wekstem vernomen : „Laat ons dan heengaan naar Bethlehem en zien het woord, dat daar geschied is, hetwelk ons de Heere heeft bekend gemaakt".
„En het geschiedde in diezelve dagen, dat er een gebod uitging van den Keizer Augustus, dat de geheele wereld beschreven zou worden". Zoo vangt het oude en toch altijd nieuwe Kerstevangelie aan. Hij, die machtige Keizer, gebiedt en gansche volken gehoorzamen. Wel een groote macht, maar op dwang gegrond. De vrije burgers van weleer kromden den nek onder het gezag van den machtigen Keizer. Men vleide den heerscher, want zich tegen hem verzetten, neen, dat durfde men niet.
In een afgelegen hoek van dat geweldige rijk, waar de dwang zich ook reeds deed gevoelen, zat een schamele timmermansbruid in heilig gepeins terneer. Nadat zij door den engel, aan haar verschenen, begroet is als de begenadigde, de gezegende onder de vrouwen, die door God uitverkoren en bestemd is om de moeder te worden van een kind, dat groot zal zijn en tot in eeuwigheid zal zitten op den troon van David als een heerscher, komt de vraag van hare maagdelijke lippen : „hoe zal dat wezen ? ", en hare verbazing neemt toe bij 't woord, door den engel tot haar gesproken : „de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen en de Heilige Geest zal over u komen, daarom dat heilige, dat uit u zal geboren worden, zal Gods Zoon genoemd worden".
Jozef, haar godvruchtige bruidegom, door een hemelsche openbaring in den droom van verborgen twijfel en kommer genezen, aarzelt geen oogenblik zijn verloofde tot zich te nemen, en in haar zijn reine bruid te eerbiedigen. Gehoorzaam aan de bevelen der machten, over hen gesteld, trekken zij op naar Juda, Davids stad, die Bethlehem genaamd wordt, omdat zij uit het huis en geslacht van David afstammen, om beschreven te worden.
En ziet, daar gekomen, is de in Gods raad bepaalde tijd aangebroken, dat de dagen van Maria vervuld zijn, dat zij baren zou, en zij schenkt aan haar eerstgeborene, die Gods Eengeborene is, het leven, en het woord van Johannes, wij leeren het verstaan, waar wij geloovig dat Wonderkind van Maria, in doeken en windselen gewonden en neergelegd in de kribbe, mogen aanschouwen : „in den beginne was het Woord en het Woord was^ bij God", en „het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van den Eeniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid". De Zone Gods, mensch geworden, heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard, en toch was die openbaring de vrucht eener vernedering, die Paulus aldus beschrijft: „In de gestaltenisse Gods zijnde, heeft Hij het geen roof geacht Gode evengelijk te zijn, maar heeft Zichzelve vernietigd, de gedaante eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den menschen gelijk geworden".
Wat een diepe vernedering, en toch mag de vrijwillige menschwording van Gods Zoon wel een verbazende, maar tegelijk de eerste schrede op dien weg der vernedering heeten. „Niemand heeft ooit God gezien ; de Zoon, die van alle eeuwigheid in den schoot des Vaders was, het afschijnsel Zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, die heeft Hem ons verklaard. Door Hem zijn alle dingen geschapen, zienlijke en onzienlijke dingen, en Hij is vóór alle dingen en alle dingen bestaan tezamen door Hem." Al de macht van hemel en aarde tezamen kan Hem niet van den zetel Zijner heerlijkheid afstooten, indien Hij zelf het niet wil, maar geheel vrijwillig, door niets dan door Zichzelven bewogen, kiest Hij de voetbank boven den troon, de gestalte van den dienstknecht boven de gestaltenis Gods, en straks de kreten eener tegen Hem vijandige menschheid boven de, halleluja's der engelen.
Waarom ? Volk van God, dat weet gij, want aan u is de genade van den Heere Jezus bekend geworden, en staande in het geloof aan Bethlehems kribbe, duizelt ge immers, waar ge den afstand wilt meten die een sterrentroon van een beestenkribbe scheidt.
Wat spreken wij van vele wonderen, waarvan het eene al minder geloofelijk is dan het andere. Hier is het wonder, dat alles te boven gaat en dat aldus in dit lied wordt bezongen:
„Dien heel de wereld niet omsloot. Die ligt hier in Maria's schoof; In dit ons arme vleesch en bloed Verbergt zich 't eeuw'ge, hoogste goed".
Jezus, te Bethlehem geboren, is de van God. verordineerde en van eeuwigheid gezalfde Messias, die komen zou om Zijn van eeuwigheid gekende, in Adam in den dood weggezonken volk te verlossen van het juk huns hals, van den last hunner schouders en van den staf huns drijvers. Hij was die heerscher, die macht uitoefent, maar een ander dan de Keizer, op den troon der wereldstad gezeten. Hij bezit geen legioenen, die de volkeren in bedwang houden, en Hij bezit geen krijgsknechten, die de wereld voor Hem veroveren. Hij ziet zich niet omringd door slaven, die zich zouden verzetten, indien het hun niet aan moed ontbrak. Jezus oefent een geestelijke macht uit, maar hoe geheel anders, dan men het onder Israël zag. Neen, Gods en der menschen Zoon, Hij kwam niet om het oordeel te doen hooren over de schuldige menschheid en den mensch te regeeren door angstige vrees. Hij wil geen nieuw gebod afkondigen van een andere Sinaï, geen herhaling van het troostloos woord : „Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven staat in het boek der wet om dat te doen". Hij treedt niet op als boetgezant, die alleen verslagen harten maakt en dreigt met den bijl aan den wortel des booms.
„Heden is u geboren de Zaligmaker", zoo luidt het Kerstevangelie als een weerklank op Jezus' woord: „de Zoon des menschen is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren is".
Jezus geboren. Die vriendelijke Heiland leeft om anderen zalig, in den hoogsten zin des woords gelukkig te maken. Hij zoekt wat verloren is, allen, die zijn afgedwaald, die God en hun levensdoel geheel uit het oog verloren, die afgedwaalden zoekt Hij. Hij vindt den toegang tot hun hart; dat hart, zoo geheel voor Hem gesloten, zoo gansch onbevredigd, het ontsluit zich voor Hem en de machtige stem Zijner liefde. Jezus zoekt den boetvaardige en den zondaar, onder den last zijner zonden en schuld vermoeid, en Hij werkt door Zijn Geest in hen het werk Zijner genade met kracht, hen brengende tot een geloovig toevlucht nemen tot Hem, tot een geloovig omhelzen van Hem, tot een geloovig zich verlaten en vertrouwend steunen op Hem.
Jezus toont hun den Vader, en die vanwege de heiligheid en rechtvaardigheid des Vaders van verre staan, doet Hij naderen en als hun Middelaar van verzoening en voorspraak, bevredigt Hij den Vader met hen. Hij leidt hen door Zijn Geest in de waarheid en verlost hen van allen bedriegelijken schijn. Hij maakt ze waarlijk vrij en de boeien der zonde worden verbroken. Hij leidt hen achter Zich, gelijk de doorbreker, die voor hun aangezicht henengaat, naar het Kanaan der eeuwige rust en heerlijkheid.
Jezus is geboren. Hij is een Koning, de Koning der zielen, heeft een troon in de harten Zijner ware onderdanen. Hij grondvest een rijk door den band des Geestes. Hij is een gebieder, maar zonder dwang. Zijn volk toch is een gewillig volk ten dage Zijner heirkracht. Hij komt om te dienen, daardoor juist heerscht Hij.
Ziedaar, in weinige woorden u de oorzaak der blijdschap genoemd, die onze harten op het Kerstfeest vervult. Geen feest voor hen, die liever in de wereld en zondige genietingen hun vermaak zoeken, dan met Gods volk zich in den geest te scharen rondom die eenvoudige kribbe, waarin God de rijkste gave heeft gelegd voor zondaren. Geen feest voor hen, die op twee gedachten blijven hinken, maar nooit beslist met verloochening van eigen gerechtigheid komen, om dit Kindeke te erkennen en te eerbiedigen als den Heere hunne gerechtigheid.
Maar blijdschap voor den zondigen, schuldigen en in zichzelf verloren mensch, die in dat wonderkind van Maria den Eengeboren Zoon des Vaders mag zien, die kwam om leven, gerechtigheid, vrede, eeuwige zaligheid voor hem te verwerven en hem die deelachtig te maken. Blijdschap voor den ellendige, den zwakke, die in Jezus Christus een steun, een Leidsman gevonden heeft. O, waar ook in deze wereld het Kerstevangelie verkondigd wordt, is onder al wat gehoord en aanschouwd wordt, niets te vergelijken met de blijmare : „Jezus is geboren, geboren te Bethlehem, en in doeken gewonden, neergelegd in de kribbe".
Dat Kerstevangelie, reeds negentien eeuwen verkondigd, heeft nog niets van zijn frischheid en kracht verloren. Nog evenals de herders en de Oostersche Wijzen, trekken de heilbegeerigen heen naar de kribbe om een blik te slaan op dat Kind binnen hare wanden, en lovende en Godprijzende weer te keeren met de grootste blijdschap, omdat de Christus, de Zaligmaker, door hen werd aanschouwd.
Het Evangelie van den Kerstnacht, door Gods engelen hier op aarde gebracht, is nog nimmer weggenomen. Die Christus, te Bethlehem geboren, gaat nog altijd voort in de harten van zondaren het welbehagen Gods te openbaren. Hij doet het, zoo dikwijls Hij in zichzelf verlorenen brengt aan Zijn kribbe en aan Zijn kruis, om hun daar in Hem den eenigen Redder en Behouder hunner zielen te aanschouwen te geven en hun daar in Zijn armoede hun rijkdom, in Zijn kribbe hun dankaltaar, in Zijn komst de welverzekerde hoop hunner toekomst te doen aanschouwen.
Zoo komen wij dan als bij vernieuwing weer tot de overtuiging, dat de Vader van alle barmhartigheid ons in dien gegeven Zoon en in dat geboren Kind een volkomen Zaligmaker heeft geschonken, die door de verlossing, door Hem teweeg gebracht, aan al onze behoeften heeft voldaan. Dit staat toch vast, beide naar de uitspraak der Heilige Schrift en onzer consciëntie, dat niemand en niets, dat onrein is, voor het aangezicht van den vlekkeloozen, heiligen God kan bestaan. Onze zonde, zoowel de smet der zonde als de dadelijke overtreding der wet, maakt scheiding tusschen den mensch en God, en wij nemen van ganscher harte het woord van den Apostel over : „die in het vleesch zijn, kunnen Gode niet behagen". Maar ziet, daar daalde Gods Zoon neer uit den hemel. Hij, die de aarde, om onzer zonden wil vervloekt, met den hemel verzoent, gelijk Hij in Zichzelven de Godheid met de menschheid verbond. Hij kwam om met een levenslang offer der onbevlekte en onbepaalde gehoorzaamheid, dat reeds bij de ontvangenis en geboorte begon, de schuld en den vloek van allen weg te nemen, in wier plaats Hij als Middelaar optreedt.
Hij kwam om de Zijnen te brengen tot het zalig genot van dat heil, hetwelk buiten Hem overal tevergeefs gezocht, maar bij Hem alleen in volle mate gevonden wordt.
Geve de Heere uit vrije genade u bij den aanvang of voortgang daaraan levendige en bevindelijke kennis, opdat het Kerstfeest voor u waarlijk Kerstfeest moge zijn en gij met al het volk moogt uitroepen : ook voor mij en in mij is Jezus geboren.
Giessendam.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken