Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

KERKELIJKE RONDSCHOUW

18 minuten leestijd

HOE MOETEN WIJ ONZE KINDEREN BESCHOUWEN?
(Slot).

Maar nu de kinderen ! Zijn die óók wedergeboren, hebben die ook geloof, hebben die zich óók tot God bekeerd ; zijn dat ook levendgemaakte en veranderde menschen, om nu het Sacrament van den Heiligen Doop te ontvangen, om te bezegelen dat hun zonden vergeven zijn ?
Geenszins. Zóó staan de zaken niet. En men moet de zaken ook niet met geweld verkeeren, om ze toch met alle geweld en alle gedraai zóó te krijgen. Dan verwringt en verdraait men, wat ons in Gods Woord en in onze belijdenisschriften geleerd wordt, en verderft daarmee alles.
Neen, laat ons liever zelf ons geloof belijdende en al onze zaligheid in Christus wetend, als leden van 's Heeren Kerk, met ons kind tot het Sacrament van den Heiligen Doop gaan, vertrouwende, dat de Heere hetzelfde wat Hij ons in Zijn grondelooze genade gegeven heeft, óók geven wil aan onze kinderen, waarvoor ons Zijn verbondsbelofte borg staat.
Verder mogen wij niet gaan : op grond van Zijn verbondsbelofte, dat Hij ónze God wil zijn — waarvan we het getuigenis des Heiligen Geestes in ons harte mogen omdragen — en dat Hij óók de God van ons zaad wil zijn, op grond van die verbondsbelofte dragen we ons kind in het huis des Heeren en leggen het voor Zijn aangezicht, en vragen aan Zijn dienaren, dat zij het water van den Doop aan het voorhoofd van ons kind willen sprenkelen. Dan wordt de verbondsbelofte zichtbaar uitgebeeld en aanschouwelijk ons voorgesteld en de bevestiging en verzegeling van die belofte ontvangen we voor onze oogen ; en ons kind ontvangt het aan het voorhoofd, als een onuitwisbaar teeken en zegel.
Gedoopte kinderen zijn verbondskinderen, zijn beloftekinderen, die de belofte Gods meedragen overal : Ik wil u tot een God zijn ; Ik wil u even goed en niet minder als Ik dat aan volwassenen deed, de verlossing in Christus toezeggen en beloven ; Ik kom u, kleine kinderen, in Mijn Gemeente inlijven, u afzonderend van de wereld, gelijk Ik dat oudtijds met Israël deed door het teeken der besnijdenis.
Wij moeten dan ook niet spreken van tweeerlei verbond ; want er is één verbond. We moeten niet willen uitrekenen hoevele en wie er wedergeboren zijn van de kinderen. We moeten geen „veronderstellingen" maken. We moeten eenvoudig met een geloovig harte do. verbondsbelofte leeren aannemen : God wil ook voor onze kinderen een Vader in Christus zijn !
Voor die toezegging en die belofte, waarvan het teeken en zegel mag gegeven worden aan ons kind, zullen we den Heere oprecht en blij danken.
En we zullen ootmoedig Hem smeeken, dat nu al deze weldaden aan ons kind mogen werkelijkheid worden, door de toepassing des Geestes en de waarachtige bekeering van ons kind, dat al deze weldaden met een geloovig harte straks moge leeren aannemen, om Christus en al Zijne weldaden door het geloof zich te leeren toeëigenen.
We moeten niet bouwen op onze „veronderstellingen" ; maar we moeten ons vastgrijpen, aan hetgeen de Heere ons heeft willen beloven en aan ons kind heeft toegezegd, biddende nu dat het ons kind tot een zegen en tot een eeuwige zaligheid en vreugd mag zijn of worden.
Want — zeker ! het is geenszins onmogelijk, dat een kind een wedergeboren kind is. Geeft de Schrift er geen getuigenis van en bevestigt de geschiedenis het niet in het midden van Christus Kerk ? Immers ja !
Maar de belofte Gods voor ons kind ligt er. Dat weten we. En die zichzelf kennen mag bij Geesteslicht, kent ook zijn kind !
Dan wordt de belofte, de verbondsbelofte Gods ons een oorzaak, om op den Heere aan te loopen en te bidden, dat ons kind óók den Heere vreezen mag, om óók tot Hem bekeerd, als een veranderd mensch, alle zaligheid in Christus mag leeren kennen, om als een nieuw schepsel, wedergeboren van boven, in nieuwigheid des levens te wandelen.
Dan bidden wij bij den Doop — met het gebed van het Formulier door Calvijn opgesteld : „Wij bidden U, o God, dat Gij U wilt verwaardigen, om deze weldaad aan dit kind te bevestigen." En verder : „Maar opdat het. deze weldaden kunne aannemen, verwaardig U om het tot de gemeenschap van onzen Heere Jezus aan te nemen, opdat het deele in al Zijne goederen".
Neen — dan moet men niet zoo scherp tegenwerpen een opmerking b.v. als deze : „o, dus wat God beloofd heeft, is nog niet zoo heel zeker ; en moet dus God gewantrouwd worden in wat Hij toezegt aan onze kinderen?
Wacht nu eens even, broeder en zuster die zóó spreekt. Want de kwestie is niet, dat God niet is te vertrouwen, of dat God aan den een weer wat anders belooft dan aan den ander.
De Heere is wel te vertrouwen. En Zijn verbondsbelofte is waarachtig, dat Hij het aan onze kinderen wil geven even goed als aan de volwassenen. Maar wie en wat is nu ons kind ? Moet dat niet geestelijk geleerd worden deze verbondsbelofte geestelijk te leeren verstaan en te betrachten ?
Neen — laat men alles niet onder dat ééne leggen : dat onze kinderen „verondersteld" Worden wedergeboren te zijn en de bijzondere genade Gods en al de weldaden des Geestes deelachtig te zijn. Wat hebben we aan die speculatieve veronderstellingen ? Niets.
Onze kinderen worden niet allen te samen en ieder voor zich op dezelfde wijze wedergeboren ; niet allen van moeders lijf aan. Neen, dat geschiedt op de wijze en op den tijd als het Gode belieft in Zijn genade. En daarom zullen wij geduriglijk bidden : Heere, bekeer ons, en bekeer onze kinderen, voor 't eerst en telkens weer, opdat zij bij Uw verbondsbelofte niet verloren gaan en onder Uw verbondsvloek niet ellendig omkomen.
Want wij weten, dat het Woord waarachtig is, dat zegt : dat wij allen als verloren schapen hebben gedwaald en dat een ieder tot zijn eigen weg is afgeweken, dat is tot het verderf. En die de Heere in Zijn grondelooze ontferming verkiest ten leven om ze te behouden van een wis verderf, bewaart Hij tot den tijd Zijner genade, om hen uit den dood over te zetten in het leven, om hen te roepen uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.
Wat Hij doet op Zijn tijd, de één vroeger en de ander later (Lees b.v. hierbij wat Calvijn schrijft : Institutie, Boek III, 24, 10, 11).
Onze kinderen zijn dus als kinderen des verbonds „afgezonderd" en „Gode toegewijd". Wij zijn niet minder „Gods volk" dan oud-Israël dat was. Maar we weten heel goed, dat onze kinderen daarin allerlei zegeningen genieten, die pneumatisch of geestelijk van karakter zijn, maar daarom toch niet zijnde „de persoonlijke zaligheid". Daarom moet in de „heiliging" als „afzondering" aan onze kinderen de persoonlijke zaligheid toegepast worden ; want elk „verbondskind" is geen „geestelijk mensch".
Zoo moeten wij door „de belofte des Evangelies" getrokken en vermaand worden, dat we toch geestelijk zullen leeren verstaan, hoe den geloovige de eenige offerande van Christus ten goede komt, zijnde de eenige troost beide voor leven en sterven !
Daarom moeten we ook niet misbruiken wat onze Geref. Vaderen in de Dordtsche Leerregels (Hoofdstuk I, 17) hebben geleerd tot troost voor godzalige ouders, als hun kind vroeg sterven gaat. Dat is om godzalige ouders bij de geopende groeve de verzekering te geven, dat de Heere óók kinderen, jonge kinderen, in Zijn Koninkrijk wil opnemen. En dat dan jonge kinderen niet zalig worden, omdat ze nog zoo jong zijn, of iets dergelijks. Neen — alle vleesch ligt voor God verdoemelijk, en geen vleesch kan het Koninkrijk Gods beërven. Dat weten godzalige ouders maar al te goed. Hun kind-zijn, in natuurlijken zin genomen, kan dus niet de oorzaak zijn, om in den hemel te worden opgenomen. Ook de Doop als handeling niet (wat Rome's Kerk leert).
Maar als godzalige ouders met deze dingen mogen bezig zijn en alle hoop op eigen vleesch laten varen en alle troost uit eigen vleesch missen moeten, dan wil de Heere godzalige ouders, die hiermee bezig mogen zijn voor Gods aangezicht (anders is er geen troost, want de dingen gaan maar niet „van zelf") uit de verbondsbelofte nog wel troost geven, zoodat zij niet behoeven te staan in wanhoop bij het graf van hun kind.
Maar — het is zoo teer en daarom is het juist voor godzalige ouders een troost, als zij den God des verbonds in den geloove mogen vasthouden — er staat nergens in de Schrift, dat een kind, omdat het vroeg sterft, daarom een gekende des Heeren is. Deelen ook onze kinderen niet in den vloek, om der zonde wil ? Daarom mag niet de dood zelve, al is het een vroegtijdige dood, tot troost zijn. De dood kan nooit in zichzelf troost hebben. Daarom mag ook van het vroegtijdig sterven geen misbruik worden gemaakt. Slechts in het geloof worden deze dingen verstaan !
Zoo staan wij dan met onze kinderen, als kinderen des verbonds, in het midden der gemeente en bij de verbondsbelofte bidden we dan na de bediening van het Sacrament van den Heiligen Doop: „Almachtige, barmhartige God en Vader, wij danken U, dat Gij ons met ons zaad in Uw verbond genomen hebt" en datzelve met den Heiligen Doop aan onze lichamen verzegelt en bekrachtigt. Wij bidden U, dat Gij dit kind (of deze kinderen) wilt wasschen met het bloed en den Geest van Jezus Christus, dat is : wilt hem zijne zonden om des bloedstortens van Christus, niet toerekenen en door Uwen Heiligen Geest wederbaren en vernieuwen, opdat Het christelijk en godzalig opgevoed worde, enz." [Doopsformulier van 1580.]
Hebben wij dus allen in Adam gezondigd en liggen wij allen voor God verdoemelijk, zoo wil de Heere ons en onze kinderen in Zijn verbond opnemen (Genesis 17 vers 7 ; Hand. 2), om in den weg van Zijn verbond Zich een levende gemeente te vergaderen, die zal zalig worden. Daarbij zal blijken uiteindelijk, dat er velen in het verbond begrepen zijn en toch niet zullen zalig worden ; zooals het met Israël ging onder het Oude Verbond, zoo zal het altijd weer gaan in het midden van de Christelijke gemeente onder het Nieuwe Verbond. In de uitkomst zal het blijken, dat er tweeërlei soort verbondskinderen zijn, hetwelk voor ons oog veelal wègschuilt, maar waarbij het leven in geloof en belijdenis ook aan deze zijde van het graf veel komt openbaren, hoewel wij nooit over het hart kunnen en mogen oordeelen. De een zal een levende rank, de ander een onvruchtbare rank zijn ; de een zal aangenomen, de ander verworpen worden. (Matth. 8 vers 1:2 ; 7 vers 21 ; Rom. 11 vers 8; 2 Cor. 1 vers 20 ; Tim. 4 vers 8 enz.).
Wij weten niet wie uitverkoren zijn en wie niet.
Wij weten alleen wie tot het Verbond behooren, maar hooren dan tegelijk zoo ernstig op ons afkomen : strijdt om in te gaan — strijdt den goeden strijd des geloofs — wie volharden zal ten einde, die zal zalig worden.
Omdat alles genade is past het ons niet om alles te veronderstellen, maar alles biddend en worstelend van den Heere af te smeeken, waarin wij ook onze kinderen moeten vóórgaan.
Lichtvaardig spreken tot onze kinderen op school (in het gezin, op de catechisatie, in de Kerk) van „veronderstelde wedergeboorte" enz. past ons niet. Te zeggen, dat het ongepast is onze kinderen te leeren bidden om een „nieuw hartje", getuigt tegen ons.
Als kinderen des verbonds moeten wij onze kinderen zien, als kinderen die in zonde ontvangen en geboren zijn en midden in den dood liggen, om de 'aanbieding van genade en vrede lieflijk hun voor te stellen, ernstig vermanend, dat zij de goederen des heils niet zullen verachten, opdat zij niet met vele slagen geslagen worden.
De heilsbelofte, de verbondsbelofte, ligt er de toezegging van de verlossing door Christus' bloed dragen onze kinderen mee ; de belofte van den Heiligen Geest, die het geloof werkt. Och, dat zij niet overgaan in den vloek (Deut. 29 : 10—13). Het ligt zoo vlak naast elkaar ! Wee hun, als zij wandelen naar het goeddunken huns harten (Deut. 29 : 19) dan zal de vloek hen treffen en hun naam zal worden uitgedelgd (vers 19—22). Houdt dan de woorden des verbonds, zoo roept Mozes, de man Gods het volk van Israël toe (Deut. 29 : 9) — en treffend eindigt dat hoofdstuk met deze bekende woorden : „De verborgene dingen zijn voor den Heere onzen God ; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer wet" (Deut. 29:29).
God maakt Zich vrij van ons allen. Hij ontheiligt Zijn verbond niet. Hij blijft getrouw. Hij gedenkt Zijn verbond tot in eeuwigheid, aan het Woord dat Hij ingesteld heeft tot in duizend geslachten. (Ps. 105 : 8—lO).
Staan onze kinderen dan in verbondsbetrekking tot God, afgezonderden des Heeren zijnde, zoo. zullen wij hen met ernst hebben te vermanen te zoeken de waarachtige bekeering, met een nieuw hart, om te mogen deelen in de bijzondere genade welke in Christus tot zaligheid is, opdat zij niet als ranken in de wijnstok verdorren en afgehouwen en verbrand worden.
In het opgroeien zullen zij van deze dingen onderwezen moeten worden, opdat zij de waarachtige bekeering mogen deelachtig worden, in de afsterving van den ouden mensch en de opstanding van den nieuwen mensch, want vleesch en bloed zullen het Koninkrijk Gods niet ingaan. Dat zij dan niet vreemd mogen blijven aan het hongeren en dorsten naar de gerechtigheid ; aan de gehoorzaamheid des geloofs, aan den nieuwen wandel in godzaligheid en vreeze des Heeren.
Laten wij hen telkens wijzen op hun Doop, om hen tot ernst te vermanen en om hen met liefde uit te drijven tot den troon van Gods genade, waar de Heere de beloften zoos vele maakte en altijd roept : „Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen".
Maar wee het volk, dat niet naar Hem hoort, dat geen lust in Hem heeft, dat Hem in hardigheid des harten den rug toekeert.
Van Gods zijde is het : „God zal Zijn waarheid nimmer krenken ; maar eeuwig Zijn verbond gedenken. Zijn Woord wordt altoos trouw volbracht, tot in het duizendste geslacht, 't Verbond met Abraham, Zijn vrind, bevestigt Hij van kind tot kind." (Ps. 105 VS. 5).
Maar maar hooren we den Heere niet klagen, ook nu : „Maar Mijn volk wou niet naar Mijn stemme hooren ; Israël verliet Mij en Mijn geboón, 't heeft zich andre goón, naar zijn lust, verkoren." (Ps. 81 : 13).
En dan komt er ook een tijd, dat de God des eeds en des verbonds zegt : ,,'k Liet dit boos geslacht, naar de keuze viel van hun dwaze ziel, in hun wegen wand'len" (Ps. 81 : 14).
Dan laat de Heere los en dan zijn wij en onze kinderen verloren
De vloek en de wrake des verbonds zal vreeselijk zijn voor de verbondsbrekers.
De Heere zij ons en ons kroost genadig, en zende den Geest der bekeering en des geloofs en des vredes !

PROF. DR. J. H. GUNNING: De Kerk, de Belijdenis enz. (6)
Prof. Gunning legt er den nadruk op, in zijn antwoord aan dr. J. Th. de Visser, Ned. Herv. predikant te Amsterdam, dat „de hoofdgedachte bij de reorganisatie is : dat wij hier niet allereerst een kerkrechtelijke maar een zedelijke kwestie voor ons hebben. Hiervan hangt alles af — dat wij dat zien en voelen", (blz. 23).
„Veler mijner vrienden betreuren", zegt prof. Gunning, die dat pijnlijk aanvoelde bij velen met wie hij overigens zeer vertrouwd was „dat ik in de laatste jaren een weg volg, minder geestelijk, naar zij meenen, dan vroeger. Te kwader ure — meenen zij — is mijn aandacht gevallen op de Kerk en haar inrichting, en heeft zich afgewend van de hoofdzaak, die vroeger mijn hart had, het geestelijk leven, het inwendige".
Ook in Gunnings dagen maakten velen (vooral onder de Ethischen) een tegenstelling tusschen : zich inlaten met het geestelijke — èn zich bemoeien met de Kerk en haar inrichting !
Gelukkig dat prof. Gunning z'n vrienden, die zóó wanhopig de dingen door elkaar haalden, omdat ze absoluut niet verstonden wat eigenlijk de Kerk en het kerkelijk leven, naar Gods bestel, is en zijn moet — van antwoord gediend heeft ; gelijk we dat antwoord nu nog letterlijk kunnen overnemen.
„Gij betreurt het" aldus prof. Gunning, „dat ik zoo afgezakt ben, van het geestelijke, naar het kerkelijke ; en gij zegt, dat het Koninkrijk Gods niet komt met uitwendig gelaat ; en gij betreurt, dat ik, die vroeger zoo voor de vrijheid was — zooals gij zegt — nu zoo „confessioneel" geworden ben."
„Laat mij u in vertrouwelijken zin mogen zeggen, wat er van dat alles waar is."
„Ik ben dezelfde, volstrekt dezelfde als vroeger ; alleen mijn oogen zijn opengegaan voor een zonde, waarin ik méér dan vele anderen in gezonken was" (echt Gunning !) ; „de zonde van het individualistisch subjectivisme ; dat „gezeten op elpenbeenen banken, zich de nooden van het huis Jozefs niet aantrekt."
„Als ik te Leiden en elders de ellenden van het orthodoxisme aanzag, ben ik meer en meer overtuigd geworden, dat de schuld daarvan vooral aan ons, voorgangers, ligt. Ik bedoel niet, dat wij, leeraren, niet genoeg arbeiden ; neen, de meesten onzer zijn van arbeid overkropt, en verteeren lichaam en geest in eerbiedwaardige toewijding. Maar ik bedoel, dat wij dat alles doen als individuen ; ieder leeraar als een koning op zichzelf staande, met zijn helpers en helpsters ; maar geheel los van elkaar, behoudens een band van uitwendige regeling, die, als niet van het geloof doorademd, geen warme aansluiting noch geestdrift - wekt, en allerlei stille, treurige verwijdering wekt of onderhoudt. Wij hebben geen .Kerk in wier naam wij arbeiden ; geen confessie, die ons rugsteunt en ons in naam en gezag van het geheel doet handelen".
Allemaal echte individualisten dus. Als er geen koning is, doet ieder wat goed is in z'n oogen. Geen Kerk, die spreekt, allemaal persoonlijke meeningen. Dat was voor prof. Gunning „zonde" geworden. Van „onze zonde" sprak hij daarom.
„Hierover nadenkende" schrijft hij (blz. 25) „iets in mij voelende van „ontferming met de schare, die (in dien zin) geen herder heeft", ben ik de waarde en de beteekenis van de confessie gaan voelen en erkennen. Ik ben begonnen haar opnieuw aan mijn leerlingen uit te leggen ; ik voelde hoe die confessie (ondanks bezwaren die ik nimmer ontveinsd heb en die mij hoegenaamd niet hinderen) uit mijn hart sprak. Ik dacht na over het gemeenschappelijk leven in onze Kerk ; en toen begon ik heel duidelijk te zien, dat alles leeft uit een belijdenis, en dat ook onze broederen, die van een belijdenis niet willen weten even goed als wij een confessie hebben : n.l. de confessie van het individualisme, de confessie : „niet Christus, maar ieders meening omtrent Christus".
Ieder leeft en werkt ten slotte uit een belijdenis, uit z'n eigen belijdenis, en dat juist is . Kerk-ontbindend, en maakt dat niet de Kerk als Kerk kan spreken en belijden en getuigen, omdat ieder vrij wil blijven om het subjectivistisch en individualistisch te doen.
„Ik ben gaan zien, dat elke confessie een Kerk-inrichting onderstelt" en dat op die manier de Kerk ook altijd wordt wat de subjectivistische individualististen willen n.l. dat de Kerkinrichting zal zijn, als een „vereeniging van elck wat wils". Ieder spreekt op zijn eigen manier. En de meening van den een heeft evenveel waarde en gezag als de meening van een ander !
„Zoo heeft die subjectivistische confessie haar passende Kerkinrichting van 1816—'52". „Doch daar ik deze confessie verfoei als in beginsel den Christus der Heilige Schriften loochenende, ben ik om de wille van Christus tot de beteekenis en de geldigheid van onze confessie teruggekeerd, n.l. omdat de confessie de historische vorm is onder welken de Christus onder ons beleden is. En men dus, wil men in waarheid den Christus als Hoofd der Kerk eeren, voor onze Kerk tot onze confessie terug moet".
Dat was nu het „ongeestelijke" van prof. Gunning, toen hij ging vragen om en ging ijveren voor reorganisatie der Ned. Hervormde Kerk !
Alsof het niet gaat om de Kerk des Heeren en om den Christus der Heilige Schriften, die nu geloochend wordt naar het willekeurig en bandeloos belijden van velen, die niet wenschen te belijden naar de Schriften, maar naar subjectief, individualistisch goeddunken, een ieder sprekend naar z'n eigen lust.
(Wordt voortgezet).

VOETIUS EN DE INDEPENDENTEN
„Men moet" aldus schrijft ds. Joh. Jansen in zijn : „Het tuchtrecht der meerdere vergaderingen" blz. 44 „bij dezen grooten canonicus er goed op letten tegen wie hij strijdt, tegen Rome of tegen de Independenten. Opereert hij tegen de Independenten, dan verdedigt hij het beslissend en bindend karakter der Synoden".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken