Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

UIT DE HISTORIE

6 minuten leestijd

Paulus' bizondere roeping ; hoofdstuk 1 vers 13—24-. (III). Vervolg van de verzen 15—17.

Die mij van mijn moeders lijf aan afgezonderd heeft.
Dit is een Hebreeuwsche manier van spreken ; het wil zeggen : Hij heeft mij geheiligd, geordineerd en toebereid ; toen ik nog in mijns moeders lijf was, heeft God van te voren bepaald, dat ik met groote razernij zou woeden tegen de Kerk, en dat Hij mij uit loutere genade, op grond van Zijn barmhartigheid, midden uit mijn wreeden en Godslasterlijken wandel zou roepen tot den weg der waarheid en des heils. Om kort te gaan : toen ik nog niet geboren was, was ik in Gods oogen reeds een apostel, en toen de tijd daartoe aanbrak, ben ik ook openlijk ten overstaan van de wereld tot een apostel verklaard.
Zoo snijdt Paulus alle verdiensten radicaal af, en alleen God geeft hij de eer ; aan zich zelf kent hij slechts verwardheid toe, als wil hij zeggen : alle gaven, hetzij groote of kleine, geestelijke of lichamelijke, die mij van Godswege zouden geschonken worden, en alle goede daden, die ik gedurende heel m'n leven zou verrichten, heeft God zelf van te voren reeds bepaald, toen ik nog in mijns moeders lijf was, waar ik noch denken, noch wenschen, noch iets goeds verrichten kon, doch waar ik was als een ongevormde klomp. Derhalve heb ik alle gaven ontvangen uit loutere genade Gods, die mij te voren geordineerd heeft, en die Zich over mij heeft ontfermd ; zelfs toen ik nog niet geboren was. En nadat ik eenmaal geboren was, heeft Hij mij verdragen, hoewel ik beladen was met ontelbare monsterachtige gebreken en zonden. En opdat Hij jegens mij Zijn onuitsprekelijke en oneindig groote barmhartigheid zou openbaren, heeft Hij uit louter genade mij m'n geweldig zware en menigvuldige zonden kwijtgescholden. Vervolgens heeft Hij mij met zulk een overvloed van genade overstelpt, dat ik niet alleen voor mij zelf kon constateeren, welke gaven ons in Christus geschonken waren, maar zulks ook anderen verkondigen kon.

En mij geroepen heeft door Zijne genade.
Let hier op de zorgvuldigheid van den apostel, als hij zegt : Hij heeft mij geroepen. Op welke wijze ? Soms op grond van mijn Farizeërschap, of om mijn onberispelijk en heilig leven, om mijn bidden, vasten en andere eigen werken ? Geenszins ! En nog veel minder om mijn lasteringen, vervolgingen en woeden. Op welke wijze dan ? Alleen uit loutere genade !
Om Zijn Zoon in mij te openbaren. Vs. 16.
Hier hoort ge, wat voor een soort leer Paulus overgegeven en toebetrouwd is, namelijk de leer des Evangelies, welke een openbaring is des Zoons van God. Zij is een leer, die onderscheiden is van de Wet, welke niet Gods Zoon, maar de zonde openbaart, de consciëntie verschrikt, den dood, Gods toorn en oordeel, benevens de hel toont. Al deze zaken zijn de Zoon van God niet. Het Evangelie is dus een leer, welke geen Wet gedoogt. O, dat men toch goed wist te onderscheiden, en in het Evangelie geen Wet zocht, maar het zoo ver van haar verwijderde, als de zon van de aarde af staat. Op zich ze|f is het maken van dit onderscheid gemakkelijk, zeker en klaar, maar voor ons is het moeilijk, ja bijna onbegrijpelijk.
Wanneer nu het Evangelie een openbaring is van den Zoon Gods, zooals Paulus hier beschrijft, dan beschuldigt en verschrikt hij zekerlijk niet ons geweten ; ook dreigt hij niet met den dood, en evenmin brengt hij ons tot vertwijfeling, gelijk de Wet doet ; het Evangelie is echter een leer aangaande Christus, die zeker geen Wet of eigen werk is, maar onze Gerechtigheid, Wijsheid, Heiligmaking en Verlossing. Hoewel dit helderder is dan de middagzon, — toch is de dwaasheid een verblinding der papisten zóó groot geweest, dat zij uit het Evangelie een wet der liefde, en uit Christus een wetgever hebben gefabriceerd, die zwaarder geboden gegeven heeft dan Mozes zelf ! Het Evangelie leert evenwel, dat Christus niet gekomen is, om een nieuwe wet te maken en geboden uit te vaardigen, naar welke men leven moet, maar het Evangelie zegt, dat Hij gekomen is, om het offer te worden voor de zonden der gansche wereld, opdat onze zonden ons vergeven, en wij om Zijnentwil in het eeuwige leven begiftigd zouden worden. Hij is niet gekomen wegens de werken der Wet of onze eigen gerechtigheid. Over deze niet te waardeeren schat, die ons om niet geschonken is, spreekt het Evangelie. Daarom is het een leer, die niet door alle mogelijke inspanning, noch door vlijt of wijsheid des menschen, noch door de Goddelijke Wet kan geleerd of verkregen worden, doch alleen door God zelf, gelijk Paulus hier zegt : Hij is mij geopenbaard : eerst door een woord van buiten, en daarna van binnen door den Heiligen Geest.
Opdat ik Hem onder de heidenen zou verkondigen.
Ge ziet hier, dat Paulus eigenlijk een apostel der heidenen is, hoewel hij ook onder de Joden Christus gepredikt heeft. In korte bewoordingen zet Paulus hier, gelijk hij meermalen pleegt te doen, zijn heele theologie uiteen, die bestaat in het verkondigen van Christus onder de heidenen. Het is, als wil de apostel zeggen : ik wil de heidenen niet bezwaren met de Wet, omdat ik een apostel en Evangelist onder hen ben, en geen Wetgever. — Zoo richt Paulus zijn woorden geheel tegen de valsche apostelen, als hij als het ware zegt : gij hebt, o Galaten, mij niet de gerechtigheid, die uit de Wet is, hooren voorstellen, noch die der werken, want zij toch behoort bij Mozes, en niet bij mij, Paulus, den apostel der heidenen. Want ik héb, ten behoeve van ulieden, het ambt en de bediening des Evangelies, opdat ik u verkondigen zou dezelfde openbaring, die ook ik ontvangen heb. Ge moet dus geen gehoor schenken aan een leeraar, die de Wet leert, want onder de heidenen moet geen Wet, maar het Evangelie ; geen Mozes, maar Gods Zoon ; geen gerechtigheid, die uit de werken is, maar eene, die opkomt uit het geloof, gepredikt worden ! Dit is de eigenlijke prediking onder de heidenen !
Heb ik niet terstond te rade gegaan met vleesch en bloed.
Paulus wil hier zeggen, dat hij, direct na het ontvangen van de openbaring des Evangelies door Christus, te Damascus niemand geraadpleegd heeft, om hem het Evangelie te willen leeren ; ook is hij niet naar Jeruzalem gegaan, bijvoorbeeld tot Petrus en de andere apostelen, om van hèn het Evangelie te vernemen ; doch terstond heeft hij te Damascus, waar hij den doop en de oplegging der handen door Ananias ontvangen had, (hij moest namelijk een uitwendig teeken en een getuigenis aangaande zijn roeping hebben), Jezus gepredikt als den Zoon van God. Hetzelfde beschrijft Lucas in Handelingen negen.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken