Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Raad Gods.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Raad Gods.

Calvijn.

6 minuten leestijd

IX.
Calvijn.

De groote reformator van Geneve wijst er op, dat er van geen toeval sprake is. Als een wandelaar zoodanig wordt getroffen door een tak, die van een boom valt, dat hij daardoor sterft, dan zou een mensch geneigd zijn dit aan het toeval toe te schrijven. Inderdaad is het Gods hand, die den man heeft getroffen.
Zelfs de dobbelsteenen, die door elkaar worden geschud en daarna worden neergeworpen, vallen maar niet toevallig neer. Neen het is waar, wat er in Spreuken 16 vers 33 staat geschreven : Het lot wordt in den schoot geworpen, maar het geheele beleid daarvan is van den Heere.
Calvijn wijst ook op Spreuken 22 vers 2 : Rijken en armen ontmoeten elkander, de Heere heeft ze allen gemaakt. Rijken en armen komen dagelijks in deze wereld met elkaar in contact. Het is de Heere, die den staat van ieder menschenkind heeft beschikt. Daarom worden ook de armen tot geduld en lijdzaamheid aangespoord, want, wie met zijn deel niet tevreden is, die zoekt van zijn schouders den last af te werpen, die God er op heeft gelegd.
Dat iemand op den stoel der eere mag opklimmen of diep vernederd wordt, is maar niet aan het toeval te wijten. Immers in Ps. 75 vers 7 staat geschreven : „Want het verhoogen komt niet uit het Oosten, noch uit 't Westen, noch uit de woestijn, maar God is rechter : Hij vernedert dezen en verhoogt genen".
Voorts wordt in dit 16de hoofdstuk uit het 1ste boek van de Institutie gewezen op allerlei gebeurtenissen uit het leven van patriarchen en profeten en het volk Israël in zijn geheel.
Een zuidenwind brengt aan het volk in de woestijn een overvloed van kwakkelen. De Heere laat het stormen als Jona het heilige land verlaten heeft. Nooit verheft zich de wind, of nooit gaat de wind over in het suizen van een zachte stilte, of het geschiedt op het bevel des Heeren. Ook al die winden zijn in Zijne hand.
God, de Heere, heeft den man en de vrouw geschapen, opdat ze geslachtelijk zouden voortgeplant worden en zich op de aarde zouden vermenigvuldigen.
Maar toch sterven sommige echtparen, zonder ooit kinderen te hebben gehad. En als Rachel, de huisvrouw van Jacob, opstandig is, omdat ze Jacob nog geen kinderen had gebaard, dan roept Jacob het uit : Ben ik dan in de plaats van God, die des buiks vrucht van u heeft geweerd ?
Na nog enkele voorbeelden te hebben genoemd, spreekt Calvijn het uit, dat het nu toch wel genoegzaam uit de Heilige Schrift bewezen is, dat de Heere niet slechts Zijn algemeene voorzienigheid betoont in de ordening van den loop der natuur, maar dat de Heere ook de menschenkinderen door Zijn wondervollen raad tot een bepaald einde leidt.
Calvijn wist het, dat men er hem van betichtte, dat hij, door een dergelijke uiteenzetting van den Raad Gods te geven, in het vaarwater van de Stoicijnsche philosophen kwam. Men had er vroeger Augustinus ook al van beschuldigd, dat hij een noodlotsleer zou hebben voorgedragen.
Calvijn wil zelfs van het woord fatum of noodlot niet weten. Immers door het gebruiken van dit woord zoekt men de waarheid der Heilige Schrift te verduisteren.
Met de noodlotsleer van de Stoïcijnen heeft de leer van Gods Raad niets te maken.
De Stoïcijnen leer en een ijzeren noodzakelijkheid, die zijn grond vindt in de eeuwige samenknooping en verborgen ordening in de natuur, maar de Heilige Schrift stelt God tot een scheidsman en bestuurder van alle dingen, die naar Zijn wijsheid van eeuwigheid af alles heeft verordineerd, wat Hij doen zou en nu ook in den tijd inderdaad volbrengt, wat Hij verordineerd heeft.
Van fortuin en toeval wil Calvijn niet weten. Reeds de kerkvader Basilius Magnus heeft gezegd, dat de woorden fortuin en toeval heidensche woorden waren. Indien voorspoed zoowel als tegenspoed het werk Gods is, dan blijft er voor Fortuin of Toeval geen plaats meer over.
In het dagelijksch leven gebruikt men wel eens meer woorden en uitdrukkingen als deze : bij avontuur, mogelijk, misschien, bij geluk, bijgeval.
We worden er door Calvijn aan herinnerd, dat Augustinus er spijt van heeft gehad, dat hij in zijn boeken tegen de Academici zoo vaak het woord Fortuin heeft gebruikt, omdat zijn tegenstanders van dit woord zulk een geweldig misbruik gemaakt hebben.
Calvijn, die uitgaat van de gedachte, dat alles door Gods Raad is beschikt, erkent, dat de gebeurtenissen óns menigmaal avontuurlijk en toevallig toeschijnen. Hij noemt het voorbeeld van een koopman, die met zijn reisgezelschap een bosch doortrekt, doch zich te ver alleen in het bosch waagt en nu aan het dwalen raakt. Eindelijk valt hij onder de roovers en wordt nu laaghartig vermoord.
De dood van dezen verdwaalden reiziger is niet alleen door Gods oog voorzien, maar ook dooi Zijn Raad beschikt.
In Job 14 vers 5 lezen we immers : Dewijl zijne dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij U is, en Gij zijne bepalingen hebt gemaakt, die hij niet overschrijden zal. De Schrift zegt ons hier niet slechts, dat God de Heere van te voren heeft voorzien, hoe oud een mensch worden zal, maar ook, dat aan dat leven des menschen paal en perk wordt gesteld.
Laat het dus avontuurlijk en toevallig mogen schijnen, dat die koopman in dat bosch verdwaald is en daar door de hand van de roovers een ellendigen dood heeft gevonden, dit neemt niet weg, dat een Christen zal gelooven, dat de voorzienigheid Gods er het opperste beleid in heeft gehad.
Het zelfde geldt ten opzichte van de toekomstige dingen. Wij weten niet, naar welken kant ze zullen uitvallen. En toch spreken we het uit, dat er niets bij toeval geschieden zal. Die vonken van de verloren Godskennis zien we zelfs nog glinsteren bij de heidensche waarzeggers. Als de Filistijnen met lichamelijke plagen worden bezocht en als Dagon, hun afgod, telkens weer het onderste boven valt, dan vragen ze zich af of dit nu het werk van den machtigen God van Israël is of dat dit alles slechts aan het toeval moet worden toegeschreven.
Voorts wordt door Calvijn gewezen op een heerlijk en schoon voorbeeld uit de Heilige Schrift, wal ons in 1 Sam. 23 vers 26 en 27 staat opgeteekend.
Als David in de woestijn Mahon achterhaald wordt en op het punt is om omsingeld te worden, komt er een bode tot Saul, die zegt : Haast u en kom, want de Filistijnen zijn in het land gevallen. Dan moet Saul wel van de vervolging van David afzien. Laat het dan alles toevallig schijnen, maar het geloof moet het wel alzoo bezien, dat de Heere een spaak heeft gestoken in het wiel van koning Saul.
Niet altijd zal een mensch die hand zoo duidelijk opmerken als hier in deze schoone geschiedenis, maar dit moet buiten twijfel blijven, dat al de veranderingen, die in de wereld gezien worden, voortkomen uit de verborgene beweging van Gods hand. Hiermede is het 16 caput ten einde.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

De Raad Gods.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken