Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET VERBOND GODS

9 minuten leestijd

XVII.

Het leven der kerk is gelijk aan het leven van den enkeling, die met Gods Woord van doen krijgt tot verlichting des verstands, tot aanneming, tot ontdekking, tot vernieuwing, tot kennis der zaligheid in Christus.

De geschiedenis van zulk een enkeling is de geschiedenis van de verwerkelijking van Gods beloften des Verbonds.

De enkeling is uit de wereld, dient afgoden als de vaderen Israels aan de overzijde der rivier, hij komt onder de macht des Woords, hij maakt Israëls geschiedenis door, hij wordt onder de wet gebracht, hij vindt zijn oordeel, en wordt voortgeleid tot kennis der genade in de eeuwige verkiezing Gods en tot toeëigening eener nieuwe gerechtigheid in Christus Jezus.

Zoo worden hem de onderscheidene betrekkingen des Verbonds klaar in eigen leven en leert hij zijn gansche leven zien in de werking der menigerlei genade naar Gods Verbond.

Het persoonlijk karakter der genadegaven.

Wat leert nu de ervaring? Dit, dat velen, die onder de genade leven en zich ook onder den Dienst des Woords voegen tot den rijkdom der kennisse in Christus niet komen. Daar zijn wel betrekkingen des Verbonds, die levend en bewust worden in onderscheiding van de wereld, zoodat daar een zekere genegenheid tot het Woord is, een zekere mate van gerechtigheid, die naar de wet is, een zekere kennis der waarheid en ook een mate van onderwerping aan en vertrouwen op Gods voorzienige genade, zonder nochtans, dat er teekenen zijn, die op een waarachtig geestelijk leven uit de wedergeboorte wijzen.

Wij begeven ons niet in een onderzoek naar het getal der zulken. Er zijn menschen, die dit wel in procenten hebben gegist, maar het is en blijft gissen. Dat is ook niet onze taak. De Heere weet wie de Zijnen zijn en Hij houdt Zijn kerk in stand. (2 Tim. 2 : 19). Daarom houden wij ons aan de belijdenis, die zegt, dat er altoos hypocrieten in de kerk zijn en een iegelijk zij in zichzelven verzekerd.

Het geldt hier een persoonlijke zaak. Reeds vroeger hebben wij daarop gewezen. Een iegelijk onzer staat te midden van het menschelijk geslacht en zijn geschiedenis op een eigene persoonlijke wijze, die door Gods voorzienigheid wordt bepaald: de tijd, waarin wij leven, het volk, waarin wij geboren worden, de familie, waaruit wij voortgesproten zijn, de gaven, die wij ontvingen, en nog veel meer, dat hier ware te noemen, dat alles is oorzaak tot onderscheiding van het persoonlijke. Wij staan dientengevolge in een per-soonlijke verhouding tot de menschheid en tot God, gelijk ons een geheel persoonlijke plaats in Gods Verbond is toegewezen. Zoo staat een iegelijk onzer op een geheel eigene en persoonlijke wijze in het Verbond Gods. Wat in den raad Gods omtrent een iegelijk werd besloten, bepaalt ook zijn plaats in Gods Verbond en dit wordt in den tijd aan een iegelijk vervuld, zooals God wil, maar daarom ook wordt het aan een iegelijk op een persoonlijke wijze vervuld. Immers dat is de eeuwige verkiezing, dat God in Zijn eeuwige raad de plaats en conditie des levens voor een iegelijk heeft bepaald.

Het is dus duidelijk, dat een iegelijk, die daartoe in Christus is geroepen, ook bij de hoogste levensbetrekkingen des Verbonds, de genadebetrekkingen van het kindschap Gods persoonlijk wordt betrokken. Dit kan ook daaruit worden verstaan, dat deze genade wordt verwerkelijkt door een bijzondere daad van Gods Geest in de wedergeboorte des harten.

De toeëigening van de genade in Christus is een daad van persoonlijk geloof, voortspruitende uit de wedergeboorte ten nieuwen leven.

Dit persoonlijk karakter is het kenmerk der Christelijke religie, doch het heeft zijn oorzaak niet zoozeer in de religie als in het wezen van den mensch, die als redelijk-zedelijk wezen persoonlijkheid heeft en daarom persoonlijk staat in alle relatien, die tot de openbaring van zijn wezen behooren, dus ook in de religie. Deze is een persoonlijke betrekking van God tot den mensch, van het Goddelijk Ik en het menschelijk ik.

Tengevolge daarvan is iedere persoon een eenige. ledere persoon neemt een eenige plaats in de menschheid en in de wereld in, de plaats van het zelf te midden van de anderen en van het andere. Die eenigheid gaat in alle betrekkingen door en wordt in alle betrekkingen verwezenlijkt. Daarom is de mensch gemakkelijk geneigd om zich als een middelpunt te beschouwen, waarin alle verhoudingen saamkomen en vanwaar zij uitgaan.

In de wijsbegeerte heeft dit beginsel zelfs een zeer goddelooze rol gespeeld. Zij heeft het menschelijk ik zelfs tot het absolute centrum aller dingen geproclameerd en den hoogmoed ten top gevoerd.

Zoolang de mensch zich nog verbeeldt iets in en op zichzelf te zijn, maakt hij zich schuldig aan zelfmisleiding en hoovaardij. Deze wordt eerst gebroken, wanneer hij zijn absolute afhankelijkheid inziet, zoodat hij iederen ademtocht ontvangt uit Gods hand en geen stap kan doen zonder Zijn wil. De mensch kan met bezorgd te zijn geen el tot zijn lengte toedoen. (Matth. 6 : 27). Zonder Gods wil valt geen muschke ter aarde. (Luc. 12 : 6 en 7). Zonder Mij kunt gij niets doen. (Joh. 15 : 5).

De mensch is wat hij is uit den Roepende (Rom. 9 : 11). God riep alle dingen in het aanzijn. Zij waren niet en zijn niets in zichzelf. Zij zijn slechts datgene, waartoe God ze geroepen heeft, rn.a.w. de dingen zijn slechts dat, wat zij in Gods Raad en voornemen zijn. Dat geldt ook van den mensch.

Daarom kunnen wij zeggen, dat de menschen slechts zijn, wat ze in Gods Verbond zijn. De plaats en betrekking, welke iemand in Gods Verbond heeft, is de plaats en betrekking, welke hij in de existentie vervult en waartoe hij in het aanzijn werd geroepen.

Zoo staat een iegelijk in verschillende betrekkingen des Verbonds. Wel kan men spreken van algemeene betrekkingen, die aan allen gemeen zijn, maar nochtans staat een iegelijk ook in het algemeene op een bijzondere en persoonlijke wijze.

Wat God b.v. aan de menschheid heeft geopenbaard, staat daar voor ons allen, doch een iegelijk staat daartegenover persoonlijk. Een iegelijk heeft zijn eigen, persoonlijke rekening tegenover God. Immers een iegelijk zal zijn eigen pak dragen. Een iegelijk zal geoordeeld worden naar alles wat in het lichaam is geschied, hetzij goed of kwaad.

Nochtans is een iegelijke mensch representant der menschheid. Het wezen des menschen weerspiegelt zich in een iegelijken mensch. En de verhoudingen, waarin de menschheid is geplaatst als geheel, weerspiegelen zich ook in den enkeling.

Als er slechts één mensch is, is hij de eenige representant der menschheid, zooals Adam. Zoodra er twee of meer zijn, ontstaat een soort straalbreking der verhoudingen in de enkelingen.

De menschheid staat in een relatie van absolute afhankelijkheid. Deze verhouding kan ten aanzien van Adam door een enkele lijn worden aangegeven : God—Adam en Adam—God. Zoodra er meer personen zijn wordt die verhouding tot een bundel van stralen. Immers dan gaat de verhouding van God-menschheid uiteen in een veelvuldige, eerst in een verhouding van God tot Adam, en eene van God—Eva, maar straks ook tot Kaïn en tot Abel, enz. Daarbij komt dan ook een nieuwe verhouding, n.l. van de enkelingen onderling en van lederen individueelen mensch tot de menschheid, d. i. tot het wezen des menschen. Zoo is het ook gesteld met de verhouding van Adam tot de wereld. Zoodra er meerdere menschen zijn, breekt deze in een veelheid van verhoudingen.

Men kan den enkeling als een ik-centrum van verhoudingen zien en alle ik-centra tezamen vatten onder de normatieve verhouding, waarmede ieder individueel rekening heeft te houden. Wanneer wij nu daarbij in oogenschouw nemen, dat God aan ieder zijn gaven, bestemming en levensroeping geeft, waardoor iedere enkeling een eenige plaats in het geheel der normatieve levensverhoudingen inneemt, dan kan het duidelijk zijn, dat ieder en allen tezamen onder de goddelijke norm staan, naar welke zij hun individueele roeping Gods hebben te vervullen.

Hier treedt nu de beteekenis van het redelijk-zedelijk wezen des menschen in het licht. Zijn redelijk wezen is aangelegd op kennis der levensverhoudingen, welke kennis verscheiden is al naar gaven en vermogen.

Aangezien gaven en vermogens wederom teruggaan op daden Gods, stellen deze gaven weer zoovele persoonlijke levensrelaties, welke God tijdelijk of bij voortdtmr met personen onderhoudt.

De zedelijke beoordeeUng dier levensverhoudingen geeft een geheel eigene waardeering aan de levensverhoudingen. Wanneer het zedelijk vermogen normaal werkt, ziet het alle relaties in het licht van de hoogste levensrelatie, de betrekking van den mensch tot God.

De wereld verschijnt in religieus licht. Zij is een werk Gods. Alom openbaart zij Zijn heerlijkheid en welbehagen. Alle levensrelatiën nemen een zedelijk karakter aan jegens God. Goddelijke bestemming, goddelijk welbehagen, roeping, gehoorzaamheid, verantwoording, plicht, schuld, worden levende zielewerkingen; zonde, gericht, oordeel, dood bij overtreding van wat de hoogste Majesteit als Zijn wil en ordinantie openbaarde, worden in hun schrikwekkende werkelijkheid gekend.

Zoo is er voor den redelijk-zedelijken mensch een conflict mogelijk tusschen de diepste kennende intuïtie en de zedelijke genegenheid, het conflict, dat hem ten val brengen kan en gebracht heeft. Nog schijnt dit ten halve slechts verklaard, maar zooals reeds vroeger werd uiteengezet, in den eersten mensch was een veelheid van nog onverwerkelijkte vermogens.

Zooveel nieuws stond hem te ervaren, te beslissen, te doen, te handelen, telkens stond hij voor de keuze van de nieuwe daad, nieuwe vervulling van roeping, van een nieuwen stap naar zijn bestemming. Het zedelijk wezen is in bestendige actie, staat telkens weer voor de keuze en voor de mogelijkheid van den val.

God gaat met den mensch om als met een zedelijk wezen. Deze ziet zich gesteld voor den eisch in het bewustzijn van zedelijke vrijheid om te doen of niet te doen op eigen verantwoordelijkheid. Zoo staat de mensch in de levensverhoudingen. Zoo staat hij in het Verbond Gods, verantwoordelijk tegenover den God van het Verbond voor zijn doen en laten in alle relatiën, die aan hem verwerkelijkt zijn en worden in het zijn en in het bewustzijn.

Tot die verwerkelijking behoort in de eerste plaats het aardsche bestaan op zich zelf als feitelijkheid, maar dan ook de kennis, die kwam tot verstand en hart, het algemeen religieus gevoel, het besef, dat God is, het zedelijk bewustzijn, de verstandelijke kennis der geopenbaarde waarheid, en eindelijk de geestelijke kennis van de vernieuwing des levens.

Deze laatste wordt niet tevergeefs onwederstandelijk genoemd, omdat zij een geheel bijzondere gave Gods is naar Zijn verkiezing, een nieuwe schepping Gods, welke ook een nieuwe genegenheid insluit.

Dit wil niet zeggen, dat de onwederstandelijke genade dwingend is en het zedelijk wezen op zij zet, doch deze werkt door een geestelijk proces, waarbij ook het zedelijk wezen wordt vernieuwd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 februari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET VERBOND GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 februari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken