Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET VERBOND GODS

9 minuten leestijd

XVIII.

Meerdere malen werd er op gewezen, dat de mensch ook na den val een mensch, d.i. een redelijk-zedelijk wezen is gebleven en dat God, de Heere, hem ook als zoodanig behandelt. Een sprekend voorbeeld van dien goddelijken omgang vóór den val vinden wij in de Heilige Schrift, als Hij Adam in den hof van Eden stelt en hem bij den boom der kennis des goeds en des kwaads den eisch der gehoorzaamheid bekend maakt en hem zet voor den weg des levens en des doods.

Doch ook na den val worden deze dingen veeltijds herhaald, zooals in het verbond van den Sinaï en door de profeten menigmaal.

Het Verbond met Noach stelt geen eischen, zooals wij hebben gezien, tenzij dan omtrent de overheid.

Het zedelijk wezen onderstelt echter ook een zekere mate van kennis van God en van de goddelijke levensopenbaring. God maakt zich aan Adam, aan Noach, aan Israël bekend en ten slotte heeft Hij zich door Zijn profeten en inzonderheid in Christus geopenbaard, hoedanig Hij jegens den mensch is.

Nu spreekt het vanzelf, dat wij in het algemeen over de menschheid sprekende, de zaak des Verbonds zoo kunnen stellen : God de Heere heeft Zijn Verbond in zijn geheelen omvang geopenbaard aan de menschheid en een iegelijk, die in de wereld verschijnt, staat tegenover die openbaring, heeft daarmede te rekenen. De verschillende plaats en conditie, waar onder de enkeling leeft, is echter oorzaak, dat niet ieder met het geheel dier openbaring bekend is, doch voor zoover die kennis tot hem kwam, doet zij een beroep op zijn persoonlijkheid omtrent zijn roeping jegens God.

Het maakt dus een groot onderscheid, of iemand in een heidensche omgeving of in een Christenland geboren wordt, waar de kerk tot openbaring kwam en de gave Gods is bekend geworden.

Ook dan is het weer een onderscheid, of iemand in den schoot der kerk wordt geboren en opgevoed of in een huisgezin, dat met de kerk gebroken heeft, doch men kan ook in dit laatste geval moeilijk onbekend blijven met de aanwezigheid der kerk en met het feit der prediking. Negatie van dit feit drukt altoos op de persoonlijke verantwoordelijkheid.

De bijzondere genade.

De bijzondere genade geeft vervulling aan de intiemste levensbetrekkingen des Verbonds. Uit haar kwam de profetische openbaring in Israël voort. Zij was een voorbereiding en onderrichting omtrent het werk der verlossing in Christus Jezus.

Uit haar kwam de vleeschwording des Woords op, het gansche werk van Christus, de verhooging van den gevallen mensch, de toevergadering der Zijnen uit de wereld, de Dienst des Woords, de vergadering der kerk en het kerkelijk leven met zijn ambten en werkzaamheden temidden van de wereld, haar vernieuwende kracht, haar doorwerking in het gezinsleven en op het openbare levensterrein.

Deze werkzaamheden worden derhalve zoozeer dooreen geweven met de werken der algemeene genade des Verbonds, dat hier geen scheiding kan worden gemaakt in de volheid des levens. Men kan ten eenenmale. geen grenslijnen trekken, waar de bijzondere en waar de algemeene genadebetrekkingen liggen, omdat alle genade in Christus haar fundament heeft. Wij hebben dit in het voorafgaande reeds uiteengezet.

Zoo kunnen ook in het leven van den enkeling de betrekkingen dooreen gaan, doch één ding is zeker, dat God niet nalaat in Zijn uitverkorenen het werk der verlossing toe te passen, hen tot kennis en toeeigening des harten te brengen en hen in te lijven in Christus, opdat zij deelgenooten van Zijn erfenis worden en zich verheugen in het kindschap Gods.

Kinderen Gods.

Het kindschap Gods is de diepste en meest intieme levensbetrekking van Gods Verbond, en dit is weggelegd voor het volk Zijner verkiezing in Christus Jezus. In Gods verkiezing zijn zij geordineerd tot een geheel nieuwe gemeenschap, wijl Christus wordt genoemd de eersteling onder vele broederen. (Rom. 8 : 29).

Zij worden ook genoemd huisgenooten Gods (Ef. 2 : 19), een volk van priesters en koningen (1 Petr. 2 : 5 en 9).

Zij hebben God tot een Vader in Christus, wijl zij deel hebben aan het Zoonschap van Christus door de vereeniging met Zijn verheerlijkt lichaam in Zijn goddelijke persoonlijkheid.

Deze geheel bijzondere levensbetrekking des Verbonds is dus onderscheiden van de algemeene levensbetrekking van den mensch tot God zijn Schepper.

Zij neemt echter uit den aard der zaak deze laatste betrekking nooit weg, zoomin voor den ouden als voor den nieuwen mensch. Het is ook duidelijk, dat de kinderen Gods, zoolang zij in dit leven zijn, onderworpen en gehouden zijn aan de or­deningen der schepping en aan de levenswet.

De vrijheid van de wet in Christus is trouwens geen opheffing der wet, maar bevrijding van het oordeel der wet.

De inlijving in Christus neemt voor Gods kinderen alzoo de algemeene levensrelaties niet weg. Integendeel, dezelfde Christus, dien zij als Zaligmaker omhelzen, erkennen zij ook als de Koning der koningen en de Heere der heeren.

Het is één en dezelfde gehoorzaamheid, die hen bindt aan de aardsche en aan de hemelsche orde van 's Heeren Verbond.  Zij genieten het voorrecht, dat zij den Schepper van hemel en aarde ook als hun Verlosser en Vader in den Christus kennen mogen. n het licht der religie vallen deze genadebetrekkingen samen.

De Dienst des Woords.

Eén der vruchten en voorrechten van Gods Verbond der genade, welke voor de kennis des Verbonds en de openbaring van Gods welbehagen van de grootste beteekenis zijn, is de Dienst des Woords. Deze werd door Christus bevolen, alvorens Hij als de verrezene Heiland opvoer tot den Vader. Gaat dan heen, predikt het Evangelie onder alle creaturen, dezelve doopende in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. (Matth. 28 : 19).

Dit bevel heeft de kerk in haar aardsche openbaring opgeroepen, welke op haar beurt als getuige Christi weer de zending onderhoudt onder de volkeren. De kerk is, zoo belijdt zij zelf, de vergadering der ware Christgeloovigen, zij is de getuige Gods in de wereld, de draagster van het profetische Woord, hetwelk zij ook te prediken heeft onder de volkeren, zoodat van geslacht tot geslacht het Woord Gods wordt verkondigd, opdat het Zijn loop hebbe en doe, waartoe de Heere het zendt.

Zoo heeft de kerk een geheel eigen roeping, of liever zij is een orgaan, waarvan God Zich bedient in de vervulling van Zijn Verbond door Zijn Woord en Geest. Naar haar wezen wordt zij ook genoemd een openbaring van het lichaam van Christus op aarde.

De Kerk.

Wanneer wij spreken over de Kerk als object des geloofs, dan spreken wij over de geestelijke werkelijkheid, het lichaam van Christus, waartoe alle uitverkorenen Gods worden toegebracht, die waren, die zijn en die zullen zijn in de toekomst.

Dat is de ware kerk, de verwerkelijking van het eeuwig welbehagen Gods,  dat naar de verkiezing is.

Wij spreken echter ook van de kerk als organisatie of instituut, in steden, dorpen en landen verspreid. Dat zijn, de kerken met bijnamen : Hervormde, Gereformeerde, Luthersche, Anglicaansche, Roomsche, etc. etc. 

Zij mogen een min of meer zuivere openbaring van de ware kerk vertegenwoordigen, doch bedekt of onbedekt zijn zij de getuigen Christi onder de volkeren. Zij zijn de organen van Woord en Geest, vanwaar de roep uitgaat op de menigte.

De kerk echter dwingt niet, zij getuigt, predikt, roept, vermaant, leert, — en zij maakt scheiding tusschen hen, die hooren en belijden, en hen; die niet hooren.

In hoeverre een kerk als openbaring van Christus' lichaam een zuivere gestalte vertoont en als ware kerk kan worden aangemerkt, d.i. in hoeverre haar de naam en de autoriteit van de kerk toekomen, kan worden getoetst aan de kenmerken van de kerk, die voorwerp des geloofs is. Deze kenmerken worden gewoonlijk in drie hoofdzaken genoemd: De zuivere bediening des Woords, de bediening der Sacramenten naar de instelling van Christus, en de handhaving der Christelijke tucht.

Een kerk, welke die kenmerken draagt, wordt met den naam en de waardigheid der ware kerk versierd.

De scheiding.

De scheiding is in beginsel ééne van hooren en niet-hooren.

Men kan over dat hooren betrekkelijk oordeelen, want het is betrekkelijk. Er is een afstand tusschen hooren en gehoorzamen, de genegenheid orn te hooren is reeds een mate van gehoorzamen.

De betrekkelijkheid ligt dan ook in de mate van genegenheid en haar diepte. Denk aan de gelijkenis van den zaaier. (Matth. l3 : 3). Daar wordt deze betrekkelijkheid der genegenheden duidelijk geteekend.

Hooren en niet hooren maakt dus een zekere scheiding tusschen de menschen.

Daar is een genegenheid tot het Woord, en zij, die de prediking hooren en genegenheid gevoelen, voegen zich onder het Woord. Zij vormen een gemeente.

Alweer: de ware kerk is een geestelijke gemeenschap in Christus, de vergadering der uitverkorenen, doch er kan een genegenheid zijn, die niet uit de verkiezing is, hoewel deze toch uit het gehoor des Woords is. 

De genegenheid is dus ook weer een gecompliceerde werkelijkheid in verscheidenheid van werking en graad.

Daarin spreekt de persoonlijkheid weer. Er is een persoonlijke betrekking tot het gehoor des Woords en deze betrekking is beslissend voor het standpunt, dat men inneemt. Ziedaar weer het zedelijk karakter, dat zich openbaart.

Hoe ver gaat het hooren?

Wanneer de genegenheid zoover gaat, dat men zich bij de kerk voegt, is dat een redelijke handeling, een persoonlijke daad. Maar wat doet men dan.

Dan voegt men zich tot de kerk, die belijdt een openbaring van Christus' lichaam, de ware kerk, te zijn.

Men voegt zich tot de vergadering der kinderen Gods. Men heeft niet uit te maken of aan allen, die daar mede vergaderd zijn, die titel en onderscheiding toekomen, want men heeft dit te verstaan naar de : geestelijke werkelijkheid, waaruit de kerk opkomt.

De kerk is de vergadering der ware Christ-geloovigen. Dat is de kerk des geloofs. Die kerk belijdt op haar wijze, maar zij belijdt als de kerk des geloofs, m.a.w. uit het waarachtig geestelijke leven.

Men moge de eene kerk meer zuiver in haar openbaring zien dan de andere, maar men voegt zich tot de kerk van Christus, men onderwerpt zich aan haar belijdenis, stelt zich onder den eisch des Woords eii onder de Christelijke tucht en men heeft niet het recht daarvan eigenwillig en eigenmachtig af te wijken.

Hoewel men schuldig is zich tot de ware kerk te voegen, blijft dit toch een vrije daad, die men naar zijn beste weten doet. En zooals reeds werd gezegd, men voegt zich bij de gemeente des Heeren en niet bij een menschelijke vereeniging.

Wie zich tot haar voegt, aanvaardt daarom wat zij als gemeente des Heeren belijdt en heeft zich daarnaar te schikken en dienovereenkomstig te gedragen.

Het zich voegen tot de kerk is dus wel een daad, die wij schuldig zijn voor God, maar niettemin is het een daad van persoonlijke verantwoordelijkheid. Wij zijn persoonlijk verplicht ons van die verantwoordelijkheid rekenschap te geven. Die daad stelt haar eischen aan geheel ons particuliere leven, maar ook aan ons leven in de verschillende betrekkingen des levens, voor ons gezin, in ons ambt en zooveel meer. En dan, deze betrekkingen naar de norm van Gods wet en ordinantie gezien.

In hoeverre dit alles uit kracht der wedergeboorte geschiedt, of tot kennis van het waarachtige geestelijke leven leidt, is voor het uitwendig oog verborgen. De Heere kent de Zijnen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET VERBOND GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken