Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.

7 minuten leestijd

De apostel onderwijst Petrus, dat de rechtvaardigmaking alleen geschiedt uit het geloof: niet uit de werken, vers 15—21. (XII) .... des Zoons van God, die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft, slot vers 20.

Hoofdstuk II. De apostel onderwijst Petrus, dat de rechtvaardigmaking alleen geschiedt uit het geloof: niet uit de werken, vers 15—21. (XII) .... des Zoons van God, die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft, slot vers 20.

Hier hebt ge een beschrijving van het wezen der rechtvaardigmaking en een voorbeeld van de zekerheid des geloofs.

Wie de woorden : „ik leef in het geloof des Zoons van God, die mij liefgehad heeft, en zichzelven voor mij heeft overgegeven" door een stellig en standvastig geloof Paulus kan nazeggen, die is eerst werkelijk gelukzalig. Toch schaft de apostel hier de gerechtigheid der Wet en der werken ten eenenmale af.

Uit een en ander volgt, dat niet ik den Zoon van God liefgehad en mij voor Hem overgegeven heb, gelijk de sophisten geleeraard hebben, zeggende, dat zij den Zoon Gods beminnen, en zich voor Hem overgeven. De sophisten toch leeren, dat de mensch uit zuiver natuurlijke vermogens de verdienste heeft. God en Christus boven alles te kunnen liefhebben. Zij verdraaien echter de woorden van Paulus. En in ijdele opgeblazenheid vernietigen deze lieden, door in de meening te verkeeren en te bazelen, dat zij werkelijk God hefhebben en zich voor Christus overgeven, het Evangelie. Zij belaehen, loochenen, lasteren en bespuwen Christus; zij treden Hem met voeten. Weliswaar bekennen zij met woorden, dat Hij een rechtvaardigmaker en heiland is, maar in den grond van de zaak ontkennen zij, dat Hij de kracht en de macht heeft om te kunnen rechtvaardigen en zaligen. Zij leven dan ook niet in het geloof des Zoons van God, maar vertrouwen op eigen gerechtigheid en werken.

Het is derhalve niet de goede manier om gerechtvaardigd te worden, wanneer men begint niet te doen zooveel als in zijn vermogen is, waartoe sommigen aansporen. Men zegt wel, dat, wanneer een mensch doet wat in zijn vermogen is, God hem zonder twijfel genade schenken zal. Men maakt van deze opvatting zelfs wel een geloofsartikel.

Wie iets dergelijks echter beweren, toonen duidelijk, dat zij van Paulus' leer en van het Evangelie niets begrepen hebben. Zij houden het er namelijk voor, dat het voldoende is, wanneer een mensch doet wat naar het oordeel van een goed burger behoorlijk is. Doet men zulks, dan zal God zekerlijk Zijn genade laten volgen.

Aan deze beschouwing is de spreuk ontleend : „God vergt van niemand iets boven vermogen".

Deze spreuk is wel goed, maar men moet haar tot de juiste proporties terug brengen ; zij heeft namelijk betrekking op alledaagsche en natuurlijke aangelegenheden.

Wanneer ik met overleg mijn huisgezin bestuur ; wanneer ik een huis bouw; wanneer ik een wereldlijk ambt bekleed, en ik dat alles doe voorzoover zulks in mijn vermogen is, dan ben ik verontschuldigd, en kan ik daarmede volstaan.

Men betrekt deze spreuk echter ook op de geestelijke dingen, op welk terrein een mensch niets anders kan dan zondigen. Een mensch is verkocht onder de zonde, Romeinen 7 vers 12.

Wat het uitwendige aangaat, dat wil zeggen op maatschappelijk en burgerlijk gebied, is de mensch geen slaaf, maar 'n heer, die gesteld is over het stoffelijke leven. Om deze reden hebben de sophisten dan ook Goddeloos gehandeld, toen zij leerden, dat deze spreuk, welke betrekking heeft op het burgerlijke en maatschappelijke leven, ook van toepassing is op kerkelijke zaken. Want het terrein der menschelijke rede is ver verwijderd en gescheiden van het rijk des geestes.

Verder hebben de sophisten geleerd, dat weliswaar de natuur verdorven is, maar dat de natuurlijke dingen onaangetast gebleven zijn. Is dit zoo, dan is ook het verstand des menschen niet gekwetst, en zijn wil rein en heilig. Bijgevolg is eigenlijk alles volmaakt.

Het is goed, van deze leer op de hoogte te zijn, willen wij ten minste de leer des geloofs in haar zuiverheid handhaven.

Ik geef toe, dat de natuurlijke dingen inderdaad niet aangetast zijn, maar wanneer de sophisten daaruit de consequentie trekken, dat een mensch dus bijvoorbeeld de Wet vervullen en God liefhebben kan, dan ontken ik dit ten stelligste, en maak ik onderscheid tusschen het natuurlijke en het geestelijke.

De geestelijke vermogens van den mensch zijn wel degelijk geschonden en verdorven. Door de zonde zijn zij in den mensch uitgewischt, als ook in den duivel, zoodat er in ons niets overgebleven is dan een verdorven verstand en een wil, die Gode vijandig is en Hem tegenstaat, en die alleen maar bedenkt wat tegen Hem ingaat.

Het is waar, dat zaken van natuurlijken aard ongerept gebleven zijn. Maar welke zijn dat ?

Deze : dat een mensch, die vol Goddeloosheid en een dienstknecht van Satan is, een wil heeft en met redelijke vermogens is begiftigd; zoo kan hij bijvoorbeeld de begeerte en het vermogen hebben om een huis te bouwen, een overheidsambt te bekleeden, een schip te besturen, en andere dingen te doen, welke hem onderworpen zijn. Genesis 1 vers 26—28).

Dit alles is den mensch niet ontnomen. Het is hem zelfs nadrukkelijk toegezegd. De sophisten hebben echter een en ander betrokken op de dingen des geestes. Op deze wijze hebben zij het burgerlijk regiment vermengd en verward met wat tot het geestelijke en de kerk behoort. Het is dus onze taak, de kwesties weer zuiver te stellen, en allerlei ergernis uit de kerk weg te nemen.

Wij geven dus toe, dat bovengenoemde bewering der sophisten waar is, doch tot op zekere hoogte, en wel voor zoover het uitwendige dingen betreft. Betrekt men hun opvatting echter voor Gods aangezicht op het rijk des Geestes, dan ontkennen en loochenen wij haar in alle opzichten. Want wij zijn gedompeld in zonden en ongerechtigheden. Heel onze wil is boos en verdorven, en ons verstand is aan dwaling onderworpen.

Wat de Goddelijke zaken betreft, is een mensch niets dan duisternis, dwaling, boosheid en verdorvenheid in wil en verstand. Hoe zou ik dus iets goeds kunnen bewerkstelligen. God liefhebben, enz. ?

Daarom zegt Paulus hier, dat niet wij, maar Christus het eerst begonnen is. „Hijzelf, zoo zegt de apostel, „heeft mij liefgehad, en Hij heeft Zichzelf voor mij overgegeven".

Het is als wil Paulus zeggen: in mij heeft Hij geen goeden wil en geen recht verstand aangetroffen, doch Christus heeft zich over mij ontfermd. Hij heeft gezien, dat ik Goddeloos was, dwaalde, mij van God afwendde, en steeds verder van Hem af ging. Hij heeft gezien, dat ik tegen God streed, en door den duivel gevangen, geregeerd en geleid werd. Krachtens Zijn barmhartigheid heeft Hij mij liefgehad, en wel zóó, dat Hij zich voor mij overgegeven heeft, opdat ik zou bevrijd worden van de Wet, de zonde, den duivel en den dood.

De woorden van dezen tekst zijn louter donderslagen en vuur van den hemel tegen de gerechtigheid, die uit de Wet is, en tegen de leer der goede werken.

Wat zouden we dus nog pochen op ons verstand, onze natuurlijke vermogens en onze goede bedoelingen ? Wat zouden we een vertoornd God kunnen toebrengen, die, gelijk Mozes zegt, een verterend vuur is ? Mijn stoppelen en afschuwelijke zonden zeker ? Zou ik met Hem redetwisten, opdat Hij mij genade en het eeuwige leven zou verleenen, terwijl ik hier verneem, dat er in mij zooveel ongerechtigheid huist, dat de wereld en alle schepsel niet genoegzaam geweest is, om God te verzoenen, zoodat God Zijn Zoon voor ons heeft moeten overgeven ?

Zie dus op dezen prijs, en aanschouw den gevangene, namelijk Gods Zoon, die „voor mij" overgegeven is. En ge zult bemerken, dat Hij oneindig veel grooter en verhevener is dan alle schepsel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1940

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1940

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

PDF Bekijken