Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus’ Brief aan de Galaten.

6 minuten leestijd

De apostel onderwijst Petrus, dat de rechtvaardiging alleen geschiedt uit het geloof: niet uit de werken, vers 15—21. (XIII).

Hoofdstuk II.

Wie is deze „mij'' ?

Antwoord: natuurlijk ik, die een verloren zondaar en veroordeeld ben, en dien de Zoon Gods zoo liefgehad heeft, dat Hij zich voor mij overgegeven heeft. Wanneer ik door eigen werken of verdiensten den Zoon Gods had kunnen liefhebben, en tot Hem had kunnen komen, — dan zou het toch niet noodig geweest zijn, dat Hij zichzelf voor mij overgegeven had?

Hier blijkt, hoe onverschillig de papisten tegenover de Heilige Schrift en de leer des geloofs gestaan hebben, en hoe zij die zelfs geheel en al veronachtzaamden. Want hadden zij dpze woorden in acht genomen, die inhouden, dat de Zoon Gods voor mij moest worden overgegeven, — dan zou het onmogelijk geweest zijn, dat er ergens eenige orde of secte was ontstaan, wijl het geloof zou gezegd hebben: wat heeft het voor zin, deze wijze van leven, deze orden en eigen werken te verkiezen ? Soms opdat God verzoend, en gij gerechtvaardigd zoudt worden ?

Hoort ge niet, o boos mensch, dat de Zoon Gods voor u overgegeven is, en voor u Zijn bloed vergoot ? Zoo had het geloof in Christus gemakkelijk alle secten het hoofd kunnen bieden. Daarom zeg ik dikwijls, dat er geen andere kracht of geen ander middel is om de secten te weren, dan dit leerstuk der christelijke gerechtigheid. Zouden we dit verloren hebben, dan is het onmogelijk, om welke dwalingen of secten ook te weren.

Maar wat is dit alles, ook al schijnt het zeer goed en heilig, vergeleken bij het bloed en den dood des Zoons van God, die zichzelf voor mij overgegeven heeft ? Overweeg toch, zoo vraag ik u, wie deze Zoon Gods is, hoedanig en hoe groot Hij is. Wat zijn hemel en aarde, vergeleken bij Hem ?

Laten liever alle papisten en uitvinders van secten met hun gerechtigheid, werken en verdiensten ter helle varen, al hing de gansche wereld hen aan, dan dat de waarheid van het Evangelie verduisterd, en de eer van Christus ondergaan zou. Wat heeft het dus voor beteekenis, zoo hoog op te geven van eigen werken en verdiensten ?

Wanneer ik, verloren en veroordeeld zondaar, die ik ben, door een of ander losgeld had kunnen worden vrijgekocht, — waarom zou het dan noodig geweest zijn, dat de Zoon Gods voor mij overgegeven is ?

Omdat er echter in hemel en op aarde niemand en niets was, dan Christus, de Zoon van God, alleen, — daarom was het in hooge mate noodzakelijk dat Hij voor mij overgegeven werd. En Christus heeft dat uit groote liefde gedaan, want Paulus zegt: „Die mij liefgehad heeft".

Deze woorden zijn vol van geloof, en wie dit woordje „mij" in hetzelfde geloof uitspreken en tot het zijne maken kan, gelijk Paulus, die zou, evenals de apostel, scherp optreden tegen de Wet. Want Christus heeft geen schaap, geen os, geen goud of zilver voor mij overgegeven, maar hetgeen Hij zelf was. Hij heeft dat gedaan voor mij, die een allerellendigst en veroordeeld zondaar ben.

Door de overgave des Zoons van God in den dood leef ik weder op, en eigen ik mij deze overgave toe, welke de ware kracht des geloofs is.

Een werkheilige zegt niet: Christus, die mij liefgehad heeft, welke woorden de zuiverste prediking zijn van genade en christelijke gerechtigheid, en Paulus stelt ze tegenover de gerechtigheid, die uit de Wet is, als wilde hij zeggen : hoewel de Wet van Godswege komt, en haar eigen beteekenis heeft, — zoo heeft zij toch mij nimmer liefgehad, en zichzelf voor mij overgegeven. Zij klaagt mij integendeel aan verschrikt mij, en brengt mij tot vertwijfeling. Nu echter heb ik een ander, die mij van de verschrikking der Wet, van de zonde en den dood bevrijd heeft, en die mij stelt in vrijheid, in de gerechtigheid Gods en het eeuwige leven, namelijk den Zoon Gods, die mij liefheeft, en zichzelf voor mij overgeeft. Hem zij de eer in alle eeuwigheid. Amen.

Gelijk ik gezegd heb, grijpt het geloof Christus aan, en omhelst Hem als den Zoon van God, die zich voor ons heeft overgegeven, zooals Paulus hier leert. Hebben wij dit geloof gegrepen, dan bezitten wij gerechtigheid en leven. Want Christus is de Zoon van God, die zich uit louter liefde voor ons overgegeven heeft, ten einde ons te verlossen.

Zeer schoon beschrijft Paulus hier Christus' priesterlijk ambt, dat bestaat in het God verzoenen, de voorspraak en voorbede ten behoeve der zondaren. Hij heeft zich zelf gegeven als een offer voor onze zonden, en ons van haar vrijgemaakt. Hij heeft ons onderwezen en getroost. Niet uit eenige verdienste of gerechtigheid onzerzijds, doch uit louter liefde en barmhartigheid heeft Christus zichzelf overgegeven, en zich Gode ten offer aangeboden ten bate van ons arme zondaren, opdat Hij ons heiligen zou tot in eeuwigheid.

Daarom is Christus geen Mozes, geen drijver of wetgever, maar een schenker van genade, een Heiland, die zich erbarmt. Zoo teekenen wij Christus op de juiste wijze. Schetst ge Hem anders, dan zult ge in uren van vertwijfeling spoedig van uw stuk raken. De leer, dat Christus een wetgever is, is verderfelijk, en zij is als olie mij in het gebeente gedrongen. Jonge menschen zijn er in dit opzicht beter aan toe dan de ouderen. Want gij, jonge menschen, hebt de verderfelijke leeringen niet ingezogen, welke men mij van kindsbeen af bijgebracht heeft, zoodat ik van schrik verbleekte, als ik den naam van Christus hoorde, omdat ik er van overtuigd was, dat Hij een rechter is. Ik stond dus voor twee moeilijkheden, om van deze beschouwing los te komen. Ten eerste moest ik de oude, diep ingewortelde meening verliezen en afleeren, als zou Christus een wetgever en rechter zijn; deze opvatting moest ik veroordeelen en van mij afzetten ; en vervolgens moest ik het nieuwe mij eigen maken, namelijk een vast vertrouwen op Christus; ik moest leeren. dat Hij rechtvaardigt en een Heiland is. Gij jonge menschen kunt, wanneer ge wilt, met veel minder moeite en inspanning Christus leeren kennen, dan ik dat heb gekund.

Wanneer uw hart door droefheid overstelpt wordt, of bekommerd is, — dan moet ge dat niet aan Christus toeschrijven, al dienen dergelijke gemoedsbewegingen zich in Zijn Naam aan, doch aan den duivel. Want hij is het, die pleegt te komen in de gedaante van een engel des lichts. Vlijtig moeten wij dus niet alleen met woorden, maar ook met daden en door ons leven, onderscheid leeren maken tusschen Christus en een wetgever.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1940

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1940

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

PDF Bekijken