Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET VERBOND GODS

10 minuten leestijd

Het gezag des Woords.

XXXVII

Het gezag des Woords.

Wij hebben over de tucht des Woords gesproken, doch wie zich onder de tucht van Gods Woord stelt, voegt zich onder Zijn gezag, Hij erkent dat Woord als Gods Woord. Dat geldt zoowel van de slaafsche gehoorzaamheid als van den dienst der liefde. Toch staat dat niet gelijk. Daarom hebben wij bijzonderlijk gehandeld over de kennis van den Middelaar. Daarin ligt toch besloten, dat Hij niet alleen wordt gekend in Zijn hoogepriesterlijk ambt, maar ook als de hoogste Profeet en Leeraar en als de hoogste Koning.

Hij is de Middelaar der kennisse Gods, want Hij heeft ons de verborgenheid Gods geopenbaard. Hij is het Woord, dat uitgaat van den Vader in het werk der schepping, het Woord, dat ons den Vader heeft verklaard. Als Johannes zegt, dat het Woord is vleesch geworden, en onder ons heeft gewoond, heeft hij eerst gezegd, dat het Woord bij God was en God was, en dat door het Woord alle dingen zijn gemaakt. (Joh. 1 : 1—14).

Het is derhalve duidelijk, dat hij in al die werken op den tweeden Persoon van het goddelijk Wezen wijst. De Heere Jezus getuigt ook, dat niemand ooit God heeft gezien dan de Zoon, die in den schoot des Vaders is, en die heeft Hem ons verklaard. (Joh. 1 : 18).

Zonder dien Middelaar kan er dus geen kennis van God zijn. Gelijk Hij aan alle dingen gestalte heeft gegeven (Ned. Geloofsbelijdenis, art. XII), is Hij ook de Middelaar der Godsopenbaring. Hij is het, die tot den mensch kwam, de Profeet, die spreekt in de werken Gods, zoo in de werken der schepping als in de werken der genade. Hij is de Wijsheid, die haar stem verheft op de spits der hooge plaatsen. (Spr. 8). Die Mij vindt, vindt het leven en trekt een welgevallen van den Heere. Diezelfde Wijsheid spreekt: Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts.

Als wij dus van het Woord Gods spreken, spreken wij eigenlijk over dien Middelaar, en wij eeren de Heilige Schrift als Gods Woord, omdat Hij daarin spreekt. Het is het Woord, dat in en door Hem van Godswege tot ons kwam, het getuigenis van het levende Woord, gelijk Hij ook zelf zegt, dat de Schriften van Hem getuigen. Als God spreekt, gaat het Woord uit, en het Woord kwam tot den mensch. In alles wat God gesproken heeft, kwam de Zoon tot ons. En hoewel daar nog veel meer is, zoodat de wereld de boeken niet zou kunnen bevatten, gelijk Johannes zegt. (Joh. 21 : 25), heeft het den Heere goed gedacht het Woord te bewaren, dat ons in de heilige boeken is overgeleverd. Ofschoon de Bijbel veel grooter zou geweest zijn, indien alles ware bewaard gebleven, kan dat van het goddelijk gezag der Heilige Schrift niet afdoen, als zij slechts een gering deel bewaart van de vele dingen, die Jezus gedaan heeft. Want het gaat niet om de veelheid der teekenen, maar om de goddelijke Waarheid.

Zoo rust dus het goddelijk gezag der Heilige Schrift in dat eeuwige Woord, dat bij God was en God was, en dat ook is vleesch geworden. Dat Woord is van den Vader uitgegaan om Zijn wil te doen en bekend te maken onder de menschen. En wijl de Zoon met den Vader één is, is ook de wil Gods de laatste grond van het goddelijk gezag der Heilige Schrift, welke ons Zijn Woord bewaart, opdat wij zouden weten hoedanig God jegens den mensch is.

En gelijk wij God niet zullen kennen dan door den Zoon, zijnde de Middelaar, zoo zullen wij niet weten, wie God jegens ons is, dan door het Woord, dat Hij gesproken en bewaard heeft. Daarom is de Heilige Schrift een middel der kennisse Gods, zonder hetwelk wij ook den Middelaar niet leeren kennen.

In die Schrift spreekt de Heere in menschelijke taal, in beelden aan dit aardsche leven ontleend, zoodat Hij in onze men schelijke wereld is afgedaald om zich bekend te maken. Daarin kan men reeds het Middelaarswerk opmerken. Toen het Woord is vleesch geworden, heeft het ook een menschelijke natuur en gestalte aangenomen, is geworden als onzer een, uitgenomen de zonde, maar ook in het Woord der profetie is de Heere afgedaald tot het menschelijke om zich bekend te maken. Hier kan geen sprake zijn van menschwording, maar er is in de openbarende werkzaamheid toch een afdalen tot den mensch. Immers als Paulus werd opgetrokken boven de aardsche dingen, vond hij geen woorden meer om te spreken. Doch als het gaat over datgene, wat de Heere hem heeft geopenbaard, weet hij' het in menschelijke taal uit te drukken. En zoo hebben ook de profeten gesproken uit hetgeen zij gezien en gehoord hebben. Daarin ligt een klaar bewijs, dat de Heere het op een zoodanige wijze heeft getoond en gesproken, dat zij het konden vertolken in woord en beeld.

Wie anders dan de Middelaar kon de verborgenheden Gods in zoodanige gestalte geven, dat een menschenkind het zou kunnen bevatten ?

Doch daar komt nog iets bij van een persoonlijke betrekking. De profeten en de apostelen getuigen uit wat zij gezien en gehoord hebben. Zij zagen en hoorden. Zij wisten ook wat zij aanschouwden en. opmerkten. Zij wisten niet alleen, dat het goddelijk was, maar ook, dat zij met God van doen hadden. God was het, die met hen sprak en handelde. Zij waren dus niet onbewust van hetgeen geschiedde, alsof het buiten hen omging. „Alzoo spreekt de Heere". Zij zijn zich daarvan klaar bewust. De hartader der openbaring is een levende betrekking tusschen God, die zich openbaart, en den mensch, aan wien Hij zich openbaart. Ook een profeet als Bileam weet zeer wel het Woord Gods te onderscheiden.

Daarom weten zij ook, dat hetgeen zij spreken waarachtig is. Zij zelf buigen onder het goddelijk gezag en spreken daaruit. In de kennis van dien God is dat gezag gefundeerd. En zoo hebben zij, tot wie het Woord Gods kwam, met den tweeden Persoon als Middelaar der openbaring van doen gehad, omdat buiten Hem geen kennis van God mogelijk is.

De hoogste Profeet en Leeraar geeft niet alleen Zijn Woord, maar werkt ook de kennis, want Hij is het Licht der wereld. In Zijn licht zien wij het licht. En nu is er geen mensch, of hij heeft eenig besef van de goddelijke kracht en heerlijkheid. Het kennelijke Gods wordt uit de schepselen openbaar. (Rom. 1 : 19, 20). Want God heeft het hun geopenbaard. Er is een werkzaamheid van het Woord, die tot allen uitgaat, en daarmede hangt ook saam, dat het geopenbaarde Woord tot allen wat te zeggen heeft, gelijk de Heere gebiedt, predikt het Evangelie aan alle creaturen. Het komt tot allen, die het hooren, als het Woord van God. Niemand behoeft te vragen, wie is Hij ? Want al is het waar, dat de geestelijke dingen den natuurlijken mensch voorbijgaan, als de Heere zich bekend maakt als de Schepper van hemel en aarde, die alle schepsel het leven en den adem geeft, verstaat de mensch toch wel iets van de groote beteekenis daarvan. Hij beseft, dat hij van zulk een God in alles afhankelijk is en schuldig Hem te dienen, hoewel hij geen lust heeft in Zijn wegen. Het zou al te dwaas zijn te meenen, dat God Zijn Woord geeft en dat het niets tot den mensch te zeggen had. Als men dan ook opmerkt, dat de Bijbel voor hem een gesloten boek kan zijn, dan is dat in zeker opzicht waar. De Emmaüsgangers waren geenszins afkeerig en toch was het noodig, dat de Heere hun de Schriften opende, n.l. ten opzichte van het werk der genade in den Christus en dat het alles alzoo geschieden moest.

Datzelfde is nog altijd, het geval. Wij kunnen niet onbekend zijn met het Woord en zelfs van meening zijn, dat wij het verstaan, terwijl wij van de geestelijke dingen nog geen weet hebben, totdat de Heilige Geest ons klaarder onderricht. Maar dan betreft het ook het werk der genade en de uitnemende kennis van den Middelaar, die alle verstand te boven gaat.

Aangezien er echter geen mensch is, of hij heeft eenig besef van het kennelijke Gods, hetwelk hem tegenkomt uit de werken Zijner handen, zal hij dit met meerdere klaarheid opmerken bij het licht des Woords. Daarom vergelijkt Calvijn in dit verband de Heilige Schrift bij een bril, waardoor wij beter kunnen zien. Dat heeft dus betrekking op de kennis van den Schepper.

Een andere vraag is, of de mensch lezen wil en al lezende wijzer wordt, zoodat het Woord ook toepassing vindt in zijn leven. Indien dat niet het geval is, houdt hij de waarheid ten onder en houdt God niet in erkentenis. En dit nu wordt door de Heilige Schrift als een kenmerk van het verduisterd verstand geteekend. (Rom. 1 : 18 v.v.)

Wanneer er een erkennen van God en Zijn Woord is, moet er licht in de duisternis schijnen. Calvijn spreekt dan ook zeer terecht van een verlichting des verstands, wanneer daar een geloof is aan God en Zijn Woord. Ook deze verlichting geschiedt door den Heiligen Geest en gaat niet buiten den Middelaar om, want niet zonder oorzaak wordt Hij ook de Geest van Christus genoemd. In deze werking der verlichting is een betrekking tot den levenden God, welke wij vroeger als een betrekking des Verbonds hebben genoemd. Thans echter wordt daarop gewezen in verband met de erkenning van Gods gezag en dientengevolge van het gezag des Woords. Waar eerbied en vreeze voor het Woord is, daar is gezag en daar is een zekere mate van Godskennis, zij het ook, dat deze tot de kennis van God als een Vader en Verlosser in Christus niet doordringt. Deze toch is vrucht van een bijzondere genadegave, waardoor de wedergeboorte wordt gewerkt.

In dit verband valt de nadruk op de erkenning van het goddelijk gezag der Heilige Schrift krachtens een levende betrekking tot den God des Woords. Waar zulk een erkenning aanwezig is, blijft het geen doode stelling, dat alle aardsche gezag van God den Heere is afdalende, zoodat het ook om Gods wil wordt erkend. Het gebod der Wet: Eert uw vader en uw moeder is geen doode letter, maar een gebod van den levenden God, Schepper van hemel en aarde.

Waar die erkenning heerscht in het gezinsleven, gaat kracht van het gebod uit, want zij gaat gepaard met een ernstige levensopvatting. Kracht naar binnen en naar buiten. Daar is behoefte aan gebed en ernstig overleg. Daar worden de nooden en behoeften des levens voor het aangezicht des Heeren gebracht. Daar leert het kind gehoorzaamheid aan de ouders.

Ook naar buiten gaat kracht en invloed uit. Niet zonder grond spreekt de Catechismus ook over het gezag der Overheid naar aanleiding van het gebod en van allen die over ons zijn gesteld. Als Gods hoog gezag erkenning en eerbiediging vindt, is er ook een onderwerping aan de machten, die over ons zijn, omdat er geen macht is dan van God. God, de Heere, regeert. Ook dat is geen doode letter voor het geloof, dat met den tienden Zondag van den Catechismus belijdt, dat alle dingen niet bij geval, maar van Zijn vaderlijke hand ons toekomen.

Zoo volgt uit den eerbied voor het gezag voor God en Zijn Woord, dat ook in de aardsche saamleving het gezag wordt hoog gehouden en gehoorzaamheid wordt gebracht aan allen, die met gezag bekleed zijn om Gods wil.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Thursday 8 August 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET VERBOND GODS

Bekijk de hele uitgave van Thursday 8 August 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken