Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Kennen en kennen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Kennen en kennen.

10 minuten leestijd

Wij hebben er op gewezen, dat de religie een algemeen verschijnsel is en dat geloof aan openbaring aan de religie vergezeld gaat. Het behoeft dus geen verwondering te wekken, dat men plaats geeft aan een algemeene openbaring. Verder hangt daarmede samen, dat den mensch een zekere natuurlijke Godskennis wordt toegeschreven. In de theologie heeft deze stelling zelfs een belangrijke plaats ingenomen. Men maakte onderscheid tusschen natuurlijke en geopenbaarde theologie. In de 18e eeuw verkreeg de kennis, aan de natuurlijke theologie toegeschreven, lallengs zulk een omvang, dat schier alle waarheden van de geopenbaarde theologie in de eerstgenoemde werden gevonden.

Men ging dus van het standpunt uit, dat het menschelijk redevermogen bij machte was dit alles te ontdekken. Er scheelde niet veel aan, of men had de bijzondere openbaring niet meer noodig.

Hier moet dus een groot misverstand in het spel zijn, hetwelk zijn oorzaak vindt in de overschatting van het natuurlijke redevermogen. Zelfs schuilt het niet alleen in overschatting van het redevermogen, want men moet onderscheid maken tusschen kennis en kennis. De kennis des geloofs, d.i. de kennis van God en de geestelijke dingen, is van anderen aard dan de kennis der aardsche zaken. Het religieuse kennen heeft een mystieken achtergrond. Door dien mystieken aard, welke aan de religie eigen is, is zij onderscheiden van de z.g. natuurlijke kennis. Mystiek toch zoekt gemeenschap of vereeniging met de godheid. Alle religie heeft haar mystiek. Dit behoort tot het wezen der religie. Men mag zelfs zeggen, dat de mystieke unie het wezen en de eigenlijke werkelijkheid der religie is. Dit raakt ook onmiddellijk aan het vraagstuk der openbaring. Want als de religieuse kennis mystiek van aard is, vindt dat zijn verklaring in het feit, dat Godsopenbaring een mededeeling van God aan den mensch onderstelt.

Openbaring als openbarende daad Gods onderstelt dus ook een in gemeenschap treden van God met den mensch, zoodat er een mystieke vereeniging is. Als een profeet zegt : Alzoo spreekt de Heere, weet hij, dat God met hem in contact is getreden.

Hieruit mag nog niet worden geconcludeerd, dat al wat de menschen voor openbaring houden ook openbaring is. Evenmin is er grond om aan te nemen, dat wat de heidenen voor openbaring houden, echt is. Ook in Israël waren valsche profeten, die in den Naam van Jehovah profeteerden, ofschoon Hij niet tot hen gesproken had. Evenals wij met Gods Woord in de hand onderscheid maken tusschen ware en valsche religie, moet men ware en valsche mystiek, ware en valsche openbaring onderscheiden.

Openbaring moet bovendien ook als woord naar den inhoud en den zin worden verstaan. Openbaring is toch in de eerste plaats openbarende daad Gods, dan de mededeeling, welke in die openbaring geschiedt, de inhoud, het woord, het gezicht of visioen, vervolgens voor wien zij bestemd, is, en ten slotte de openbaring als overlevering, zooals die bewaard bleef.

In dien laatsten zin noemen wij Gods Woord openbaring. Zij ligt daar voor ons in de gestalte harer overlevering en God heeft Zijn Woord in Zijn Voorzienigheid bewaard, omdat het gericht is tot de wereld.

Achter de Heilige Schrift ligt de geschiedenis der openbaring, n.l. dat God de Heere tot de Godsmannen, tot Israël en ten laatste in den Christus tot de wereld kwam om Zich te openbaren, gelijk Hij deed. Zoo waren de profeten de organen der Godsopenbaring, was Israël de drager daarvan, terwijl God zich in Christus op een volkomene wijze heeft geopenbaard.

Letten wij op het eerste en voornaamste, de openbarende daad Gods, dan ligt ook daar het criterium tusschen echte en nietechte openbaring. Dit is het criterium, dat ook door de Schrift wordt aangewezen. Van de valsche profeten staat geschreven, dat God ze niet heeft gezonden. Een religie kan dus wel heilige boeken hebben, die voor goddelijke openbaring worden gehouden, maar daarom bevatten zij nog geen openbaringen van Godswege.

De vraag rijst dan weer : Hoe zullen wij weten, dat een openbaring echt is, dat is van God is ?

Deze vraag brengt ons terug naar het eigenaardige der Godskennis. Daar deze een mystiek karakter draagt, zal ook de openbaring op een mystieke wijze als Gods openbaring worden gekend. Hierop wijst ook de Geloofsbelijdenis : De Heilige Geest getuigt in onze harten, dat zij (de Heilige Boeken) van God zijn. Dezelfde Geest Gods, die in de openbarende daad Gods werkzaam was, getuigt, dat het Gods daad en openbaring is. Daarom wordt dit ook alleen in het geloof verstaan.

Ook dat getuigenis gaat derhalve op een daad Gods terug, waarin Hij gemeenschap oefent met den geloovige. En aangezien de Geest Gods in alle waarheid leidt, is dit getuigenis bij allen, die door dien Geest geleid worden, zoodat de Kerk des Heeren bij dat getuigenis leeft en door dien Geest belijdt, dat de Heilige Schrift Gods Woord is.

Hiermede bewegen wij ons intusschen op het terrein der bijzondere openbaring. Hoe staat het nu met de algemeene ?

Draagt die ook een mystiek karakter, of geeft die een natuurlijke Godskennis ? Dit kan eigenlijk geen vraag zijn, omdat Godskennis krachtens haar aard mystiek is. Het besef van het geheel andere, waarop wij reeds gewezen hebben, verraadt dien mystieken kant reeds in de mysterieuse sfeer, welke daaraan eigen is. Het geheel andere doet zich als een mysterie voor en men typeert het ook als zoodanig (mysterium tremendum e.d.g.) Het geheel anders zijn sluit iedere relatie logisch uit en toch is er betrekking, anders kan er geen besef van zijn. Die betrekking bewijst haar mystiek karakter in de verschijnselen van het religieuse leven.

Al komt het niet verder dan een besef van de Godheid, zoo moet ook deze schim van licht aan een daad Gods worden toegeschreven, waarin een mystieke betrekking tot uitdrukking komt. Krachtens deze betrekking, die klaarblijkelijk algemeen is en tot alle menschen komt, werkt dat besef. Het dankt daaraan zijn kracht van waarheid. De Heilige Schrift bevestigt dat ook als zij zegt : Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard. (Rom. 1 : 19).

God kan niet kennelijk zijn, als Hij Zich niet kennelijk geeft. Het kennelijke Gods is datgene, wat God als het kennelijke stelt. Dat besef gaat zelfs verder dan het gevoelen der Godheid, want het gaat gepaard met vreeze.

De algemeene openbaring kan dus zonder miskenning van het wezen der openbaring niet natuurlijk worden genoemd. Haar mystiek karakter onderscheidt haar juist van het natuurlijke. Daarom verdient 't geen aanbeveling van natuurlijke Godskennis te spreken. Zelfs, wanneer men daarbij het oog heeft op de Godsopenbaring door de natuur (art. II der Ned. Geloofsbel.), werkt het misleidend en verwarrend. De natuur toch is op zich zelf geen openbarende macht. De natuur doet geen openbarende daad. God openbaart zich in de werken Zijner handen. De belijdenis noemt de natuur dan ook een middel. De daad ligt altijd bij God. Wie zulk een daad aan de natuur toeschrijft, moet haar ook een kennende daad in den mensch toekennen. Als er geen kennen is, is er geen openbaring. Naar die voorstelling zou de natuur kennis in den menseh verwekken en dat wel omtrent God. Het einde van deze redeneering moet op een naturalisme uitloopen, waarin zoo min voor God als religie plaats is.

De Schrift legt dan ook alien nadruk op het religieuse kennen : n.l. op het verstaan en doorzien van de onzienlijke dingen Gods uit de schepping der wereld.

Hier wordt een feit medegedeeld: n.l. dat de onzienlijke dingen van de schepping der wereld aan uit de schepselen worden verstaan en doorzien. De schepping der wereld verschijnt dus als zoodanig in haar openbarende werkelijkheid, want zij zet het feit, dat uit de schepselen de onzienlijke dingen Gods worden verstaan en doorzien. Dat verstaan en doorzien is in de scheppende werkzaamheid Gods begrepen, ja bedoeling van dien arbeid.

Verstaan en doorzien is geen daad van de natuur, maar vrucht van de scheppende daad Gods. In die scheppende daad is een openbarende daad Gods besloten. Zijn goddelijke heerlijkheid en kracht worden gezien uit de schepselen. God heeft ook het menschelijk kenvermogen geschapen. Ook daarin is een scheppende en onderhoudende daad Gods en een levende betrekking, welke in het besef van de Godheid en het verstaan uit de schepselen tot openbaring kohit. Want God heeft het hun geopenbaard, zegt de Schrift.

Indien door de kennis van God en de goddelijke dingen een bijzonder, n.l. mystiek karakter draagt, hoe kan men die aan het natuurlijk redelicht toeschrijven ?

Het antwoord is niet moeilijk te vinden. Aan het mystieke karakter der openbaring beantwoordt ook een mystiek kennen. De Heilige Geest getuigt in onze harten, dat zij van God zijn. Dit betreft nu wel weer de bijzondere openbaring, maar des te duidelijker blijkt daar, dat in het kennen een werking van den Heiligen Geest is. Gods Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn. Dit wijst tevens op de mystieke unie, welke daarin gegeven is. Ook in de algemeene openbaring, zooverre die beseffen en gevoelens der goddelijke heerlijkheid en kracht werkt, is een levende betrekking krachtens de schepping.

De mystieke kennis draagt in zichzelf het getuigenis der waarheid van het geopenbaarde : dat God is en dat Hij is, gelijk Hij zich openbaart jegens ons. De zekerheid en overtuiging der waarheid omtrent de geopenbaarde dingen is de vrucht van de mystieke werkzaamheid der openbaring. Zij verschilt daarin van de logische of redelijke zekerheid. Dat wil niet zeggen, dat zij onredelijk of onlogisch is, maar dat zij andersoortig is. Zij gaat boven het redelijk vatbare uit. De religieuse waarheid ontgaat aan de controle der rede. Zij is niet bij machte in de goddelijke dingen in te dringen. Deze geven zich niet gevangen onder het redewezen. Het redewezen ontdekt waarheden in de dingen, waarover het heerschappij heeft. Doch God onderwerpt zich niet aan de heerschappij van Zijn schepsel, maar Hij geeft zich te kennen, zooals Hij gekend wil zijn.

Het waarheidsgetuigenis der Godskennis is, zooals gezegd, aan de openbarende daad verbonden, zoodat dit buiten de mystieke relatie ontbreekt.

De kennis der geopenbaarde dingen, welke aan het geloof eigen is, draagt de overtuiging der waarheid in zichzelf, maar als goddelijke, waarheden staan zij ook voor het rede-wezen. Zij nemen hun plaats in het bewustzijn in en verschijnen voor de menschelijke rede, welke haar werkzaamheid daarover laat gaan. Zij vergelijkt, zoekt verband, ordent, redeneert over het gegevene. Als het geloof belijdt, dat God een eenig God is, kan de rede besluiten, dat er slechts èèn rehgie kan zijn. Als het geloof belijdt, dat God de souvereine Schepper is van hemel en laarde, zegt de rede, dat alle schepselen van Hem in alle dingen afhankelijk zijn.

Het is echter nog wat anders zulk een redebesluit te erkennen en in afhankelijkheid van den eenigen God te leven. Daarom is dit op zich zelf een stuk geloofsleven en geloofsbelijdenis. (Zie Catechismus Zondag 10).

Daar blijft dus een onderscheid tusschen belijden en beleven van de geopenbaarde waarheid eenerzijds en een aannemen en beredeneeren anderzijds. Men kan immers de geopenbaarde dingen weten van hooren zeggen, den Catechismus van buiten leeren en over theologische vraagstukken nadenken en disputeeren, terwijl toch het geestelijk getuigenis der waarheid niet aanwezig is, althans niet in allen deele of zelfs niet aangaande de hoofdstukken des geloofs. Als wij den Catechismus noemen, raakt het al weer de bijzondere openbaring en wel zooals die naar gereformeerde confessie wordt verstaan. Het voorbeeld spreekt daarom des te duidelijker. Er is een verstandelijk aannemen en een geloovis belijden. Dit kan zelfs ten deele saamgaan, want ook het geloof theologiseert over de dingen. Alleen het geloof legt het verstand het zwijgen op, ajs het zich waagt aan de verborgenheden. Het houdt de wacht bij de waarheid des geloofs, terwijl de rede gaarne geneigd is haar eigen grenzen te overschrijden. Wanneer die wacht ontbreekt, gaat zij zweven in haar eigen speculaties. De geschiedenis van de theologie kan aantoonen, dat ook op haar terrein de menschelijke rede zich vaak meer toeeigent dan haar toekomt. Daarop werd boven reeds gewezen. Het is daarom noodig te onderscheiden tusschen kennen en kennen. Daaromtrent is echter nog wel een en ander op te merken, dat de aandacht waard is.

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Kennen en kennen.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken