Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onkenbaar en toch gekend

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onkenbaar en toch gekend

10 minuten leestijd

In verband met de algemeene openbaring hebben wij de aandacht gevestigd op de algemeenheid van het gevoelen der Godheid. Men spreekt in verband daarmede wel van een ingeschapen Godskennis, hoe arm deze dan ook moge zijn.

Het komt veelal niet verder dan een besef, hetwelk dan weer aanleiding wordt tot allerlei voorstellingen, die zich hechten aan natuurkrachten en aan natuurverschijnselen, waarin men manifestaties van de Godheid meent waar te nemen.

Voor den Schriftgeloovige is dat niet zoo vreemd en onverklaarbaar. Als de bijzondere openbaring ontbreekt, zoodat een mensch alleen op het kennelijke Gods is aangewezen in de werken der schepping, grijpt hij overal het machtige, wonderlijke en geheimzinnige aan als het goddelijke. Op die wijze komt de heidenwereld tot natuurvereering. Hoewel ook de heidensche wijsbegeerte soms klaar deze gedachten omtrent de verhevenheid Gods boven het schepselmatige en menschelijke heeft gevormd, blijft toch deze z.g. ingeschapen of natuurlijke Godskennis arm.

Over de uitdrukking natuurlijke hebben wij reeds meermalen onze meening uitgesproken. Zij leidt tot verkeerde gevolgtrekkingen. Maar ook het woord ingeschapen geeft geen bevrediging. Het is, alsof men bij zijn geboorte een zekere Godskennis meegekregen heeft.

Het wezen der openbaring laat toch ook deze gedachte niet toe. Openbaring onderstelt altoos een levende betrekking tot God, die zich openbaart. God heeft de wereld niet te voorschijn gebracht om haar aan zichzelf en een ingeschapen orde over te laten, als zag Hij nu van buiten af toe, hoe het daarin toegaat, maar Hij draagt haar als met Zijn hand en Zijn voortdurende zorg gaat over 'haar. Zoo heeft Hij den mensch niet een zekere Godskennis medegegeven, maar gelijk Hij Zijn schepping onderhoudt, onderhoudt Hij ook Zijn openbaring, zoo in het algemeen als in het bijzonder.

Het voornaamste en algemeene kenmerk van het gevoelen der Godheid, dat op zich zelf als een moment van openbaring getuigt, mag worden genoemd in het besef van wat men tegenwoordig pleegt uit te drukken als het „geheel anders zijn" van God. Geheel anders dan de gewone dingen. Dit wijst op de onderscheiding van God en het schepsel. Paulus drukt dit uit in de bekende woorden „Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid".

In de natuurvergoding is deze onderscheiding verloren geraakt, in ieder geval verduisterd, doch als de Grieksche wijsbegeerte haar denken op de Godheid richt, komt zij tot de ontdekking, dat men God niet menschelijk moet voorstellen. Verschillende oude wijsgeeren leerden reeds, dat God onkenbaar is. De bekende philosoof Plato leerde, dat de Godheid boven al het bestaande en ook boven het zijn verheven is.

Inderdaad is de verhevenheid Gods boven alle schepselen en derhalve ook boven het schepselmatige kennen en denken, op zich zelf een grond om te besluiten tot Zijn onkenbaarheid. De mensch kan God niet kennen, zooals Hij is, en er is ook geen weg om van den mensch uit kennis van God te verkrijgen.

Het is dan ook begrijpelijk, dat zij, die uitgaan van het wezensonderscheid tusschen God en het schepsel, de onkenbaarheid Gods tot een hoofdstelling verheffen. Men kan God niet kennen, zooals Hij is. Men kan God niet op goddelijke wijze kennen. Al wat in de wereld over God gesproken wordt, kan niet als ware Godskennis worden aangemerkt. Zij staat niet op één lijn met de verhevenheid en waarheid Gods. Strikt genomen, kan men van God niets zeggen. Men kan alleen zeggen, wat Hij niet is.

Hier laat zich weer het geheel eigene en oorspronkelijke van het Godsbesef herkennen : God is de geheel andere of in één woord: Hij is niet, wat het schepsel is. Zoo blijft daar niets anders over dan een abstracte gedachte, zonder beweging, zonder betrekking, zonder veelheid, zonder maat, zonder bepaling. Ten slotte kan men zeggen, dat ook zulk een gedachte niet God is.

Tegenover de natuurvergoding van het naïeve heidendom staat deze houding der onwetendheid van de denkende rede, die zich op de kennis der Godheid richt. Zij komt tot de conclusie van de onkenbaar­heid Gods. Op haar eigen grondstelling doorgaande, kan zij ook de openbaring niet erkennen. Immers de afstand tusschen den mensch en God is zoo groot, dat Hij niet wezenlijk door het schepsel kan worden gekend. Ook de voorstellingen der geopenbaarde Godskennis kunnen met het wezen niet overeenkomen.

De slotsom is, dat kennis van God onmogelijk is en wat men daarvoor houdt is geen ware kennis.

Hoe staan wij nu tegenover deze redeneering, die intusschen nog niet is uitgestorven ? Zonder tegenspraak kan men zeggen, dat God onkenbaar is. In Zijn goddelijke heerlijkheid en verhevenheid boven al wat ademt en schepsel is, ligt dat reeds besloten. Geen schepselmatig verstand kan in het Wezen Gods indringen. Indien de mensch zich zulk een vermogen toekent, trekt hij den hoogen God naar beneden en maakt Hem gelijk met het schepsel. Dan immers zou God binnen het bereik van ons verstand vallen. Dan zou het menschelijk verstand goddelijk en God menschelijk moeten zijn. Wie dat doet, maakt den mensch tot een god, ja, feitelijk tot een soort hoogeren god. De mensch zou over God beschikken en door zijn geest over Hem heerschen op de wijze, zooals hij door kennis en onderzoek over de aardsche dingen heerschappij verwerft.

Maar zelfs, indien voor een oogenblik wordt aangenomen, dat het menschelijk vermogen tot God reikte, dan nog ware het ongerijmd en in strijd met het wezen van Gods verheven Majesteit, dat het schepsel Hem aan zijn kennenden geest zou kunnen onderwerpen, zonder dat Hij zich te kennen geeft.

Ook reeds uit dat oogpunt Zijner verhevenheid kan men de onkenbaarheid Gods verstaan. Al ware Hij kenbaar voor den mensch, dan nog zou Zijn kenbaarheid ondergeschikt zijn aan Zijn wil. Hij zou slechts gekend worden, als Hij gekend wilde zijn.

Nog even doorgaande in dezen zin, zou men dus tot het tegengestelde van openbaring moeten besluiten. God zou kenbaar zijn voor allen, maar als Hij niet gekend wilde zijn, zou Hij zich verbergen. In plaats van openbaring, moesten wij dan een leer van verhulling of verberging uitdenken om te verklaren, waarom God niet door allen gekend werd.

Hiertegen kan men inbrengen, dat wij, sprekende van Gods wil, op menschelijke wijze over God spreken, zoodat ook dit geen ware Godskennis is. Men kan daarop antwoorden, dat men met evenveel recht kan zeggen, dat God verheven is boven het menschelijk willen als boven het menschelijk kennen, zoodat Gods verhevenheid boven het schepsel niet te vergeefs als een grond wordt aangevoerd voor des menschen afhankelijkheid en onvermogen.

In ieder geval kan men de stelling niet betwisten, dat God wezenlijk onkenbaar is, zoodat de mensch Hem niet met zijn verstand kan omvatten of begrijpen. Vervolgens ook, dat Hij slechts kan gekend worden voor zooverre en op de wijze, zooals Hij zich te kennen geeft en hoedanig Hij wil gekend zijn.

De mensch, die bij de verhevenheid Gods boven al het aardsche blijft staan, en dientengevolge alle menschelijke Godskennis als niet in overeenstemming met Zijn wezen afwijst, heeft geen andere toevlucht dan : wij weten niet en kunnen niet weten. Het merkwaardige is, dat zij nochtans schrijven over hetgeen zij niet weten. Reeds werd opgemerkt, dat op dit standpunt ook de geopenbaarde Godskennis niet als zoodanig wordt erkend.

Het menschelijk onvermogen om God in Zijn verhevenheid te kennen sluit echter niet in, dat God Zich aan den mensch niet kan bekend maken. Dezelfde God, die alle dingen heeft voortgebracht door het Woord Zijner kracht, is ook machtig om den mensch Godskennis te schenken. In de kennisse Gods is het leven van den mensch. Hij, die het aardsche leven schiep en onderhoudt, kan ook het eeuwige leven geven en onderhouden. De Heilige Schrift leert ons, dat daarin het eeuwige leven is, dat zij God kennen en Jezus Christus, Dien Hij gezonden heeft. (Joh. 17 : 3).

De Heere God wil gekend zijn, opdat Hij uit het schepsel verheerlijkt worde. Daartoe heeft Hij de schepping voortgebracht, welke Zijn eere verkondigt. Daartoe schiep Hij den mensch naar Zijn beeld en openbaarde Hij zich op een geheel bijzondere wijze in de vleeschwording des Woords. Daartoe ook vergadert Hij zich een gemeente, die gerechtigheid en het eeuwige leven zal deelachtig zijn dn Christus Jezus. De profeet zegt: de aarde zal vol zijn van de kennis des Heeren.

Ook de man des geloofs staat voor de verhevenheid en ondoorgrondelijkheid Gods. De belijdenis des geloofs noemt onder de deugden Gods Zijn eeuwigheid en onbegrijpelijkheid. (Art. 1). God bewoont een ontoegankelijk licht. (1 Tim. 6 : 16). Hij woont in de donkerheid, in het verhevene. (Ps. 97 : 2, 9). Mijne gedachten zijn hooger dan ulieder gedachten. (Jes. 55 : 9).

De Geest Gods onderzoekt de diepten Gods en slechts wat Hij daaromtrent openbaart kan tot onze kennis worden door dienzelfden Geest.

Zoo belijdt het geloof de onkenbaarheid Gods, maar daarom is God geen onbekende, want Hij maakt zich bekend op de wijze, zooals Hij gekend en gediend wil zijn. Degenen nu, die vóór alles de onkenbaarheid van God op den voorgrond stellen, zijn met deze kennis niet tevreden. Want, zoo zeggen zij, die voorstellingen en gevoelens des geloofs zijn menschelijk en komen met het wezen Gods niet overeen. Het goddelijke Wezen, gelijk dat op zich zelf in Zijn verhevenheid is, blijft verborgen.

De kerk zal dat niet weerspreken en Luther maakte zelfs onderscheid tusschen den verborgen God en den geopenbaarden God.

Deze onderscheiding verdient echter geen aanbeveling, omdat zij aanleiding geeft tot misverstand. Het is wel waar, dat God naar Zijn Wezenheid voor ons verborgen is, en in dat opzicht een verborgen God kan worden genoemd. Gaat men daartegenover nu van een geopenbaarden God spreken, dan dreigt het gevaar van aan twee Goden te denken. Deze onderscheiding wordt lichtelijk een scheiding.

De geopenbaarde God is toch dezelfde God, die een verborgen God wordt genoemd. Ook als men den Zoon, het eeuwige Woord, het vleeschgeworden Woord voor den geopenbaarden God houdt, omdat God zich in en door Hem heeft geopenbaard, is Hij toch niet gansch en al geopenbaarde God, want Hij is één in Wezen met den Vader en den Heiligen Geest.

Ook in de Godheid des Zoons is de ondoorgrondelijke diepte der Godheid. De Zoon is evenzeer de verborgen God en de geopenbaarde God. De onderscheiding brengt ons dus in geen enkel opzicht verder. Wel is er onderscheid in het kennelijke Gods en de onkenbaarheid Gods, hetgeen van God kennelijk is en hetgeen niet kennelijk is. En dan verstaan wij onder het kennelijke Gods datgene, wat God kennelijk maakt in de algemeene en in de bijzondere openbaring, zooals Hij dat door Zijn Geest te kennen geeft.

Het kennelijke Gods is bovendien een Schriftuurlijke uitdrukking, die van zelf stelt, dat er een niet-kennelijke Gods is. (Rom. 1 : 19). Daarom kan men veel beter spreken van het verborgene en het geopenbaarde Gods dan van een verborgen en een geopenbaarden God. Deze wijze van uitdrukken houdt vast aan de eenlieid van het goddelijk Wezen, en aan het karakter der openbaring, dat God uit Zijn goddelijke zelfkennis, die voor alle schepsel ontoegankelijk en verborgen is, mededeeling doet aan het schepsel op een wijze, die met het wezen en de bestemming van den mensch overeenkomt.

De scheppende macht Gods treedt ook in Zijn openbarende daad aan het licht. Hij heeft den mensch geschapen om van hem gekend te worden, en gelijk Hij het willen en het volbrengen werkt, werkt Hij ook het kennen des geloofs. De afstand, welke daar is tusschen het schepsel en God, neemt niet weg, dat wij in Hem zijn, leven en bewegen. (Hand. 17 : 28). Zoo verhindert ook die afstand en wezenlijke onderscheiding niet, dat de eeuwige God met Zijn schepsel in levende relatie treedt als de gekende God.

Geenszins zouden wij willen beweren, dat wij de scheppende en openbarende werkzaamheid Gods zouden kunnen begrijpen. Het is een onbegrijpelijk mysterie, maar door het geloof verstaan wij, dat God de wereld heeft geschapen en door het geloof kennen wij den Onkenbare, ge­lijk Hij zich jegens ons openbaart.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Onkenbaar en toch gekend

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken