Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Organisme en instituut

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Organisme en instituut

8 minuten leestijd

Gehoorgevend aan het beroep van onzen medewerker Ds Vermaas, die de kerkelijke pers van week tot week behandelt, willen wij gaarne over de door hem aangeroerde zaken een en ander opmerken.

Over organisme en instituut zullen wij niet al te lang uitwijden. Uit de weergave van Ds V. is wel gebleken, dat men het daarover niet heelemaal eens is, noch ook over de consequenties van het ingenomen standpunt voor de beschouwing van de taak der kerk.

Inderdaad duiden de woorden organisme en instituut op een verschillenden zin. Een organisme is een levende zaak. Men kan b.v. het menschelijk lichaam een organisme noemen en wijst daarmede tegelijkertijd op de zelfstandigheid en de harmonische saamwerking van de verschillende organen, die het lichaam vormen. Zoo is een orgaan wat anders dan een werktuig. De hand is een orgaan van het menschelijk lichaam, aan het leven van het lichaam innerlijk verbonden en bewogen door de hoogere organen van het zenuwstelsel, doende wat de geest, die in het lichaam woont, gebiedt. Het organisme wordt naar een innerlijke levensorde door een geestelijk beginsel geregeerd. Zoo wordt de ziel van den mensch een levensprincipe genoemd.

Een werktuig mist die levende betrekking en saamhang met het organisme. Het is op zich zelf een dood ding : Denk aan de geeedschappen van den werkman, aan den ploeg van den landbouwer, e.d.g. Die werktuigen krijgen eerst waarde en voldoen eerst aan haar bestemming, zoodra zij door bekwame hanid worden geregeerd. Dan worden zij a.h.w. verlengstukken van de hand in dienst van den geest, die de hand bestuurt.

Een soortgelijke vergelijking kan men maken tusschen het organisme der kerk en het instituut. Organisme is een levende zaak en instituut op zich zelf beschouwd is een doode vorm. Het instituut is als een werktuig, hetwelk zijn werking en bestemming verkrijgt, als het wordt gehanteerd door het organisme.

Spreken wij dus van het organisme der kerk, dan staat ons Paulus' vergelijking met het lichaam voor den geest. Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en alle de leden van dit ééne lichaam vele zijnde maar één lichaam zijn, alzóó ook Christus. (1 Cor. 12). Paulus handelt hier over de organische eenheid en over den harmonischen saamhang der gemeente des Heeren, zijnde één lichaam met vele leden : n.l. het Lichaam des Heeren. En gijlieden zijt het lichaam van Christus en leden in het bijzonder, (vs. 27)

Men zou dus kunnen zeggen : hier wordt de kerk als organisme geteekend, hoewel dit woord niet zoo bijzonder schoon is. Wat men daarmede op het oog kan hebben, wordt door de volgende verzen nog weer verduidelijkt: En God heeft er sommigen in de gemeente gesteld, ten eerste tot apostelen, ten tweede profeten, ten derde leeraars, daarna krachten, daarna gaven der gezondmakingen, behulpsels, regeeringen, menigerlei talen. (vs. 28).

In het voorafgaande heeft de apostel herinnerd aan de verschillende waardeering. die wij aan de leden van het lichaam toeschrijven, (vs. 22, 23). Wij spreken van hoogere en lagere organen. De apostel erkent dat tot op zekere hoogte, maar komt tusschenbeide met zijn : maar God heeft het lichaam alzoo samengevoegd, opdat geen tweedracht in het lichaam zij, maar alle leden voor elkander gelijke zorg zouden dragen, (vs. 24, 25).

Zoo is het ook met Met lichaam des Heeren. Hij noemt de apostelen in de eerste plaats, daarna de profeten, dan de leeraars, enz., terwijl hij ook de geringste leden niet uitsluit, (vs. 31).

Intusschen teekent hij een duidelijk beeld van het geheel, als hij de leden of organen van het lichaam van Christus op deze wijze voor oogen stelt. Gelijk het menschelijk lichaam als een beeld van harmonische saamwerking verschijnt, zoo ook de gemeente des Heeren. In deze vergelijking van den apostel heeft men dan ook een goeden grond om van het organisme der kerk te spreken.

In de eerste plaats ziet dit op de gemeente des Heeren als geheel: de eene heilige, algemeene. Christelijke kerk, de vergadering der uitverkorenen in haar volheid.

In zooverre heeft dit herhalve betrekking op de onzichtbare kerk, aangezien deze als geestelijke werkelijkheid onzichtbaar is.

Toch behoeft dit geen moeilijkheden op te leveren bij de vraag omtrent de zichtbare kerk. Wij hebben kunnen opmerken, dat men met het er niet over eens blijkt te zijn, of men sprekende over de kerk als organisme handelt over de zichtbare of de onzichtbare kerk.

Men zou toch over de onzichtbare kerk niet kunnen spreken, als zij niet openbaar en zichtbaar in de wereld werd. Het is altijd de zichtbare kerk, die over de onzichtbare spreekt. Daarom, zoodra men het over de onzichtbare kerk heeft, heeft men het ook over de zichtbare.

Het lichaam des Heeren toch wordt in de kerk op aarde openbaar. Dat treedt als lichaam des Heeren in de zichtbaarheid door den levendmakenden Geest, die woning maakt op aarde. Kan dan het lichaam, dat is het wezen van wat men noemt het organisme, anders dan als zoodanig openbaar zijn? Zoo behoort dit zoowel tot de onzichtbare als tot de zichtbare kerk.

Als Paulus de apostelen en profeten noemt, geeft hij daarvan reeds een klaar bewijs. De Heere heeft het lichaam Zijner kerk alzóó samengevoegd, dat Christus is het Hoofd, terwijl de apostelen en profeten, de leeraren en wat door den apostel verder wordt genoemd aan krachten, behulpsels, en gaven en zoo alle leden in het gansche geheel hun roeping en bestemming hebben, terwijl Hij dit alles in en door Christus vervuld heeft en vervult. Ambten en ambtsdragers, gaven en bedieningen zijn daarin begrepen.

Alleen — wat van het menschelijk lichaam werd gezegd, moet bij vergelijking ook op het Lichaam van Christus worden toegepast en op geestelijke wijze worden verstaan — de werking der leden en organen wordt geleid door een orde van saamvoeging, welke God heeft geschapen. En gelijk het lichaam is onderworpen aan den geest, die daarin woont, zoo wordt het Lichaam van Christus met al zijn leden en organen dienstbaar gemaakt aan den Wil Gods en door het Hoofd geregeerd. In het lichaam des Heeren heerscht de Geest des Heeren.

Dit geestelijk werk maakt de kerk openbaar en zichtbaar, hoewel het op zichzelf toch weer verborgen blijft.

Ook hier kan de vergelijking met het menschelijk lichaam eenige opheldering brengen. Wij kunnen de werkingen van de organen van buitenaf ten deele waarnemen en door inwendig onderzoek bestudeeren, maar het leven en zijn diepere werkingen blijft een verborgen zaak. Wij zien de orde en organisatie van buiten af, maar niet in haar innerlijke bewegingen. Zoo is het ook met de openbaring van het Lichaam van Christus. In hetgeen voor oogen is, de zichtbare kerk, nemen wij slechts den buitenkant waar, en wij dragen slechts daarom van de onzichtbare dingen eenige meerdere kennis, omdat de Heere daaromtrent door Zijn Woord en Geest kennis geeft. Wij weten, dat Hij Zijn kerk vergadert en onderhoudt, dat Hij krachten en gaven geeft, ambten en bedieningen heeft ingesteld, gebiedt om Zijn Woord te prediken en te bewaren — wij weten, dat Hij door Zijn Geest regeert om als het welbehagen des Vaders te doen.

Door de verlichtende en levenwekkende werking van den Heiligen Geest wordt de kerk niet alleen openbaar, maar treedt zij ook in het instituut, neemt zij orde en vorm aan op aarde.

Het instituut is en blijft een hulpmiddel van het geestelijk organisme, dat door het Hoofd wordt geregeerd. In zijn geestelijke realiteit behoeft het Lichaam van Christus geen instituut, omdat het een lichaam is. In de eeuwigheid is geen kerkinstituut. Het is een aardsche vorm en gestalte, welke de kerk in haar openbaring aanneemt om haar taak en roeping te vervullen.

Aan het organisme der kerk kunnen de menschen niets veranderen, doch ten aanzien van het instituut der kerk betoont de mensch een vrijheid, die zelfs buitensporig kan zijn, omdat hij daarbij meer laat gelden, hoe hij de taak en roeping der kerk ziet, dan hoe Gods Woord hem dienaangaande inderricht.

Zoo nemen b.v. de apostelen en profeten geen plaats in het instituut der kerk in, maar God heeft hen een uitzonderHjke plaats en roeping gegeven in het organisme Zijner kerk. Daarentegen zijn de leeraars, de krachten, de behulpsels en wat de apostel verder noemt, saamgevoegd in het organisme der kerk, terwijl zij ook in de orde van het instituut een plaats opeischen.

Daar is een onmiddellijke betrekking tusschen het organisme en het instituut, omdat dit laatste dienstbaar is aan het eerste, gelijk het organisme door het Hoofd wordt geregeerd. Dientengevolge is het instituut geen onverschillige zaak, welke aan den willekeur van de menschen is overgelaten. Het is gezet om het lichaam van Christus te dienen en niet slechts het lichaam, maar Christus zelf, die het Hoofd van het lichaam is.

Het instituut is dienstbaar aafi de taak en roeping der kerk. Hoewel deze stelling op zichzelf juist is, leert de ervaring, dat men de taak en roeping der kerk voorbijzien of anders opvatten kan dan Christus heeft geleerd. Dit weer leidt tot het gevolg, dat men het instituut der kerk naar zulk een verkeerde opvatting inricht, zoodat het, daaraan dienstbaar gemaakt, een belemmering wordt voor de vervulling van de eigenlijke roeping der kerk.

Organisme en instituut hebben dus metterdaad iets te maken met de taak en roeping der kerk. Doch het is alzoo, dat de mensch over het organisme niets te zeggen heeft. Dat werkt op een verborgen en volkomene wijze onder Christus, het Hoofd der gemeente. En wat het instituut aangaat, zijn orde en inrichting is afhankelijk van de prinaaire vraag, welke de Wil van Christus zij omtrent de taak en roeping der kerk en haar orde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Organisme en instituut

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken