Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

In het teeken van den Doop

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

In het teeken van den Doop

7 minuten leestijd

Wat omtrent doop en besnijdenis werd opgemerkt, is slechts één kant van de zaak, welken sommigen wellicht den uitwendigen kant willen noemen. Het zij zoo, indien men slechts toegeeft, dat de Heilige Schrift dezen kant niet wil veronachtzaamd hebben.

De practijk leert dan ook, dat zulk een nalatigheid op verachting van Woord en Sacrament uitloopt. Daartegen nu moet vóór alles gewaakt door heel de gemeente. En het ligt voor de hand, dat men de wacht betrekken moet bij hetgeen openbaar wordt in het leven der kerk, want het verborgene valt buiten de macht en bevoegdheid van , den mensch. De kerk kan haar opzicht en tucht over haar „doopleden" niet prijsgeven zonder zich zelve schuldig te maken aan ontrouw.

Opzettelijk gebruiken wij het woord „doopleden", om er op te wijzen, dat dit woord zoo al niet onjuist, dan toch minder geschikt is, Omdat het aanleiding geeft tot misverstand. Men zou er door kunnen verstaan dat „doopleden" wegens hun gedoopt zijn lidmaten worden geacht. Dat is echter niet zoo. De eenige beteekenis, welke men daaraan met eenig recht kan toeschrijven, is die eener onderscheiding van lidmaten, die ook belijdenis hebben gedaan. Want, zooals wij hebben aangetoond, leert de Schrift (en ook het Doopformulier), dat de kinderen der geloovigen lidmaten van Christus' gemeente zijn en daarom behooren gedoopt te wezen.

Er zijn alzoo twee soorten van lidmaten: zij, die door geboorte uit geloovige ouders lidmaten zijn en zij, die van buiten af tot de kerk zijn toegetreden of, zooals de belijdenis zegt: zich bij de kerk voegen. Deze laatsten worden gedoopt, als zij belijdenis doen.

De eersten vallen in twee groepen uiteen ; zij, die als kind gedoopt werden en niet of nog niet belijdenis deden, en zij, die dit wel deden. Vandaar het spraakgebruik van „doopleden" en belijdende leden. Over rechten, die al of niet aan deze leden in het kerkelijk leven worden toegekend. spreken wij thans niet. De "doopleden" staan in het doopboek en de belijdende leden in het lidmatenboek. Doch wij spreken over de gemeente, zooals die naar den aard harer aardsche openbaring bestaat, en dan heeft zij met lidmaten door geboorte en lidmaten door toetreding van buiten af te doen. En het spreekt vanzelf, dat haar zorg, opzicht en tucht over die allen gaat.

En wat nu de diepere geestelijke zijde van den doop als het bad der, wedergeboorte aangaat, deze ontbreekt, ook niet aan de besnijdenis. De Schrift spreekt van de besnijdenis des harten. De lichamelijke besnijdenis en de besnijdenis des harten zijn twee zaken, of zoo men dit uitdrukt, het teeken en de beteekende zaak. Daarin  komt het sacramenteele karakter der besnijdenis uit. Zij heeft den sacramenteelen zin met den Doop gemeen, hoewel wij de besnijdenis geen Sacrament plegen te noemen. Het sacramenteele is echter wel aanwezig. 

De besnedene is nog geen besnedene des harten, omdat de sacramenteele handeling aan hem werd verricht, en zoo is de gedoopte niet wedergeboren, omdat het Sacrament aan hem werd bediend. De beteekende zaak vindt geen oorzaak in het teeken, maar in het welbehagen Gods.

Toch is er, een verborgen betrekking, welke daarin tot uitdrukking komt, dat de besnedene geen heiden is, ook al wordt hij niet onder de besnedenen des harten geteld. Zoo is ook de gedoopte geen heiden, schoon hij onder de wedergeborenen niet wordt gevonden.

Hier staan wij weer voor de algemeene en bijzondere verkiezing, of zoals Gomarus het uitdrukte: uitwendig en inwendif Verbond. 

Het gaat om de verborgen betrekking tusschen het teeken en de beteekende zaak, welke sacramenteele betrekking  zou kunnen worden genoemd. Doop en wedergeboorte zijn door een sacramentieele betrekking verbonden, welke niet mag worden overgedragen op den gedoopte, maar wie gedoopt werd, werd in die sacramenteele relatie tot de beteekende zaak gezet. Hij wordt in het sacramenteele verband opgenomen. Dat geldt zoowel van den enkeling als van de gedoopte gemeente als geheel. Zij is in een sacramenteele relatie tot de beteekende zaak als geestelijke werkelijkheid gezet.

Ziet men op de gemeente als vergadering der gedoopten, dan verschijnt zij onder deze sacramenteele relatie. Zij draagt het karakter eener sacramenteele zichtbaarheid van de geestelijke werkelijkheid, welke God in haar midden door, de inwoning des Heiligen Geestes aan Zijn uitverkorenen vervult.

De betrekking van den Doop, zijnde het bad der wedergeboorte, tot de beteekende zaak, d.i. de wedergeboorte als daad Gods, is een objectieve door God zelf gegeven relatie. 

Deze betrekking is dus in Gods hand en niet in de handen van den mensch. Alleen de bediening van het Sacrament is der kerk bevolen. Het behoort bij het Sacrament, dat het bediend wordt. Christus beveelt het evangelie te prediken en te doopen. En er is eerst van doopen sprake niet als wij over den Doop spreken, maar als daar gedoopt wordt, als daar een doopeling is en een daartoe bevoegde dooper, die deze sacramenteele handeling naar de inzetting verricht. (Denk aan Filippus en den Moorman).

In dien zin, als sacramenteele handeling op Gods bevel en overeenkomstig de instelling is de doop een Sacrament, d.i. een teeken van de beteekende zaak.

Dus niet als iets, dat in de lucht hangt en boven de gemeente zweeft, ook niet als object van theologische discussie, maar als zichtbare handeling. Zoo alleen is de doop een zichtbaar waarteeken en zegel, waarvan de Catechismus spreekt (Zondag 25).

Dat zichtbare waarteeken en zegel is er niet, wanneer daar geen dooper en doopeling, geen doopen en gedoopt worden is. Dooper en doopeling zijn evenzeer als het water in het teeken begrepen.

Niet het water, maar het bad, de afwassching, de reiniging is het teeken, waarvan de besprenkeling dan nog slechts een symbool is. (Zie Catechismus vr. 71). De doop is een afschaduwing van het reinigend bad, als symbool van de afwassching der zonden door Christus, n.l. door Zijn bloed en Geest.

Als wij dooper en doopeling bij het teeken betrokken, was dat alleen om de sacramenteele handeling duidelijk voor den geest te roepen als doopen en gedoopt worden. Het gaat louter om het Sacrament als zichtbaar teeken en dat is de doop als handeling.

Waarom wij daarop zoo met nadruk wijzen? Omdat de betrekking tusschen teeken en beteekende zaak, welke God daaraan heeft gegeven en welke Hij in Zijn hand houdt, hangt aan den Doop als sacramenteele handeling. M.a.w. als Christus de bediening van Woord en Sacrament aan Zijn kerk beveelt, staat de kerk als doopende en gedoopte kerk in het teeken des Verbonds. Zij is een voortdurende en zichtbare door de geslachten heenloopende openbaring van het Verbond der genade, evenals Israël dat was door de besnijdenis. Zij is een zichtbare openbaring van de verborgenheid van Christus, die in haar midden op een geestelijke wijze wordt gekend.

Gelijk de kerk door de prediking des Woords als hoorbare getuige van die verborgenheid in de wereld staat, verschijnt zij door de bediening van het Sacrament als zichtbaar teeken daarvan.

Als vergadering van gedoopten is zij door den band van het sacrament van den Doop verbonden. Deze sacramenteele band geeft een zichtbaarheid aan het Verbond als teekening en afzondering van een onder Gods Verbond gezet volk. En hoewel het door den Doop wordt gericht op de kennis der verborgenheid van Christus, de beteekende zaak, geeft deze sacramenteele band uitdrukking aan wat Calvijn noemt de algemeene verkiezing. En in dit licht is het ook begrijpelijk, dat men van uitwendig Verbond ging spreken. Er is in ieder geval een verhouding van de gemeente, zooals zij gezien wordt, tot de levende kerk, zijnde de vergadering der uitverkorenen of het lichaam van Christus, welke overeenkomst heeft met die van het sacrament en de beteekende zaak. Het sacrament is een zichtbaar teeken en zegel van een geestelijke werkelijkheid. Zoo is de zichtbare kerk ook een bewijs, dat God het werk Zijner genade naar Zijn Verbond vervult.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

In het teeken van den Doop

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken