Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Calvijn en Servet

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Calvijn en Servet

9 minuten leestijd

Er is al heel wat te doen geweest over de verbranding van Servet. En niet het minst heeft Calvijn, de hervormer, 't hierbij moeten ontgelden. Hij zou een Gereformeerd inquisiteur geweest zijn, die waarlijk niet onder deed voor de Roomsche inquisiteurs. Over deze kwestie wordt altijd nog veel gesproten en gevraagd. In het weekblad „De Geref. Kerk" werd hierover een vraag gesteld aan Dr Van Itterzon, uit Den Haag. Deze geeft hierop een uitvoerig antwoord, dat ongetwijfeld velen licht in deze moeilijke aangelegenheid zal brengen.

Dr. Van I. zegt dan, dat Calvijn in het jaar 1536 een boek geschreven heeft, de Institutie (onderwijzing) van den Christelijken godsidienst. Dit zal meerderen onzer lezers bekend zijn. Maar, wat de meesten zeker niet weten is, dat Servet in 1553 een werk uitgaf dat de titel droeg: Restitutie (herstel) van het Christendom. Dit boek stond vierkant tegenover Calvijn's boek. Van Servet wordt het volgende medegedeeld : Zijn geboortejaar en zijn geboorteplaats zijn onbekend. In elk geval was hij een Spanjaard, misschien uit Villanova in Arragon, die reeds vroeg om zijn ketterijen uit Basel en Straatsburg werd gewezen. Daarna woonde hij onder de schuilnaam Michel de Villeneuve in verschillende plaatsen als dokter en werkte in dien tijd aan zijn boek : Restitutie. Met groote felheid heeft hij in dit boek zich gericht tegen de Drieëenheid, de rechtvaardiging door 't geloof en de kinderdoop.

Reeds in 1534, dus ruim 20 jaar tevoren, zou er een debat zijn tusschen Calvijn en Servet in Parijs. Calvijn kwam, hoewel het voor hem niet zonder gevaar was, om Servet van zijn dwalingen terug te brengen of hem met Gods Woord te bestraffen. Maar Servet Jcwam niet. Later is er nog een spannende briefwisseling tusschen beide geweest. Deze werd echter afgebroken en bleef zonder resultaat. Met veel moeite kon Servet zijn boek gedrukt krijgen. Hij leefde in de verbeelding, dat zijn boek de invloed van Calvijn's Institutie wel zou breken. Zijn naam was voor oningewijden in zijn boek niet te vinden. Het geheim was echter spoedig ontdekt, omdat hij de Institutie aan Calvijn terug gezonden had met spottende kantteekeningen. Hoe hij over de Drieëenheid dacht, blijkt duidelijk uit wat hij schreef aan een Predikant : „Uw Evangelie mist het ware geloof en de goede werken. Inplaats van den eenigen God, hebt gij een driekoppigen Cerberus (helhond), inplaats van het ware geloof een verzonnen noodlot". In deze tijd nu is er een briefwisseling tusschen een zekere De Trie, die om zijn geloof uit het Roomsche Lyon moest vluchten en zijn Roomschen neef, die vurig begeert dat De Trie weer Roomsch wordt.

De Trie wil dat niet. Deze spreekt er zijn verontwaardiging over uit, dat Evangelie-belijders door de Roomschen in Lyon in de gevangenis worden gezet en dat de brandstapel hen wacht, terwijl men in die zelfde streek een man als Servet, die Christus een afgod noemt en alle grondslagen van het geloof ondermijnt, ongestraft laat. Nu wordt echter Servet verhoord en deze ontkent alles en zweert een trouw zoon der Kerk te zijn. Wat moet De Trie nu ? Zal Calvijn de brieven, die hij van Servet heeft, ter inzage willen geven, om daaruit aan te toonen wie Servet toch waarlijk is ? Eindelijk is het gelukt, 't Blijkt dat het absoluut onjuist is dat Calvijn aan De Trie brieven in handen gespeeld heeft om Servet uit den weg te ruimen. De Trie schrijft zelf : „Het kostte groote moeite, inliggende brieven van Calvijn los te krijgen. Wel wenscht hij, dat de lasteringen van Servet gestraft worden, doch het komt hem niet toe, zegt hij, het rechterlijke zwaard te voeren ; liever wil hij de dwaling door terechtwijzing dan door vervolging uitroeien. Hij gaf eerst toe, toen ik hem duidelijk maakte, dat, als hij mij niet terwille was, men mij van ondoordachten laster zou betichten".

Servet werd nu door de Roomsche inquisitie tot den vuurdood veroordeeld. Hij wist echter te ontvluchten. Nu verbrandde men zijn beeltenis en vijf pakken van zijn boeken. Servet houdt zich; vier maanden schuil. Dan gaat hij, op reis naar Italië, over Geneve. Dat was zeer gevaarlijk. Want in 1546 schreef Calvijn aan Farel : „Wanneer Servet naar Geneve komt, zal hij er, ingeval mijn woord eenigszins van gewicht is, niet levend afkomen". Toch kwam Servet, omdat Calvijn in 1553 juist een zeer critieke tijd doormaakte. De Libertijnsche Raad wa« hem tegen en de Libertijnen wonnen in de stad aan invloed. Libertijnsche voormannen stonden aan Servet's kant. Als Calvijn en zijn leer eens ten val konden worden gebracht! Calvijn's Institutie vervangen door Servet's Restitutie ! Calvijn laat Servet gevangen nemen. Maar Servet gevoelde zich zeker van zijn zaak en hoewel men in dien tijd over en weer aan 't gebruik van forsche woorden gewend was, is het toch wel teekenend, dat Servet het volgende dorst zeggen tot Calvijn : „Simon de toovenaar, misdadiger, moordenaar, ellendeling, leugenaar, kwaadaardige twistzoeker, belachelijke dwerg, denk je de ooren van de rechters te kunnen betooveren met je hondsch geblaf ? "

Calvijn schrijft over het twistgesprek aan farel, dat Servet's waanzin zoo ver ging, te zeggen, dat er ook in de duivelen iets goddelijks is. In iederen duivel zouden zelfs meerdere goden wonen, omdat een goddelijke kracht zoowel met hen, als met hout en steen in wezen één geworden is. En let dan op deze woorden van Calvijn: „Ik hoop, dat het oordeel althans op doodstraf uitvalt. Het is echter mijn wensch, dat de verschrikkelijkheid van de voltrekking der straf verzacht zal worden''. Farel kon zich met dit schrijven niet zoo best vereenigen. Hij wilde, dat Calvijn krachtiger optrad. Hij schreef : „Als gij wilt, dat men de gruwelijkheid van de straf van Servet verzacht, handelt ge als vriend tegenover een man, die uw aartsvijand is. Maar wat ik u bidden mag, handel op zoodanige wijze, dat niemand den moed meer hebbe nieuwe leerstellingen te verkondigen en ongestraft verwarring te stichten, even lang als deze man dat deed".

Servet schreef in 1553 aan de Raad van Geneve dezen brief :

„Daarom, mijne heeren, verlang ik, dat mijn valsche aanklager met de straf der wedervergelding gestraft worde ; en dat hij evenals ik gevangen gezet worde, totdat door zijn dood of den mijne of door een andere straf de zaak beslist zal zijn".

Servet eischte zelfs, dat Calvijn zou worden verbannen en dat Calvijn's bezittingen aan hem. Servet, zouden komen. Veel zou hij dan niet gehad hebben, want Calvijn bezat niets van waarde ! Hier slaan we „een aangrijpende bladzijde" uit Calvijn's levensboek op. Calvijn moest er onder. De advocaat van Servet was de Libertijn Berthelier. Dezen was het Avondmaal ontzegd om zijn levenswandel. Hij dreigde, toch aan den H. Disch te komen, 't Einde was, dat Calvijn echter stand hield en won, met gevaar van verbanning door den Raad. De Raad, die niet aan de leiband van Calvijn wilde loopen, vroeg raad aan de Gereformeerde steden van Zwitserland. Het eenparig oordeel was: Servet moet sterven. De Raad legde zich hierbij neer. Calvijn pleitte voor verzachting van de doodstraf, maar de Raad wees dit af. Hij zou tot asch worden verbrand met zijn boek. Bange vertwijfeling overviel Servet bij het hooren van deze tijding. De woorden van Farel troostten hem echter nog en hij had een goed gesprek met Calvijn. Servet vroeg Calvijn om vergeving.

Calvijn antwoordde: „Geloof mij, nooit heb ik u om een beleediging, die gij mij persoonlijk aandeedt, willen vervolgen. Herinnert gij u, hoe ik, zestien jaar geleden, in Parijs met gevaar voor mijn leven u heb willen ontmoeten, om u voor onzen Heere te winnen ? En daarna, toen gij de vlucht naamt, heb ik niet getracht, u in vriendelijke brieven den rechten weg te wijzen, tot gij, door mijn standvastigheid verbitterd, mij begont te haten ? Doch laten wiji niet over mijzelf, niet over het verleden spreken! Denk gij er wel aan, vergeving af te bidden van den eeuwigen God, dien gij zoo veelvuldig hebt gesmaad ; denkt gij er aan, u met den Zone Gods te verzoenen ? "

Helaas, Servet nam niets terug. Zijn laatste woorden waren : „O, God, bewaar mijn ziel! O, Jezus, Zoon van den eeuwigen God, ontferm U mijner!"

De verbranding heeft Calvijn niet gewild. Verder werd in die eeuw de terechtstelling van een ketter door velen gebillijkt, o. a. door Melanchton, Castellio en Servet zelf. Op initiatief van den grooten Calvijn-kenner Prof. Doumergue. is op de plaats waar de brandstapel van Servet heeft gestaan, een gedenkteeken ter verzoening opgericht. Het opschrift luidt:

„Als eerbiedige en dankbare zonen van Calvijn, onzen grooten Hervormer, doch zijn fout, die de fout was van zijn tijd, verwerpende en overeenkomstig de ware grondslagen van de Hervorming en van het Evangelie aan de vrijheid van geweten vasthoudende, hebben wij opgericht dit gedenkteeken ter verzoening, den 27 October 1903".

Hierna vraagt Dr v. I.: Waar blijft de Roomsche Kerk met haar monument ter verzoening ? Vele duizenden zijn immers als slachtoffer van de Roomsche Inquisitie verbrand.

Waar blijft de Revolutie met haar monument ter verzoening? In de Revolutietijd zijn velen door de Fransche zonen der „vrijheid" om hals gebracht. „In de stad van Calvijn is geen enkele Roomsche gedood, slechts één „godslasteraar", die in Geneve een geestelijke revolutie beoogde teweeg te brengen. Is nu één monument ter verzoening niet genoeg ? Welke Roomsche of Revolutionair durft hier nog spreken ? Vindt men het soms spijtig, dat het Woord Gods in Geneve zijn loop heeft gehad en de opzet der tegenstanders van Calvijn is mislukt ? "

We gelooven, dat men nog wel meer monumenten zou willen hebben. Om de Hervormden al maar te laten boeten voor de barbaarschheid van dien Calvijn ! Maar inderdaad geeft men zich hier al te zeer bloot, 't Gaat niet zoozeer om Servet en om de „wreedheid" van Calvijn. 't Wordt door sommigen misschien wel een prachtstok gevonden om de hond te slaan. Hier spreekt de teleurstelling over de zegevierende kracht van het Woord Gods. Hier is veel haat tegen „de nieuwe leer''.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Calvijn en Servet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken