Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Godskennis en zonde

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Godskennis en zonde

8 minuten leestijd

Uit het voorafgaande is gebleken, dat de zonde geen oorzaak heeft genomen in gebrek aan Godskennis. Heel anders treedt dit laatste op den voorgrond in de doorwerking der zonde en het Godsoordeel. Verijdeling werkt door in duisternis des verstands. Bovendien brak de zonde de gemeenschap Gods, welke het kenmerk der bijzondere openbaring is. Deze is voorts een geheel vrije en souvereine daad Gods. Hij openbaart Zich, als Hij wil en aan wien Hij zich openbaren wil. Daarom kan God ook in gemeenschap treden met den gevallen mensch, maar de mensch blijft verstoken, indien God Zich niet openbaart. De toorn Gods wordt daarin openbaar, dat God den zondaar overgeeft in zijn eigen weg. (Rom. 1). Dat is het oordeel. Uit dit alles volgt, dat gebrek aan Godskennis wel aan den staat der zonde eigen is, maar de zonde vindt geen oorzaak in zulk gebrek. Zij vindt oorzaak in de ongehoorzaamheid, draagt een zedelijk karakter en schuilt in het gebied van den wil: begeerte, genegenheid, gezindheid. Niet zonder grond spreekt men van hoogmoed. De zonde gaat tegen de kennis van God in, zij wederstaat den geopenbaarden wil Gods. De genegenheid volgt niet de kennis van God, zoodat den wil Gods te kennen op zich zelf ook tengevolge heeft, dat de mensch dienovereenkomstig handelt. De mensch is geen machine. Hij kan tegen beter weten in handelen.

Daaruit volgt, dat de Godsvrucht niet in het verstand zetelt, zooals velen schijnen te meenen. Dan zou zij opgaan in gedachten en denkbeelden over God. Doch onderstel voor een oogenblik, dat het zoo ware, dat godsdienst opging in de gedachtenwereld aangaande God en de goddelijke dingen, hoe zou men weten, dat zulke gedachten de waarheid Gods grijpen?

Welke beteekenis moet men dan aan het denken van den mensch toeschrijven ? Want het gaat toch om de zekerheid van zulk een kennis. Hoe weet men, dat zij waar en zeker is ?

Men kan slechts één weg uit, om die te beredeneeren, n.l. dat het denken de waarheid in zich heeft, ook de waarheid Gods. Dat kan men ook al weer niet buiten God om zoo stellen. Als het menschelijk denken de norm der waarheid aangaande God in zich zelf vindt, moet het goddelijk zijn. De onderscheiding van God en mensch zou dan opgeheven zijn. Op zich zelfs strijdt dit reeds met de eerste beginselen van het religieus besef, om niet te spreken van het geloof in God den Schepper en Onderhouder der wereld.

Doch ook al zou men deze tegenwerping niet laten gelden, de ervaring leert, dat de menschen zelfs over natuurlijke dingen niet gelijk denken en dat zij allermeest verschillen inzake de goddelijke dingen.

Het mag erg simpel klinken, maar dat is toch een vreemde zaak, indien men zou meenen, dat het denken de waarheid heeft. Men zou dan verwachten, dat alle menschen in deze dingen van dezelfde gedachten zouden zijn.

Daarmede hangt nog een practicale kwestie samen. Men redeneert heel veel over de mogelijkheid der Godskennis en over den maatstaf harer waarheid, alsof het allervoornaamste zou zijn, dat de mensch daaromtrent tot redelijke klaarheid en inzicht zou komen, alvorens zijn hart daaronder te buigen. Het geloof is echter zoo iets geheel anders en heeft met die redelijke klaarheid weinig of niets uit te staan.

Maar dan verder, indien de kennis van God en Zijn Wil, de zonde niet uitsluit, zooals ons door de Heilige Schrift geleerd wordt, wat baat het den mensch, zoo hij kennis draagt en hij mist het geloof en de volharding om te blijven in de dingen van het Koninkrijk Gods ?

Zoo kan ook al de wijsheid der wereld, of zij waarheid of waan bevat, niet schenken, wat het waarachtig geloof schenkt. En al wat niet uit het geloof is, is zonde.

Het zoeken der wijsheid, die uit den geest der wereld is, hangt den aardschen mensch van Adamswege aan. Het wijst terug op de conditie, waaronder de eerste mensch bestond en waarin hij gevallen is. Zijn val bewijst, dat de kennis hem niet heeft bewaard, hoewel zij gedurende zijn rechten staat in een Godvruchtig gemoed werd gedragen. Hij kende Gods stem aan het geruisch van den wind en was door God zelf onderricht. Nochtans is hij gevallen. Hij was aardsch uit de aarde en zooals hij was, zoo zijn degenen, die uit hem geboren zijn. (1 Cor. 15 : 45 v.v.)

Wij vallen onder hetzelfde aspect, zijn dezelfde natuur deelachtig. Daarom kunnen wij een hoofdvol geopenbaarde Godskennis hebben en nog vroom: zijn daarenboven en toch het geestelijke leven derven.

Het onderscheid tusschen Adam in rechtheid en ons schuilt niet in de natuur, maar in de verdorvenheid der natuur. Gelijk de aardsche, alzoo ook de aardschen. (Zie 1 Cor. 15 : 48). Hoe zou het anders kunnen, daar wij uit Adam zijn voortgesproten. Wij zijn met hem der menschelijke natuur deelachtig. De Schrift teekent ons, dat zij in hem reeds werd verdorven, zoodat wij zijn verdorven natuur erfelijk deelachtig zijn.

Alle nadruk valt op de verdorvenheid, dat is op de zonde en haar werking. Die verdorvenheid deelt zich aan alle werkingen der menschelijke natuur mede, maar naar den aard harer schepping blijft zij dezelfde.

Daaruit volgt, dat zij kennis kan nemen van wat God in Zijn openbaring zegt, dat zij daarover kan denken en theologiseeren, dat zij daaraan zekere vroomheid en godsdienstigheid kan paren, evenzeer als Adam en Eva de woorden Gods bewaarden en, zooals uit haar gesprek met de slang kan blijken, daarover ook konden redeneeren.

Zoolang zij echter in de waarheid staande bleven, was er een gehoorzaam buigen onder de waarheid, een onderwerpen van verstand en hart aan Gods Woord. Doch toen deze gehoorzaamheid ophield, was er de breuk, die hun val beteekende. Die breuk nu is onherstelbaar. De religieus-zedelijke conditie, waarin zij stonden, verdraagt geen krenking. Dat is het geheel eigene dezer conditie. Wij bestaan in de gebrokenheid van die verhouding tot God, welke geen breuk verduurt.

Uit die oorzaak kan de wijsheid der wereld ons niet baten, want het euvel ligt niet op het terrein van het verstand. Daarbij komt nog, dat het verduisterd.is.

En wat voorts alle redeneeren overbodig maakt. De rede van den aardschen mensch is niet bij machte in den hemel in te dringen, even zooweinig in den staat der rechtheid als in dien van de zonde. Het Woord alleen is Middelaar der Godskennis.

Doch wij hebben het profetische Woord, wijl het Gode behaagd heeft Zich te openbaren. En het behoeft geen betoog, dat de gevallen mensch zich de kennis van het Woord kan toeëigenen .door lezen en mondelinge overdracht. Men kan den Bijbel in zijn hoofd hebben. Niemand zal ontkennen, dat dit zoo is. Zoo is het mogelijk, dat iemand op die wijze meer kennis heeft dan Adam in het paradijs, Hiji kan haar zelfs in een vroom gemoed dragen. Doch met dat al staat de aardsche mensch in conditie der gebrokenheid van de religieuszedelijke verhouding tot God, die geen breuk verduurt. Anders gezegd, hij ligt onder het oordeel der zonde en derft de. heerlijkheid Gods. Dat ligt tusschen ons en onzen eersten vader in zijn rechten staat.

Uit de kennis van de menschelijke natuur, die Gods Woord ontsluit, volgt derhalve dat ons aardsche bestaan hopeloos verloren ligt en dat ook de kennis van God, zooals Hij Zich openbaart, en nog veel minder gedachten, die wij zelf omtrent God maken, geen verandering brengt in onze natuur, zoo dat God met haar zou kunnen verzoend zijn.

Veeleer leert de ervaring het tegendeel: n.l. dat wij niet genegen zijn ons verstand en hart aan Zijn Woord te onderwerpen. Dat komt allermeest in onze godsdienstigheid aan het licht. Alle redeneeren over de mogelijkheid om God te kennen en de vraagstelling omtrent de waarheid der openbaring veroordeelt ons en bevestigt de zonde. Deze vragen komen niet op uit het geloof, maar uit het ongeloof.

De dingen van het Koninkrijk Gods zijn geestelijk. Zij worden geestelijk verstaan. Daar is een natuurlijk lichaam en een geestelijk lichaam, een natuurlijke mensch en een geestelijke mensch.

Het geestelijk verstand is een werk van den Heiligen Geest naar de werking der genade, welke God in Christus heeft geopenbaard. De geestelijke kennis is wezenlijk onderscheiden van wat wij in den zin van 1 Cor. 15 natuurlijke kennis kunnen noemen. Men zou het ook nog anders kunnen uitdrukken : De geestelijke kennis der geopenbaarde waarheid is onderscheiden van de natuurlijke (alweer in den zin van den aangehaalden tekst) kennis dier waarheid. In de taal der gemeente wordt deze laatste gewoonlijk met historische Godskennis aangeduid. Zij bestaat niet alleen uit een verstandelijk weten, wat in de Heilige Schrift staat, maar in een geestelijk onderscheiden en verstaan als vrucht der vernieuwing des gemoeds of der wederge­boorte.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Godskennis en zonde

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken