Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De tegenstelling

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De tegenstelling

9 minuten leestijd

Onlangs raakten wij terloops aan de verschillende opvattingen aangaande de Heilige Schrift en de verhouding, welke daar is tusschen Gods Woord en den Bijbel. In dat verband werd gewezen op het standpunt der belijdenis.

Het kan zijn nut hebben op deze zaak wat nader in te gaan, omdat zij van belang is en de belangstelling heeft.

Beginnen wij nog eens de aandacht te bepalen bij hetgeen de belijdenis zegt :

Alle deze boeken ontvangen wij voor heilig en canoniek, om ons geloof naar dezelfde te reguleeren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen. En gelooven zonder eenige twijfeling al wat in dezelve begrepen is : en dat niet zoozeer, omdat ze de kerk aanneemt en voor zoodanige houdt ; maar inzonderheid, omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn, en dewijl zij ook het bewijs van dien bij zich zelven hebben : gemerkt de blinden zelve tasten kunnen, dat de dingen, die daarin voorzegd zijn, geschieden. (Art. V).

Volgens dit artikel worden dus al deze boeken voor heilig en canoniek ontvangen. Alle deze boeken n.l. van Genesis tot Openbaringen, zijnde de Heilige Schrift.

In Art. 3 wordt voorts beleden, dat dit Woord, dat is Zijn heilig en goddelijk Woord, Gods Woord niet| is gezonden noch voortgebracht door menschelijken wille, maar de heilige mannen Gods hebben gesproken, gedreven zijnde door den Heiligen Geest. Daarna heeft God, door een zonderlinge zorg, die Hij voor ons en onze zaligheid draagt, zijnen knechten den Profeten en Apostelen geboden Zijn geopenbaarde Woord bij geschrift te stellen, en Hij zelf heeft met zijn vinger de twee tafelen der Wet geschreven. Hierom noemen wij zulke schriften : Heilige en goddelijke Schrifturen.

Voorts nog Art. VII : Wij gelooven, dat deze H. Schrifture den wille Gods volkomenlijk vervat en dat al wat een mensch schuldig is te gelooven om zalig te worden daarin genoegzaam geleerd wordt.

In Art. VIII lezen wij dan : Achtervolgendte deze waarheid en dit Woord Gods, zoo gelooven wij enz.

Stellen wij deze getuigenissen naast elkander dan ligt daarin de belijdenis : de Heilige Schrift is Gods Woord.

Onderzoeken wij de Schrift zelve op dit punt, m.a.w. wat zij omtrent zichzelf zegt, dan is het resultaat, dat zij zich zelf houdt en uitgeeft voor het Woord van God. (Vgl. H. Bavinck. Geref. Dogm. I. 421). De Schrift is Gods Woord om haar oorsprong en inhoud. Zij is als zoodanig van den beginne aan door de Christelijke kerk erkend.

Desondanks is er heel wat verschil in waardeering van dit standpunt, en zoowel vóór als na de reformatie heeft het niet ontbroken aan leeringen en opvattingen omtrent de waarde en beteekenis van de waardeering der Schrift als Gods Woord, van de inspiratie der Schrift, van de menschelijke factoren en van de goddelijke waarheid.

Galvijn houdt de Schrift in vollen en letterlijken zin voor Gods Woord. De Confessie hebben wij reeds gehoord. Meestal werd deze lijn door de Gereformeerde theologen strak doorgetrokken, zoodat zij de inspiriatie der Schrift tot alle zaken, tot de woorden en de teekens uitstrekten. Deze houding liet echter niet na critiek en tegenspraak op te wekken. Doch, zooals gezegd, is er in vroegere en latere eeuwen critiek op het goddelijk gezag der Schrift geoefend.

Terecht wijst Bavinck op Jojakim, die de rol van Baruch verbrandde. (Jer. 36). Gnostieken en andere secten maakten het Nieuwe Testamenit los van het Oude Testament. Ook gedeelten der Heilige Schrift vielen onder de critiek van Sectariers en anderen als Marcion en Celms, in de eerste eeuwen der Christelijke aera. Celms b.v. verzette zich tegen de scheppingsdagen, de schepping van den mensch, de verzoeking, den val, den zondvloed, de ark, den torenbouw van Babel, de verwoesting van Sodom en Gomorra, tegen Jona, Daniël, de bovennatuurlijke geboorte van Jezus, den dood, de opstanding, de wonderen.

Er ware meer te noemen, doch deze critiek werd vergeten. Allengs kwam de kerk tot heerschappij en vond het gezag der Schrift algemeene erkenning.

Met het opkomend humanisme in den nieuweren tijd kwam ook de Schriftcritiek meer boven. Zij kwam eerst met bezwaren tegen den inhoud, later tegen de echtheid. Dit laatste vooral in de negentiende eeuw met haar grammatisch-historische critiek.

De onderscheiding in echt en onecht had weer tengevolge, dat men de leer der inspiratie daarmede in overeenstemming trachtte te brengen. Het echte toch zou geïnspireerd zijn. Het onechte niet. Men onderscheidde den reiligieus-etihischen inhond der Schrift van b.v.den historischen inhoud. Historisch meende men véle dwalingen en ongerijmdheden op te merken.

De zooeven genoemde onderscheiding in een religieus-ethischen inhoud en wat daartoe niet werd (gerekend, moest weer ten gevolge hebben; dat Gods Woord alleen werd bepaald tot het religieus-ethische. Vandaar de onderscheiding Gods Woord is de Heilige Schrift en niet de Heilige Schrift Gods Woord. Socinianen en Remonstranten namen dit standpunt in.

De negentiende eeuw bracht weer nieuwe denkbeelden aangaande de inspiratie. Ten aanzien van de echte stukken handhaafde men nog de inspiratie door den Heiligen Geest, derhalve als openbarende daad Gods. Deze leer werd echter zoodanig gewijzigd, dat zij een eigenschap der schrijvers zou zijn, en dat wel in meerdere of mindere mate. Niet de Geest der profetie, maar de geest der profeten zou hier aan het werk zijn geweest. Een principieel verschil tusschen den profeet en den geloovige zou niet aanwezig zijn. Het zou hier slechts een graad van begaafdheid gelden, welke begaafdheid overigens dwaling niet uitsloot.

Denkt men hierover door, dan zal men inzien, dat dit een geheel gewijzigde waardeering der Schrift beteekent.

Indien toch de Schrift, zooals de oude leer der inspiratie voorstond, door een daad Gods tot stand is gekomen, niet door den wil des menschen, maar door den drang van den Heiligen Geest, is God de Auteur. Dan is zij een goddelijke Schriftuur.

Indien men echter de inspiratie terugbrengt tot de begaafdheid van menschen, dan wordt het een menschelijk boek over goddelijke zaken.

Ziedaar het onderscheid met de belijdenis, die uitdrukkelijk zegt : niet door menschelijke wille, maar de heilige mannen Gods hebben gesproken, gedreven zijnde door den Heiligen Geest.

Deze tegenstelling is inderdaad niet zoo onschuldig. Zij raakt uit den aard der zaak aan de meest oentrale stukken des geloofs en niet maar enkele bijkomstigheden. Daarbij komt, dat zij nog werd verdiept, daar velen ook de inspiratie der begaafdheid nog vlakker namen en de gedachte aan inspiratie lieten varen. Men zou hier van doen hebben met een verzameling geschriften, door vrome menschen geschreven. Nog een stap verder, en zij zouden deelen in de waardeering, welke de godsdienstige vroomheid bij sommigen vindt.

Zoo week men steeds verder af van het reformatorisch geloof : De Heilige Schrift is Gods Woord.

Eenmaal als menschelijke geschriften gezien, kon zij slechts als oorkonde der openbaring gelden. Niet meer de Heilige Schrift is Gods openbaring, maar oorkonde, bewijsstuk, opteekening der Godsopenbaring. Nog verder daalt de waardeering bij hen, die haar houden voor een, verzameling van religieuze geschriften, welke uit het vroom gemoed zijn voortgesproten.

Wie tot zulk een waardeering kwam, kan haar geen ander dan menschelijk gezag toekennen. Het eigen oordeel over God, religie en religieuze zaken, kan zich immers vrij laten gelden naast dat van de bijbelschrijvers. De verhoudingen worden op die wijze gansch omgekeerd: Niet de religie der Schrift is richtsnoer en regel voor het persoonlijke religieuze leven, zooals de reformatorische belijdenis leert. Neen, men gaat uit van zijn persoonlijke inzichten omtrent religie en zal de religie der Schriften daar, naar beoordeelen.

De tegenstelling tusschen het kerkelijk geloof en deze beschouwingen, welke het goddelijk gezag der Heilige Schrift moesten ondermijnen, werd echter geenszins door de laatste overwonnen. Integendeel. Zij wekte ook reacties, die weer voor het goddelijk gezag kwamen pleiten. De meest radicale critiek op de Heilige Schrift heeft zich het moeilijkst kunnen handhaven.

Verschillende overwegingen hebben invloed op de reacties uitgeoefend en de aandacht gevestigd op het vraagstuk der inspiratie en der openbaring, waardoor een gematigder houding jegens de Heilige Schrift het van de radicale critiek won.

Het voortdurend onderzoek heeft ook de kennis der oudheid en der talen verrijkt en het oordeel in den kring der onderzoekers dermiate gewijzigd, dat veel van de negentiende eeuwsche stellingen en heschouwingen reeds lang zijn opgegeven.

Anderzijds kan niet worden ontkend, dat al deze studiën en onderzoekingen maar niet zonder beteekenis zijn. Men kan dat alles niet zonder meer naast zich neer leggen, maar zal zich daaromtrent rekenschap hebben te geven. Daarom hebben wij er reeds meermalen op gewezen, dat de kerk zich daaromtrent zal hebben te bezinnen. Het gaat in dit alles om haar zaak, om het pand, dat haar is toebetrouwd.

Het zou dus volkomen onjuist zijn, te meenen, dat het goddelijk gezag der Heilige Schrift, hoezeer ook door haar in het algemeen bewustzijn ondermijnd, door de afbrekende critiek zou kunnen worden opgeheven. Even onjuist ware de gedachte, dat de opbouwende reacties dat gezag zouden kunnen oprichten.

De Heilige Schrift handhaaft zichzelf, zoo­waar zij Gods Woord is. De tegenstelling tusschen het kerkelijk geloof en de critische houding jegens de Schrift en haar gezag is niettemin een zeer ernstige. Zij raakt de Christelijke religie in haar fundamenten. De Godsopenbaring, de Christelijke religie, het geloof der gemeente, de kerk des Heeren, haar waarheid en werkelijkheid, dit alles wordt in kwestie gesteld. Maar daarom juist, kan slechts onverstand meenen, dat menschelijk oordeel, hetzij in welwillende aanvaarding of onwelwillende afwijzing, kunen beslissen over de waarheid en werkelijkheid, alsof God afhankelijke ware van wat wij, aardsche stervelingen, over de goddelijke zaken denken willen.

De waarheid der Schrift en de waarheid van het kerkelijk belijden heeft haar kracht en staat temidden van de golven der tijden. De waarheid Gods, welke in het geloof der kerk werkzaam is, laat zich even weinig door scepsis en critische beschouwingen uitbannen als door vriendelijke tegemoetkoming binnenleiden. Zij handhaaft zich zelf en maakt zich openbaar door al die menschelijke oordeelen heen.

Uit het conflict, waarin de kerk zich bevindt met haar belijdenis aangaande het Woord Gods, zal zij geleid door den Geest der waarheid met klaarder bewustzijn van wat zij daarin belijdt, uitkomen en rekenschap geven van haar geloof en haar roeping om het Woord Gods getrouw te bewaren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1941

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

De tegenstelling

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1941

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

PDF Bekijken