Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van tweeën één

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van tweeën één

9 minuten leestijd

De groote vraag, de beslissende vraag is de door de Heilige Schrift gestelde : Wat dunkt U van den Christus (Matth. 22 : 42). Daarop komen de brandende vragen van de kerk neer, omdat de kerk van Christus is.

Onmiddellijk daarmede verbonden is de vraag : Wat dunkt u van den Bijbel. In zekeren zin is het dezelfde vraag. Want Christus wandelt — om deze uitdrukking te gebruiken — onder ons in het gewaad van de Heilige Schrift. De kerk predikt den Christus, zooals Hij gekend wordt uit Zijn Woord. Van Christus getuigen is Zijn Woord prediken. Predikt het Evangelie beteekent predikt den Christus. Gij zijt Mijne getuigen.

Wat dunkt u van den Christus, dat is, wat dunkt u van den Christus der Schriften. De zaligheid is in geen anderen.

Zoo kan het duidelijk worden, wat wij bedoelen, als wij de vragen op één lijn stellen. Buiten de Schrift geen kennis van den Christus. En uit dit verband volgt, dat de vraag aangaande den Bijbel beslissend is voor alle kerkelijke vragen, die om een antwoord en oplossing aankloppen.

Christus in het gewaad der Heilige Schrift. Onderzoekt de Schriften, want die zijn het die van Mij getuigen. Het wordt door het gezag van Christus zelf gedekt. En moge dit op de profetie van het Oude Testament slaan, van het Nieuwe geldt dat zeker niet in mindere mate.

De Evangeliën getuigen van Zijn vleeschwording. Zijn onderwijzing, de vergadering Zijner discipelen. Zijn wonderen. Zijn prediking en opening der Schriften, van Zijn lijden en sterven, van Zijn opstanding en verschijning.

Dat is alles getuigenis van den Christus. Dan volgen de overige boeken, de Handelingen en de brieven. De aanwijzing der Twaalf apostelen, hun beteekenis voor de fundatie der kerk, hun leiding en prediking, het staat alles in nauw verband met het werk der verlossing. Het is er één mede, evenals de hemelvaart en de uitstorting van den Heili­ gen Geest. Het is u nut, dat Ik heenga. Ik zal u geen weezen laten.

Wie kerk zegt, zegt Christus, en wie Christus zegt, zegt kerk. Dat is duidelijk. Als de apostel spreekt van de gemeenschap des lijdens, met Christus gestorven en met Christus opgestaan, heeft hij het oog op de gemeente des Heeren. Die is met Hem gekruisigd en met Hem opgestaan. Wel verstaan, dat dit de plaatsbekleedende beteekenis van Christus' lijden en sterven niet wegneemt, maar juist insluit. Want als de Schrift zoo spreekt, verstaat zij, dat de kerk in zoodanige levensgemeenschap met Christus wordt gezet, dat zij in deze weldaden deel heeft, evenals of zij zelf al de gehoorzaamheid volbracht had, die Christus voor haar heeft volbracht.

Wij willen er slechts op wijzen, dat het werk der verlossing de kerk omvat en alzoo ook aan de kerk wordt toegepast, zoodat alles, wat God daartoe noodig heeft gevonden en beschikt, tot dat werk behoort : de hemelvaart, de uitstorting van den Heiligen Geest, het werk der Twaalf Apostelen, de prediking, de openbaring der kerk op aarde, de prediking des Woords, daarom ook de bewaring van Zijn Woord.

Dit alles getuigt dus van den Christus en tegelijkertijd van Zijn werk als het Hoofd Zijner gemeente.

Ten slotte kunnen wij nog wijzen op de Openbaringen van Johannes, die geen nader bewijs van noode hebben. Het is duidelijk, dat ook deze van den Christus getuigen, van Zijn werk. Zijn kerk. Zijn toekomst.

Om al deze redenen is het dus niet gewaagd te zeggen, dat Christus ons tegenkomt in het gewaad van de Heilige Schrift.

De kerk predikt den Christus uit de Schrift. Wie in de wereld van den Christus weet en over Hem spreekt, kan slechts van Hem weten en spreken door de Schrift. Daarom : wat dunkt u van den Christus, wat dunkt u van den Christus der Schriften, wat dunkt u van de Schrift ?

De lijn wordt op deze wijze strak gespannen. Want, óf het getuigenis der Schrift is waarachtig en dan is er slechts één beeld van den Christus, één Christus en dat is de Christus der Schriften, óf, dat beeld valt onder de critiek van den Bijbellezer, waaraan volgens het zeggen van sommigen, die nochtans prijs stellen op de waardeering van orthodox te zijn, hij niet meer kan ontkomen.

Dat is inderdaad een moeilijk geval. Indien dat toch zoo is, staat men voor de moeilijke taak van te schiften tusschen waar en niet waar. Doch, hoe in de wereld zal het mogelijk zijn om dat te doen ? Welken maatstaf heeft men om te weten, in welke deelen der Heilige Schrift ons nu het waarachtige beeld van den Middelaar en Verlosser wordt voorgesteld en wat daarbuiten valt ?

Men kan daarover lang of kort redeneeren, maar het zal er altoos weer op neerkomen, dat men bij zijn critisch oordeel gebruik maakt van een maatstaf, die bij den beoordeelaar ligt en aan het menschelijk verstand is ontleend.

Wie meent, dat men aan het critisch bijbellezen, zooals men dat wil verstaan hebben, niet meer ontkomen kan, is op een weg, die rechtuit op de consequenties van het vrijzinnig standpunt uitloopt. Men kan dat niet willen toegeven, maar men zal het tegendeel niet kunnen bewijzen. Het is in beginsel vrijzinnig en niet orthodox.

Wij laten in het midden, hoeveel ketterijen iemand kan hebben en toch nog een Christen zijn, omdat dit oordeel van ons niet wordt gevraagd. Wij bepalen ons bij de vraag : Wat dunkt u van den Bijbel ? Houdt gij de Heilige Schrift voor Gods Woord, zoodat zij goddelijk gezag voor u heeft, ja dan neen ?

Het gebruikte beeld van het gewaad, Christus in het gewaad der Schrift, kan ons verder dienen. Als de Schrift Gods Woord is, is zij ons gegeven, zooals zij daar ligt. Dan treedt de Christus Zijn kerk in dat gewaad tegen en heeft de kerk geen recht om Hem uit of aan te kleeden. Want dat gewaad is dienstbaar aan Zijn openbaring.

De kerk zal dit ook niet doen, omdat zij de opdracht heeft dat Woord te bewaren. Die opdracht kan zij niet vervullen door een critiek, die de Schrift uit elkander scheurt naar een maatstaf van menschelijke waardeering.

Er is echter nog meer. De uitstorting van den Heiligen Geest heeft dien Geest niet zwevende gemaakt in de wereld of in de hoofden der critici, maar de gemeente des Heeren is haar tot een woning. Uitstorting van den Heiligen Geest is inwoning des Geestes in de kerk.

Die Geest onderscheidt ook. Hij onderscheidt alle dingen. Hij onderscheidt Gods Woord van alle menschelijke geschriften. Hij doet de Schrift als Gods Woord kennen en den Christus der Schriften als de Gezondene des Vaders in de wereld.

Er is voor de kerk slechts één standpunt, of liever, belijdenis : de Heilige Schrift Gods Woord. Het historisch onderzoek kan daarvan niets af doen, want de belijdenis der kerk aangaande de Schrift is nu eenmaal geen resultaat van historisch onderzoek, maar van het getuigenis van den Heiligen Geest.

Deze belijdenis houdt niet in, dat alle woorden der Heilige Schrift woorden Gods zijn. Dat weet een eenvoudig gemeentelid — Bijbellezer wel. Maar daar ligt de zaak niet. Wanneer wij op de afzonderlijke, woorden en stukken der Schrift letten, is het voor ieder duidelijk, dat er ook woorden van Satan, van valsche profeten en van zondige menschen in de Schrift worden vermeld. Het ware echter een kinderachtig gebeuzel, zoo men daarom aan de Schrift als geheel den titel van het Woord Gods zou ontzeggen en den goddelijken Auteur zou miskennen.

De kerk ontvangt de Heilige Schrift als een werk Gods, hetwelk haar van Godswege is toebetrouwd, en daarom als Gods Woord.

Dat is nu juist het diepe onderscheid met het critische standpunt. Staat men voor een werk Gods, of voor een werk van menschen ? De kerk belijdt het eerste. De critische onderzoeker neemt den Bijbel als een verzameling van menschelijke geschriften.

Voor dezen zijn de eerste vragen : wanneer en onder welke omstandigheden is het boek ontstaan ? Wie is de schrijver ? Wat is de strekking en de bedoeling van den schrijver geweest ? Welke geschiedenis heeft het boek doorgemaakt, e.d.g.

Het geloof echter ziet door al deze vragen heen op den goddelij ken Auteur en wat Hij te zeggen heeft, die door den mond van Zijn knechten heeft gesproken en Zijn Woord vanwege de zorg voor Zijn kerk heeft bewaard.

Het geloof ontvangt de Heilige Schrift als Gods Woord, omdat zij niet door den wil eens menschen, maar door den drang des Heiligen Geestes is geschreven, m.a.w. omdat zij een werk Gods is. Het geloof ziet ook de wereld als Gods wereld, omdat het Zijn scheppende hand in alles ziet en Hem als Schepper kent en erkent.

Het geloofsstandpunt en het critische standpunt liggen derhalve zoover uitéén als de kerk en de wereld.

En wie meent deze beide te kunnen vereenigen, moet wel in twijfel vervallen ten aanzien van de gansche leer. Voor zoover hij orthodox wil zijn, stapt hij over in het schip des geloofs, voor zoover hij aan de critiek niet kan ontkomen, heeft hij het schip verlaten, of voert hij een vreemden last mede.

Een radicale critiek kan de Schrift slechts als een werk van menschen nemen en ontdekt daarin slechts zooveel goddelijks als zij aan het vermogen van den mensch toeschrijft. Voor zoover zij in den Bijbel nog iets goddelijks meent te kunnen ontdekken of wil ontdekken, valt het onder het bereik en onder de waardeering van algemeene gevoelens van godsdienst en godsdienstige begrippen, welke men zich heeft gevormd.

Deze critiek treft allermeest den Schriftuurlijken Christus. Zij stuit af op de allergewichtigste stukken van het kerkelijk geloof. Maar zij heeft dit voor, dat zij klaar en duidelijk de tegenstelling aan het licht brengt : óf de belijdenis der kerk aangaande de Heilige Schrift en den Christus der Schriften, óf een religie, die naar den mensch is.

Een tusschenweg wordt wel gezocht, en sommigen meenen daarop te kunnen wandelen, maar bet geloof in den Christus der Schriften kan op dien weg niet mede, omdat het heeft geleerd met verstand en hart te buigen voor Gods Woord.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1941

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Van tweeën één

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1941

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

PDF Bekijken