Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE KEUR DER RECHTZINNIGHEID

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE KEUR DER RECHTZINNIGHEID

10 minuten leestijd

Het is velen, die zich in de kerkelijke zaken roeren, niet welgevallig van rechtzinnig en vrijzinnig te spreken. Men wil daarvan niet meer weten en men doet in vele dingen, alsof er geen richtingen meer zijn. Hand aan hand streeft men naar nieuw kerkelijk leven en men doet dat met grooten ijver en bezieling, gedragen door een ideaal, aan welks verwezenlijking men niet schijnt te twijfelen.

En toch - zelfs bij hen wekt het geen verwondering, dat anderen niet zoo geestdriftig zijn bij het aanschouwen van al dien vernieuwingsarbeid en daartegenover met reserve en met critiek en zelfs met wantrouwen staan. Nu willen wij er vóór alles op wijzen, dat iedere richting, welke ook, in meerdere of mindere mate afstand zal moeten doen van zijn richtingsindividualisme, indien men althans naar een gezond kerkelijk leven wil streven. De saneering van het kerkelijk leven zal dat onherroepelijk eischen, want de ongezonde kerkelijke toestanden hebben niet alleen het opkomen der richtingen bevorderd, maar geheel de instelling der richtingen op zich zelf en tegen de andere heeft een eenzijdigen nadruk gegeven op hetgeen men vóór alles en in onderscheiding van elkander wilde verdedigen of bestrijden.

De richtingen zijn een richtingsleven gaan voeren, veelal met een eigen organisatie en een eigen pers. Stellen wij ons nu voor, dat ieder dier richtingen zich zelf gaat bezinnen op, wat zij nu meenen, dat een gezond kerkelijk leven zou vorderen. Dan is het duidelijk, dat ieder dier richtingen zou moeten rekenen met de andere. Laat ieder der richtingen onderstellen, dat zij geheel op en voor zich zelf eens de macht had om het kerkelijk leven te saneeren naar het beeld, wat zij zich dienaangaande heeft gevormd. Dan zou zij dus ten aanzien der anderen moeten beslissen.

Dat zou heel dictatoriaal kunnen gaan. Zij zou als vertegenwoordigster en regeerster der kerk die volgens haar beginsel niet tot de kerk kunnen worden gerekend, eenvoudig kunnen excommuniceeren. Wij laten dan in het midden, hoe zij haar zendingsroeping ten aanzien van de uitgeworpenen zou opvatten.

Doch ook zoo kan niet worden aangenomen, dat zij alleen haar eigen richting zou behouden. Zoo scherp zijn trouwens de richtingen niet afgegrensd. En wij zijn er b.v. van overtuigd, dat de Gereformeerden, om ons daarbij maar te bepalen, hoezeer zij door velen als een soort sectariërs worden aangezien, er niet aan mogen denken zelfs de vrijzinnige lidmaten uit te werpen, al zouden zij zeker geen vrijzinnige prediking op den kansel mogen toelaten.

Onderstel nu, dat de Gereformeerden zich voor de verantwoordelijke taak zagen gesteld om de saneering der kerk ter hand te nemen, gelijk zij krachtens hun geloof en belijdenis schuldig zijn. daaraan mede te werken.

De gereformeerde leidslieden zouden geen groote moeite hebben een gereformeerde kerkorde in te stellen, maar evenals onze reformatorische vaderen zouden zij ervaren, dat het veel moeite zou kosten die orde naar den eisch door te voeren en in stand te houden. Ook die vaderen hadden te tobben met een tekort aan predikanten en met uit het pausdom voortgekomen voorgangers der gemeente, die ternauwernood of ongenoegzaam waren onderlegd om bekwaam te zijn voor den Dienst, afgezien van zooveel andere omstandigheden, die bezwaarlijk waren en verre afweken van het ideale beeld, dat men zich veelal pleegt voor te stellen.

En bovendien - stel al voor een oogenblik, dat de toestand der kerk zulk een ideaal gedurende een generatie zou vertoon en, dan ook zou een tweede en derde generatie weer kaf onder het koren zien opkomen, waardoor het kerkelijk leven werd bedreigd. Niet tevergeefs wijst de belijdenis er op, dat er te allen tijde hypocrieten in de kerk zijn en Calvijn heeft zich omtrent de aanwezigheid van waarachtige Christenen in de kerk wel eens op een wijze uitgesproken, die hun getal verre bij de meerderheid achter stelt. De belijdenis bedoelt met die hypocrieten geenszins in het oog vallende veinzaards, maar bedoelt daaronder ook de schijngeloovigen, die uiterlijk voor Christenen moeten gehouden worden.

En Calvijn wijst er in het derde boek van zijn Onderwijzing op, dat er een schijngeloof is, dat als twee droppels water op het waarachtige geloof gelijkt. Hij wil nochtans, dat wij uit een oordeel der liefde voor broeders zullen houden, die door leer en leven daarop aanspraak maken.

Alleen zij, die openlijk ergernis verwekken door leer en leven, vallen onder de kerkelijke tucht. De kerkelijke keur der rechtzinnigheid kan dus nooit de waarachtigheid des geloofs in het binnenste peilen en heeft ook geen heerschappij over het geweten. Dat beteekent niet, dat de kerk nu maar alles laat gaan, maar het beteekent wel, dat zij in een richting wel de dwaling, maar niet zonder meer alle men~ schen, die tot een richting behooren, kan veroordeelen. De kerk zal zich in haar organen en vergaderingen derhalve hebben te richten tegen de dwalingen en ketterijen, en tegen degenen, die zulke dingen propageeren, maar zij gaat geen inquisitie instellen op haar lidmaten.

En dat beteekent ook, dat zij een keur der rechtzinnigheid behoeft om ketterijen en dwalingen te weerstaan. En aangezien de kerk zelf aan die keur gebonden is, zal zij een iegelijk, die zich tot haar voegt, of die door geboorte bij haar gevoegd is, aan die keur gebonden houden.

Die keur nu wordt door menschen gehanteerd, maar zij kan haar oorsprong niet in den mensch hebben zonder den mensch zelf te veroordeelen. Immers, waarin wij anderen oordeelen, zullen wij zelf geoordeeld worden. Dit is een scherp woord van den Heere der kerk en Hij zegt er bij, dat wij door Zijn Woord zullen geoordeeld worden. En wij weten, dat Zijn oordeel rechtvaardig is. Zoo zal dus Zijn Woord ook de keur der rechtzinnigheid zijn en scheiding maken tusschen waarheid en leugen.

En wijl nu dat Woord aan de kerk is toebetrouwd, heeft deze de roeping om bij dat Woord te leven, opdat ook het Woord oordeele in de voorkomende vragen en zaken. Maar nu is dat Woord niet gelijk aan een reglement, waarin naar de wijze van onze menschelijke regeling, artikelsgewijze onze gedragslijn in verschillende omstandigheden is voorgeschreven. Het is het boek des levens, waarin God Zijn eeuwigheid slicht doet opgaan over de wereld en waarbij Hij door Zijn Heiligen Geest Zijn kerk in de wereld leidt. Daarom is het van zoo groot gewicht den weg der kerk door de eeuwen heen in het oog te houden en haar getuigenis niet te verachten. Wie zich op het Woord beroept en een uitlegger des Woords wil zijn, om ook bij het Woord over de kerk en kerkelijke zaken te oordeelen, zet zich zelf in de gemeenschap der kerk en onder de leiding van denzelfden Geest, die de kerk der eeuwen heeft geleid.

Hoezeer nu ook de geschiedenis aantoont, dat in de kerk op aarde omtrent onderscheidene zaken verschillende opvattingen naast elkander leven, daar is toch een allen omvattende gemeenschap des geloofs aangaande de meest fundamenteele slukken, die als ontwijfelbaar vaststaan. En iedere kerkformatie onderscheidt zich weer binnen den kring van die algemeene belijdenis door haar eigen confessie aangaande de dingen, die haar geloofsbeslissing vroegen in de omstandigheden, waarin zij tot stand kwam.

De keur der rechtzinnigheid neemt alzoo menschelijk confessioneele gestalte aan, omdat de kerk naar haar aard confessioneel is bepaald. Men is rechtzinnig Gereformeerd, rechtzinnig Luthersch, enz. of men wijkt van die belijdenis in meerdere of mindere mate af en is dan in meerdere of mindere mate vrijzinnig Gereformeerd, vrijzinnig Luthersch. enz. Rechtzinnig of vrijzinnig zijn derhalve in kerkelijken, d.i. confessioneelen zin, vloeiende begrippen, die als zoodanig aan een hooger oordeel onderworpen zijn, n.l aan de Heilige Schrift als Gods Woord, zijnde de keur der rechtzinnigheid.

Nu toont de werkelijkheid duidelijk aan, dat men het met die confessioneele rechtzinnigheid of vrijzinnigheid niet zoo nauw neemt. Velen kennen zelfs de belijdenis slechts zeer ten deele en gebrekkig, zoodat zij hun eigen graad van rechtzinnigheid of vrijzinnigheid niet kunnen beoordeelen.

Dit zou geheel anders zijn, indien de kerk haar belijdenis in waarde had gehouden en ook bij alle lidmaten die kennis, al ware het slechts van den catechismus, had aangebracht.

De vervloeiing van rechtzinnigheid en vrijzinnigheid in de kerkelijke confessioneele sfeer teekent zich in de richtingen af en ofschoon er altijd verschil van opvatting en accent zal blijven, kan het toch met echt kerkelijk leven niet overeenkomen, dat de richtingen op eenige wijze georganiseerd naast elkander staan. Het schijnt dan ook volkomen gerechtvaardigd alle richtingen te roepen tot den eisch der gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift, opdat zij zich meten aan de keur der rechtzinnigheid, om dan van uit dit standpunt van geen richtingen te willen weten.

Tegen dezen eisch kan niemand zich in de kerk met recht verzetten, daar het Woord in de kerk heerschappij moet hebben en wanneer een iegelijk zich onder het Woord buigt, zal de uitkomst niet twijfelachtig zijn. Tot de Wet en de getuigenis roept ons ook de Heilige Schrift zelf. Alleen in dien wederkeer zal genezing zijn en een nieuwe dageraad over het kerkelijk leven opgaan.

Maar nu heeft de kerk ook een confessie, en in die confessie doet zij belijdenis aangaande de Heilige Schrift als Gods Woord. Men kan de kerk niet tot gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift oproepen, zonder haar aan haar eigen belijdenis te herinneren en daarbij te bepalen. Het is toch duidelijk, dat men een iegelijk niet maar zijn eigene opvatting en waardeering van de Heilige Schrift kan laten en dan toch kerk willen zijn.

Wie geen vreemdeling is op het kerkelijk erf weet, dat er bij velen bij lange na geen overeenstemming is met de belijdenis der kerk omtrent de Heilige Schrift als Gods Woord en daarom als de eenige regel en maatstaf des geloofs. En hierin nu treedt een vrijzinnigheid aan den dag, die de beteekenis der Heilige Schrift als keur der rechtzinnigheid ten eenenmale ondermijnt en het leven der kerk miskent. Het gaat toch om het leven der kerk. De kerk is uit het Woord opgekomen. Zij leeft uit het Woord en van dat leven getuigt zij in haar belijdenis. Haar getuigen toch is levensfunctie en wat zij belijdt is levensopenbaring, Zoo is er een innerlijke en levende betrekking tusschen de gehoorzaamheid des Woords en de belijdenis. Vandaar dat de eisch der gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift onmiddellijk aan de belijdenis der kerk wordt saamgekoppeld, n.l. aan het geloof, dat de Heilige Schrift als Gods Woord aanvaardt en als zoodanig beleeft. Gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift is gehoorzaamheid des geloofs. De belijdenis des geloofs teekent den weg dier gehoorzaamheid in de levensvragen der kerk en in de omstandigheden, waarin zij verkeerde.

Daarom zal zij bij de betrachting dier gehoorzaamheid van die belijdenis moeten uitgaan om den weg niet bij ster te worden in het gewoel van het heden. Want wat er ook veranderen moge in den loop der eeuwen in het leven der volkeren, het geloof in den Christus verandert niet, omdat Christus Dezelfde blijft. Alleen in hetzelfde geloof, dat de vaderen heeft geleid, zal de kerk van heden haar standpunt kunnen bepalen ten aanzien van de vragen des tijds en de geesten gevangen leiden onder de tucht des Woords.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 15 oktober 1945

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

DE KEUR DER RECHTZINNIGHEID

Bekijk de hele uitgave van maandag 15 oktober 1945

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken