Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De opdracht der Kerk en haar belijdenis

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De opdracht der Kerk en haar belijdenis

10 minuten leestijd

REFERAAT GEHOUDEN OP DE JAAR VERGADERING VAN DEN GEREF. BOND 1943

In de prediking der apostelen hebben wij het openbaar getuigenis der kerk. Dat is haar belijdenis, haar leer, afgezien van de formuleering, welke zij daaraan heeft gegeven. Het is haar leer en zij heeft het ook zoo ontvangen als de leer des Heeren. (Hand. 13 : 12)

Hoe gewichtig deze belijdenis wordt genomen, is ons bekend uit het woord van Johannes: „Hieraan kent gij den Geest Gods : alle geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God ; en alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God niet; maar dat is de geest van den anti-christ, welke geest gij gehoord hebt dat komen zal, en is nu alreede in de wereld". (1 Joh. 4 : 2 v).

Afgezien van de formuleering, zoo merkten wij terloops op, want de hoofdzaak, waarop het aankomt, is deze, dat het belijden der kerk niet anders bedoelt te zijn dan het belijden van de leer der apostelen en profeten als de leer des Heeren. Ook die formuleering heeft haar geschiedenis. Zij ving wellicht aan met de leer der Drieëenheid, zooals die in de doopformule is gegeven, en in de Apostolische geloofsbelijdenis breeder werd uitgedrukt. Verschil van inzicht en opvatting noopten de kerk telkens weer tot beslissingen, die in navolging van Hand. 15 dogmata werden genoemd en deel gingen uitmaken van de leer. Daar­ aan verbond zich weer de theologische arbeid met haar systematische bewerking en schoolsche vorming. Het valt niet te ontkennen, dat deze weg in menig opzicht van het levend geloof der kerk kan afvoeren en ook afgevoerd heeft, zoodat men met recht van dogmatisme kan spreken. Onder den invloed van allerlei geestelijke stroomingen, namen verschillende richtingen een eigen type aan, met een eigensoortige theologie, al dan niet kerkelijk confessioneel bepaald, meer of minder vrijzinnig jegens de officiëele belijdenis en de Heilige Schrift.

De verwarring, daardoor teweeg gebracht, behoeft even weinig nadere aantooning als verklaring. Wij behoeven niet verder te gaan dan de kerk, waartoe wij behooren. En in dit licht moeten wij ook de reacties verstaan, welke haar beroeren, de onderlinge conflicten der richtingen, de vormen, waarin zij zich onder de begunstiging der huidige organisatie zoeken uit te leven, den roep om handhaving der confessie en het streven naar een confessioneel liberalisme, den roep om reorganisatie, kerkherstel, om kerkopbouw, en ten slotte den roep tot vernieuwing van kerkelijk besef en tot bezinning op een kerkelijk handelen van uit haar opdracht.

Het is slechts een tip van de geschiedenis, maar zij ons tot hetgeen in de kerk gaande is. En nu voegen wij ons niet bij degenen, die reeds van te voren alle verwachting, dat er iets goeds uit geboren wordt, afsnijden. Evenmin schikken wij ons onder degenen, die negatief staan tegenover alles wat van de Synode komt. Ondanks onze critiek op de bestuursorganisatie, houden wij vast aan de gedachte, dat zij het eerst is aangewezen om te doen, wat mogelijk is, teneinde de kerk bij haar eigen roeping en orde te bepalen. En wanneer zij stappen in dien weg doet, kan dat slechts blijk geven van de bereidheid om de bestaande organisatie te likwideeren, waarvan zulke pogingen niet anders dan een begin moeten zijn. Het appèl op de opdracht der kerk is daarom van zooveel belang, omdat toch de kerk alleen de haar gegeven opdracht kan vervullen. Het volle accent valt niet zoozeer op de opdracht, van hoeveel beteekenis dat ook is, als op de kerk. Het appèl gaat tot de kerk uit. Het gaat in de eerste plaats om de kerk. Daarmede willen wij niet zeggen, dat het twijfelachtig is, of er wel een kerk is. Ook al zouden wij de kerk niet zien, dan nog houdt het geloof vast, dat de kerk er is. Calvijn geloofde, dat God ook onder het pausdom Zijn kerk heeft bewaard, en zoo gelooven wij dat Hij haar ook onder de synodale organisatie bewaard heeft. Dat beteekent echter niet, dat wij haar kunnen afzonderen als het koren, dat onder een hoop kaf is verborgen, want de Heere weet alleen, wie de Zijnen zijn.

Wij hebben van doen met de vergadering, die zich als kerk aandient, in casu met de Ned. Herv. Kerk, welke schuldig is zich als de kerk des Heeren te openbaren, indien zij aanspraak wil maken op den naam en de autoriteit van de kerk.

Zij heeft het appèl op de opdracht ter harte te nemen en in gehoorzaamheid als de hare te aanvaarden. Dat is de situatie van het oogenblik en het wordt gevoeld, dat zij in menig opzicht in gebreke is gebleven. En het wordt ook gevoeld, dat zij niet kan bestaan als een conglomeraat van richtingen, hetzij deze elkander bestrijden of vredig naast elkander wonen, indien dat mogelijk zou zijn. Dit blijkt reeds uit het feit, dat men zich genoodzaakt ziet het richtingsvraagstuk onder de oogen te zien en aan te grijpen, o.a. in den vorm van het „gesprek".

Het gevaar is echter niet denkbeeldig, dat men hierbij het nauw verband tusschen de opdracht der kerk en haar belijden, zooal niet voorbij ziet, dan toch niet ten volle doet wegen. Dat gevaar dreigt allermeest van uit de richtingen zelf, die al te zeer gewoon zijn geraakt aan een onkerkelijke kerkelijkheid, om zich in een echt kerkelijke gedragslijn te schikken.

Met Prof. H. zijn wij eens, dat de belijdenis der kerk een draagvlak is, waarvan een drang naar de daad zich niet mag losmaken, (blz. 4). Juist daarom wezen wij er nadrukkelijk op, dat het handelen uit de opdracht der kerk met belijden aanvangt. En daarin ook heeft het zijn grond, dat wij trachten het belijden der Apostolische kerk te beluisteren, om er de aandacht op te vestigen, dat het draagvlak van haar belijdenis ligt in het geloof is de leer der apostelen.en profeten. Vervolgens ook, dat de belijdenis der kerk niet anders wil zijn dan wat daarin is begrepen. Wij doelen derhalve niet op de bewegelijkheid van het belijden, welke in de verscheidenheid der formuleering aan den dag treedt, nog minder op de bewegelijkheid der theologische beschouwingen, maar op de vastheid en onbewogen inhoud van het geloof, dat den heiligen is overgeleverd. Uit dien hoofde brachten wij in herinnering, hoe Cal­vijn over de eenheid der kerk spreekt in verband met de instemming met de capitale stukken des geloofs.

Met dit alles wil gezegd zijn, dat een kerk zonder die instemming een gebouw zonder fundeering is. Die capitale stukken zijn haar grondpijlers en de instemming met die capitale stukken is het draagvlak voor het kerkelijk handelen. Eerst als de richtingen blijk geven het in de capitale stukken des geloofs eens te zijn, zal er van een gemeenschap der kerk sprake zijn, die het handelen uit de opdracht der kerk mogelijk maakt.

Daarom kan men op geen enkelen grond ontkennen, dat zij in beginsel recht hebben, die naar de belijdenis der kerk wijzen en nu zeer bepaald naar de confessie, zooals die in de Drie Formulieren voor ons ligt. De kerk beginne met die confessie als de hare te erkennen en van daaruit haar opdracht te zien en te verstaan.

Men kome hier niet met het verwijt van confessionalisme, alsof menschelijk dogmatisme boven de Schrift werd gesteld. Dat ware met de genoemde confessie zelve in strijd en er is geen betere afweer tegen zulk een beschuldiging dan de bezinning op hetgeen zij belijdt. Wij mogen zelfs beweren, dat men zonder deze niet zal onderscheiden, welke met de capitale stukken des geloofs bedoeld zijn. Hoe zal men dan weten, of er zulk een gemeenschap des geloofs is in de capitale stukken?

Of wij dan zouden meenen, dat niemand bij de kerk kan zijn, zoo hij niet in alle deelen precies geloofd of belijdt te gelooven, wat in de belijdenisgeschriften is neergelegd ?

Het is alweer de belijdenis zelve, die zulk een vrager kan terecht helpen.

De belijdenis der Drie Formulieren is geen regel des geloofs, maar zij geeft uitdrukking aan het geloof der kerk, dat zijn regel vindt in Gods Woord. Tenzij men het tegendeel kan aantoonen, geeft zij getuigenis van het algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof. Daarin schuilt haar beteekenis en blijvende waarde. Niet in den vorm, maar in den inhoud. De reformatorische vaderen hebben dat goed verstaan. Zij konden bij de 37 artikelen der Ned. Geloofsbelijdenis ook den Catechismus, hoezeer verschillend van vorm, als belijdenisformulier aanvaarden, omdat zij daarin datzelfde geloof vonden. En de mannen van Wezel konden ook de Fransche belijdenis onderteekenen, omdat zij niet op den vorm, maar op den inhoud afgingen.

Het is derhalve geen confessionalisme of formalisme, als wij meenen, dat de kerk van haar confessie moet uitgaan. De kerk moet zich zelf in de belijdenis der kerk vinden en gelijk zij uit haar beginsel leeft, kan zij ook van uit haar belijdenis haar opdracht en roeping betrachten. De kerk is nu eenmaal een gemeenschap des geloofs. En wij gelooven niet, dat ook in de beste tijden die gemeenschap in alle deelen en tot in bijzonderheden gelijkvormig is. Integendeel, daar zijn geen twee menschen gelijk, ook niet als zij beiden waarachtig geloven. En toch sluit dat de gemeenschap des geloofs in den Christus der Schriften niet uit. Zij wordt veeleer daardoor bevestigd, dat vele menschen in Christus één zijn. Zoo zijn er ook in de richtingen verschillende factoren werkzaam, die in een gezond kerkelijk leven weigeren zich in te kerkeren in een doode eenvormigheid. Men stelle zich dus ook een gezond kerkelijk leven, waarin de belijdenis aan haar rechten komt, niet zóó voor, alsof er geen verschil van meening en opvatting aangaande de dingen des geloofs zou worden gevonden. En het zou ook een geheel verkeerde voorstelling van Christelijke tucht zijn, als men meende, dat deze met zeker rigorisme alle meeningsverschil zou afkappen. Zoo wordt ons waarlijk door de Heilige Schrift niet geleerd. In dit alles, liggen echter zoovele redenen om voor alles in te zien, hoe groote behoefte er is aan hiet draagvlak der belijdenis om voortdurend bepaald te kunnen worden bij het geloof der kerk. Dat is niet alleen noodig voor haar mondige leden, maar ook voor de onmondige, en bovenal voor de prediking en het kerkelijk onderricht. Het openbaar getuigenis moet zich bewegen op het vlak van de belijdenis der kerk. Degenen, die bij de kerk zijn, moeten onderricht worden niet in het geloof van dezen of genen leeraar, maar in het geloof der kerk.

Het is ook onze vaste overtuiging, dat het vraagstuk der richtingen niet tot een goede en bevredigende oplossing kan worden gebracht buiten de belijdenis der kerk om. Men wil de kerk a.h.w. over de richtingen heen tot haar opdracht brengen. Daar is zoo iets in, als wij constateeren, dat gij tezamen in de kerk, ja kerk, zijt. Gij moogt niet langer elkander bestrijden, maar richt u op het eene doel, de opdracht van Christus, erken elkander als leden van één kerk, begrijp elkander en weet, dat gij voor elkander verantwoordelijk zijt.

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De opdracht der Kerk en haar belijdenis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken