Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DOGMATIEK

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DOGMATIEK

DE SCHEPPING DER WERELD

6 minuten leestijd

DE SCHEPPING DER WERELD

Het is ook van groot belang op het verband van den Raad Gods, het scheppende Woord en de gestalte der dingen de aandacht te vestigen. De dingen, die wij zien, krijgen gestalte uit en door het Woord. Zij komen uit het Woord op, gelijk het licht. Daarom ook worden zij door het Woord gedragen.

Welk nu is het verband tusschen het Woord en den Raad Gods?

Zou het ook kunnen, dat het Woord Gods en de Raad Gods dezelfde is? Dit valt wel buiten allen twijfel, als wij in aanmerking nemen, dat de profeet Jesaia den Messias met verschillende goddelijke titels versiert, waaronder ook met den titel Raad. Zoo mogen wij dus daaruit besluiten, dat er niet alleen een innig verband is tusschen het Woord en den Raad, maar zelfs meer dan dat, zoodat van identiteit kan worden gesproken. Het scheppende Woord, dat uitgaat, is ook dezelfde als de Raad Gods, waarin alle dingen zijn. Geven wij ons rekenschap van deze dingen, dan kan het duidelijk wezen, hoe ver zij van de openbaring verwijderd blijven, die een scheiding maken tusschen God en wereld, zooals Deïsten doen. Tot in het heden werken de invloeden door van een periode vanj overheerschend deïsme in de achttiende eeuw, ten aanzien van de leer der openbaring en niet minder ten aanzien van de waardeering der zedelijke levensverhoudingen. Daarentegen moet het duidelijk zijn, dat de Schriftuurlijke leer der schepping den mensch onmiddellijk en zonder beding in religieus-zedelijk licht stelt.

Wij behoeven in onze dagen niet te zoeken naar de verschijnselen, die ons hiervan kunnen overtuigen. Of zien wij niet, dat degenen, die zich bij hun theologische speculaties nog altoos als uitloopers van een deïstische aufklarungs philosophic laten kennen, God buiten de wereld zetten, geen oog hebben voor de schriftuurlijke leer der schepping en openbaring, en geen plaats geven aan de religieus-zedelijke normen, waaraan wij krachtens onze schepping gehouden zijn. Zij missen de echt theïstische levensinstelling, die ons met de schepping is gegeven, zoo wij haar in het geloof verstaan. Zij matigen zich de vrijheid aan om zich in deze wereld te gedragen, als ware er geen God, die zich met haar bemoeit en overtreffen de oude Libertijnen in vrijmoedigheid, als zij de kerk zelfs voor de zaak van het socialisme zouden willen winnen.

Typeerend mag het zijn, dat de z.g. nieuwe theologie, die nog steeds veel meer dan oppervlakkig verwant is aan de philosophische uitgangspunten van den wijsgeer Kant, nu eerst, na eenige markant lijvige deelen dogmatiek, uitkomt met een leer der schepping. Deze leer doorbreekt echter naar wij vermoeden op grond van wat wij er van gezien hiebben, het deïsme niet. Tot het Bijbelsche theïsme voert zij niet terug, maar zij zoekt dit angstig te vermijden.

Het gevolg daarvan is, dat God in een verheven anders en verborgen zijn buiten deze wereld wordt besloten en dat Hij om het brutale en rake woord van Arthur Baumgarten aan het adres der deïsten te gebruiken — in betrekking tot de dingen van deze wereld daar op non-activiteit wordt gezet.

Anderzijds wordt deze wedeld in een isolement van God gezet, als ware zij van God verlaten en aan zich zelf overgegeven, ja, als ware het zonder beding het lot der schepselmatigheid buiten God te liggen.

Hoe geheel anders leert ons de Heilige Schrift omtrent de schepping, wijl zij ons doet zien, dat alle dingen worden gedragen door het Woord. En welk een innig levensverband doet zich daarin voor, dat het scheppende Woord ook de Raad Gods zelve is, in welken God de Heere alle dingen heeft voorgenomen overeenkomstig Zijn wil. Mogelijk zal men gaan inzien, waarom wij van meet af in deze verhandeling zoozeer den nadruk hebben gelegd op het feit, dat scheppen is openbaren en openbaren is scheppen. In de tegenwoordige speculaties over het begrip openbaring kan dat niet tot zijn recht komen, omdat daarmede onmiddellijk het in-de-wereld-ingaan, en in-de-wereld-gestalte-aannemen van het openbarende Woord wordt gezet, hetgeen men juist niet wil.

Men kan bovendien dat in-de-wereld-ingaan van het Woord niet ergens willekeurig afbreken, daar toch ook het bewustzijnsleven van den mensch onder den arbeid der schepping valt. Het scheppende en openbarende Woord is niet maar een naar de wereld gericht getuigenis van God, dat buiten den mensch blijft. Dat ware geen openbaring. Om openbaring te zijn, moet het Woord in den mensch gestalte aannemen.

En dat geschiedt. Hij toch die aan alle dingen gestalte heeft gegeven, heeft den mensch alzoo geschapen, dat deze het beeld van de dingen, die gezien worden, in zich zelf als in een levende spiegel draagt. Doch ook zoo verstaat de mensch nog niet de goddelijke sprake van het scheppende Woord. Vandaar dan ook, dat de Heilige Schrift ons leert, dat de openbaring der schepping alleen door het geloof wordt verstaan. (Hebr. 11 : 3). Het scheppende Woord verklaart zich zelf door het geloof als openbarende Woord.

De leer der schepping is alzoo een fundamenteel stuk van de geloofsbeljdenis der kerk. Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. Het geloof verstaat, dat het zoo is. En de kerk verstaat daarmede, dat de wereld, die God schiep, van Hem wezenlijk onderscheiden is.

Hebben wij gewaarschuwd tegen een scheiding van God en wereld en tegen de dwalingen, die daaruit voortkomen, thans moge de volle nadruk vallen op de onderscheiding van God en wereld. Zoo nauw is het levend verband tusschen God en wereld, dat de wereld zonder de scheppende werking van Woord en Geest niet zijn kan, zoowaar zij door het Woord gestalte verkrijgt. Waar het schepsel is en wordt gezien, daar is het werkzame scheppende Woord. En het schepsel vloeit uit dat Woord niet voort bij wijze van een proces, maar het Woord geeft gestalte overeenkomstig den Raad en uit den wil Gods. (Openb. 4 : 11). Calvijn ziet deze levende betrekking zoo onmiddellijk, dat hij durft zeggen : pio modo dici potest: naturam esse Deum (op vrome wijze kan men zeggen, dat de natuur God is).

Barthianen, die soms aanleiding vinden om Calvijn als één der hunnen voor te stellen, mogen zich van dit woord wel rekenschap geven.

En waarom kan Calvijn zoo spreken ? Vooreerst, omdat hij zoovele lampen ontstoken ziet in de schepping en de stralen des lichts opvangt in zijn gemoed. Maar voorts, omdat hij zoo zeer doordrongen is van de heiligheid Gods en Zijn boven deze wereld verheven en van haar onderscheiden Wezen. Vandaar dan ook, dat hij met alle kracht positie neemt tegen alle bedenkselen en beschouwingen, die God en schepsel vermengen, of den souvereinen en vrijmachtigen Schepper gelijk zouden stellen met het schepsel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

DOGMATIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken