Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DOGMATIEK

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DOGMATIEK

DE SCHEPPING

12 minuten leestijd

Naar Gods Beeld geschapen.

Nog altijd zijn wij bij den mensch. Thans hebben wij ons nog nauwkeuriger bij zijn oorsprong en wezen te bepalen. Want hebben wij er in het voorafgaande op gewezen, dat het wezen van den mensch in Christus onverderfelijk is bewaard gebleven, over het wezen alszoodanig werd nog slechts terloops gehandeld.

Toch is dit van het hoogste belang, omdat het, bestaan van den mensch aan zijn wezen behoort te beantwoorden. De Heilige Schrift toch teekent ons een mensch in de reinheid van zijn schepping en de theologie spreekt van den mensch in rechtheid.

Hoe lang de mensch in zijn rechten staat heeft volhard, valt niet te zeggen. Maar feit is, dat de Heilige Schrift ons zulk een mensch als historiesche werkelijkheid teekent. En dat niet alleen. Zij geeft bovendien te kennen, dat de mensch in dien rechten staat had kunnen volharden en zijn bestemming had kunnen bereiken.

Ook al is dit niet geschied, omdat de mensch in zonde is gevallen, zoo is het toch van belang er op te wijzen. Het is tot weinig nut, om over een ontwikkeling der historie zonder zonde te speculeeren en dat zullen wij ook vermijden, maar de mensch moet weten, dat hij door God alzoo geschapen is, dat hij in gerechtigheid kon leven. Daarmede kan alleen de schuldvraag tot haar recht komen. Om de zonde ernstig te nemen, moeten wij beginen onze schepping in gerechtigheid ernstig te nemen.

Zoolang de mensch in die oorspronkelijke gerechtigheid volhardde, beantwoordde hij in zijn actuëele bestaan aan zijn wezen. In zooverre was zijn leven een zuivere openbaring van zijn naar Gods Beeld geschapen zijn. Want uit den aard der zaak is het wezen van den mensch gelegen in dat naar Gods Beeld geschapen zijn en moet zijn ware levensopenbaring daarmede overeenkomen.

Aangezien nu Christus het Beeld des onzienlijken Gods is, naar hetwelk de mensch geschapen is, ligt het voor de hand, dat de mensch niet het Beeld des onzienlijken Godsi is. Hij is daarvan een creatuurlijke afschaduwing. De mensch is toch de Christus niet. En ook de wedergeboren mensch wordt nooit een Christus. Voor hem is de gelijkvormigheid aan Christus weggelegd.

Zoo mogen wij dus wel een zekere gelijkvormigheid met den Christus als het Beeld des onzienlijken Gods aan den mensch toekennen. Wij zouden ook van een zekere evenredigheid kunnen spreken. De theologie heeft gesproken van een analogia entis, een evenredigheid van het zijn. Onder zeker beding kan dat zoo worden gesteld, n.l. als men het zijn van Christus en het zijn van den mensch dan maar niet op één lijn stelt.

Christus is bij God, Hij is God. Hij is de Zoon, die in den schoot des Vaders is, de eeuwige God met den Vader en den Heiligen Geest eenswezens. Zoo is Hij tot een Christus gesteld en het Beeld des onzienlijken Gods.

De mensch is een schepsel, dat wil zeggen, in wezen van God onderscheiden. Als schepsel is hij nu wel zeer verheven, omdat hij naar het Beeld Gods is geschapen, maar hij is en blijft schepsel. Spreken wij dus van een analogie of evenredigheid tusschen den naar Gods Beeld geschapen mensch en God, zooals Hij zich in Christus openbaart, dan is er alleen sprake van een, zekere overeenkomst in de creatuurlijke afschaduwing en het goddelijk Beeld in Christus. Daaruit volgt ook weer, dat er een voortdurende betrekking is tusschen den Christus en den mensch, zooals deze ook gegrond is in de voortdurende levensbetrekking tusschen den Schepper en Zijn schepsel.

Deze levensbetrekking is zoo nauw, omdat de scheppende daad niet alleen wezen, aard, dienst en roeping van alle schepselen bepaalt, doch ook werkzaam onderhoudt.

Zoo is het dus ook de scheppende kracht Gods, die het Beeld Gods op een creatuurlijke wijze in den mensch onderhoudt.

Als wij dit zoo zeggen, komt de vraag bij iemand op, waarom God, dat Beeld dan niet zoodanig in den mensch heeft onderhouden, dat die mensch niet vallen kon, althans niet gevallen zou zijn. Deze vraag komt ook aan de orde en zal haar beantwoording vinden uit de zaak zelf, n.l. uit het geschapen zijn naar Gods Beeld. Doch alles op zijn tijd.

Wij komen eerst tot de trekken van het Beeld Gods.

Volgens het wezensonderscheid tusschen God en mensch, dat is ook tusschen Christus en den mensch, volgt reeds een zeer belangrijk verschil. Christus is God en deelt alzoo in de volmaakte goddelijke zelfkennis. God zijn en God kennen is in Hem niet gedeeld of onderscheiden, maar in God is kennen en zijn een en hetzelfde.

Daarom kunnen wij het goddelijke kennen niet gelijk achten aan het menschelijke kennen. Het goddelijk kennen is eeuwige goddelijke wezenheid. De wijsgeeren hebben ook het menschelijke kennen en zijn gelijk willen stellen. Reeds de Grieken zijn daarmede begonnen en nog altijd speelt zulk een idealisme den mensch zijn parten. Het stelt een gelijkheid tusschen God en mensch en loopt daarom op menschvergoding uit.

Bij den mensch is kennen en zijn niet hetzelfde, en dat kan ook niet, omdat hij den grond van zijn bestaan niet in zich zelf draagt. Daarom ook draagt de mensch zijn eigen wezen niet in zich zelf. Hij is voor zijn gansche bestaan afhankelijk van zijn Maker, zooals hij ook voor de kennis der dingen van Hem afhankelijk is.

Voor ons zijn kennen en zijn twee onderscheiden gebieden, maar wij verstaan van al het zijnde alleen zooveel, als wij daarvan kennen. Er kunnen in onze wereld zelfs vele dingen zijn, waarvan wij geen vermoeden hebben, omdat wij ze niet kennen.

Ja, het kennen neemt bij ons zoó groote plaats in, dat wij eigenlijk alleen leven bij het gekende. Wat wij niet kennen, is er voor ons niet. Het is, alsof het voor ons niet bestaat.

Zoo worden wij zeer afhankelijk van het kennen. En wij zijn er ons van bewust, dat er nog veel meer in de wereld en boven de wereld is, dat wij niet kennen. Onze gekende wereld is altijd veel kleiner dan de niet gekende wereld.

Het lijkt er dus niet op, dat voor ons menschen kennen en zijn gelijk zouden zijn, immers dan zou onze kennis het heelal omvatten.

Maar het is wel zoó, dat alle dingen tezamen in Christus bestaan, en dat wij een wereldje in ons dragen in een gekende gestalte.

Daarin is een afschaduwing of creatuurlijke overeenkomst. In den Christus bestaan alle dingen tezamen. De mensch, naar Gods Beeld geschapen, draagt de wereld als gekend en voor zoover gekend in zijn bewustzijn.

Hiermede is niettemin op een wezenstrek de aandacht gevestigd, die nog veel verder reikt. De Heere heeft den mensch met zulk een kenvermogen geschapen, opdat de gansche schepping in hem een spiegel zou vinden, waarin zij als in goddelijk licht weerkaatst.

De gansche schepping toch is openbaring van den Schepper en zoo zou zij in den mensch haar goddelijke sprake als in een levenden klankbodem vertolken. Heeft men het menschenhart niet vergeleken bij een harp? Welnu, gelijk de snaren van dat instrument medetrillen, wanneer het geruisch der muziek tot ze komt, zoo werd ook de harp des harten in beweging gezet tot den lof des Scheppers.

Wij raken daarmede aan de verdere strekking van deze dingen. Tot kennisse Gods uit de openbarende actie des Allerhoogsten aan den Heere Christus opgedragen, was de mensch naar Zijn Beeld geschapen. Hij, die het Beeld des onzienlijken Gods is, deelt op een geheel bijzondere goddelijke wijze in de goddelijke zelfkennis. In Hem woont de goddelijke theologie in haar eeuwige wezenheid. En als het Beeld van den onzienlijken God is in Hem ook de gansche openbaring Gods, die voor het creatuur bestemd is, gegeven. Hij is het, die daaraan creatuurlijke gestalte geeft. Hij is het Woord, dat scheppend en openbarend uitgaat en gestalte geeft aan de dingen.

En nu is het hoogste voorrecht van de schepping naar Gods Beeld, dat de mensch op een natuurlijke wijze tot kennis van God is geroepen en de Godsopenbaring in zijn hart mag dragen. Daarin is alzoo ook een overeenkomst — zij het in het schepselmatige — met den Christus.

In de wedergetooorte wordt dit zelfs zoo nauw aangeduid, dat de Heilige Schrift zegt, dat Christus gestalte aanneemt in den uitverkorene. De Catechismus wijst in de eerste plaats op dezen trek van het Beeld Gods, als hij zegt: opdat hij God zijn Schepper recht zou kennen. Vr. 6).

Reeds eerder hebben wij er op gewezen, dat God den mensch na zijn schepping maar niet aan zich zelf en de hem omringende wereld heeft overgelaten, om zoo philosopheerenderwijze God te leeren kennen.

God heeft den mensch niet als een wijsgeer onder de boomen van den hof gezet en aan de z.g. algemeene openbaring overgelaten. Neen, het geschapen zijn naar Gods Beeld hield meer in.

De Zone Gods neemt in het Drieëenige Wezen een eenige plaats in en de betrekking tot den Vader is een gansch bijzondere, die wordt aangeduid als eeuwige generatie. De eeuwige generatie is alzoo een eeuwige werkzaamheid in God, een eeuwige liefdewerking, waaruit de Zoon wordt gegenereerd.

Zij stelt een eeuwige betrekking van liefde tusschen den Vader en den Zoon.

En zoo heeft de Heere ook een betrekking van eeuwige liefde tot den mensch naar Zijn Beeld geschapen weggelegd, een betrekking van Persoon tot persoon.

Daartoe is Hij in Zijn openbarende werkzaamheid tot den mensch zelf afgedaald, opdat Hij Zich aan hem op een creatuurlijke wijze zou bekend maken, wijl Hij omgang met hem wilde hebben, ja woning maken in zijn hart. Immers leert ons de Heilige Schrift in Genesis 2 omstandig, dat de Heere God den mensch in den hof van Eden zette, met hem sprak en hem onderrichtte omtrent zijn levensweg.

Op twee hoofdzaken willen wij de aandacht bijzonderlijk vestigen.

1e. Op een wezenstrek van het naar Gods Beeld geschapen zijn, die er op wijst, dat God een persoonlijke betrekking van den mensch tot God stelt en in het leven roept.

God in den hemel en de mensch op aarde. Hier spreekt de creatuurlijke scheiding al heel sterk. Hoe geheel anders is deze betrekking dan die van den Vader en den Zoon, daar deze toch één van Wezen zijn.

En toch heeft de Heere een betrekking tot den mensch gewild en daarin is Hij over de grenzen van het creatuurlijke heengegaan door Zijn Woord gestalte te geven in den mensch en als de geopenbaarde God gestalte in hem aan te nemen.

Van den beginne heeft God tot den mensch en met den mensch gesproken. Terecht zegt Calvijn, dat de mensch nooit zonder het Woord Gods is geweest.

God in den hemel en de mensch op aarde. Nog eens, want daardoor wordt die persoonlijke betrekking van God tot den naar Zijn Beeld geschapen mensch onmiddellijk gekenmerkt als een betrekking des geloofs.

Wij staan daarbij gewoonlijk niet stil, maar de mensch in rechtheid moest uit het geloof leven. Hij was rechtvaardig en van hem geldt het niet minder dan van den wedergeborene : de rechtvaardige zal uit het geloof leven.

Het geloof is den aardschen mensch gezet, omdat hij op de aarde woont en de Heere God boven de wereld verheven is. Het geloof is voor den aardschen mensch derhalve een trek van het naar Gods Beeld geschapen zijn. In het geloof houdt hij vast aan den Onzienlijke. En het teekent de zonde en de verduistering van zijn verstand, als hij het geloof laat varen, want daarmede laat hij zijn hoogste levensrelatie los.

2e. Die levensbetrekking is een betrekking der goddelijke Vaderliefde. Hoe klaar wordt dit door de Heilige Schrift geteekend, als zij zoo kort en eenvoudig de vaderlijke zorgen Gods voor den mensch schetst.

God had een hof toebereid, den hof van Eden. Hij zette den mensch in dien hof. Dat was alzoo de woning, welke God voor den mensch had bereid.

Van meet af zorgt God voor 's menschen buis als een symbool, dat Hij hem een eeuwig huis bereid heeft. Eden is het voorportaal van het eeuwige huis.

Onze huizen zijn slechts noodwoningen, waarin wij rust en veiligheid zoeken vanwege al de onheilen, die over ons gekomen zijn door de zonde. De mensch in rechtheid had geen zorgen voor een huis, noch ook voor zooveel andere dingen, die ons voortdurend bedreigen. Hij had slechts één zorg : in het geloof te volharden en staande te blijven in het Woord Gods.

Bijzonderlijk kwam dit tot hem in het z.g. proefgebod. Men spreekt van proefgebod en toch is dit o.i. ten onrechte en ligt daaraan een verkeerde waardeering ten grondslag. Alle Godswoord is in zekeren zin beproeving, geloofsbeproeving en in zooverre kan dat ook van het woord aangaande den boom der kennis worden gezegd.

Doch wij zien daarin toch niet, dat God eens beproeven wilde, wat de mensch zou doen. Veeleer zien wij in dit woord een bewijs van Gods liefderijke zorg voor den mensch, een inleiding tot zijn levensbestemming, een waarschuwing tegen het dreigend gevaar, een vermaning tot gehoorzaamheid en een openbaring van zijn zedelijk wezen.

Of had ook de mensch in rechtheid niet noodig onderwezen te worden tot zelfkennis? Moest ook hij niet door openbaring leeren, wat het zeggen wil naar Gods Beeld geschapen te zijn? Gewis heeft de goddelijke onderrichting bij den boom der kennis wat met zelfkennis en met de schepping naar Gods Beeld te maken. Hoe zou het anders ?

Reeds verschillende trekken van overeenkomst hebben wij aangewezen. En zoo is het ook, dat des menschen zedelijk wezen, waardoor hij van alle andere schepselen op aarde onderscheiden is, met zijn schepping naar Gods Beeld samenhangt.

Vooreerst volgt die zedelijke betrekking reeds onmiddellijk uit de religieuse levensrelatie, waaronder de mensch werd geschapen. De rechtvaardige toch zal uit het geloof leven. Uit het geloof leven kan wederom niet anders zijn dan uit de openbaring Gods, uit het Woord Gods leven. De mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord Gods. (Lukas 4 vs. 3). Dit woord des Heeren teekent alzoo het Woord Gods als levensvoorwaarde en richtsnoer voor het leven van den mensch, waaraan hij gebonden is om zijn bestemming te bereiken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

DOGMATIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken