Bekijk het origineel

DOGMATIEK

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

DOGMATIEK

DE SCHEPPING

10 minuten leestijd

Naar het Beeld Gods geschapen.

De Vader heeft den Zoon gegeven het leven in Zich zelven te hebben. (Joh. 5 : 26). Daarom kan ook de Zoon zeggen : Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. (Joh. 14 : 6).

In het licht van het voorafgaande kunnen wij iets verstaan van den rijkdom en van de goddelijke heerlijkheid, welke daarin gegeven zijn. Christus is de Weg, omdat Hij door den Vader tot een Christus gesteld is, de Weg der Waarheid, en de Weg ten leven, want Hij is de Waarheid en het Leven. De Vader heeft Hem gegeven het leven in Zich zelf te hebben en gelijk alle dingen tezamen in Hem bestaan, zoo is daarmede ook het leven der dingen in Hem gegeven.

Geen wonder, dat de kinderen Gods alle schatten en gaven in Hem vinden en roemen in de zaligheid van den Christus. En ook zij zelven dragen de uitnemende kennis van Christus en van Zijn zaligheid als in een aarden vat.

Christus heeft het leven in Zich zelven. Dat kan van geen schepsel worden gezegd. De naar het Beeld Gods geschapen mensch is voor lederen ademtocht afhankelijk van zijn Schepper.

En toch heeft de mensch in rechtheid iets daarvan, zij het dan ook vergelijkender wijze en op een schepselmatige wijze. Hij heeft niet het leven in zichzelven, doch een trek van het Beeld Gods verraadt zich daarin, dat God den mensch den wegl des doods en den weg des levens in zijn hand heeft gesteld.

God heeft den mensch niet geschapen als een stok en een blok. En dat is de les bij den boom der kennis. „Ten dage als gij van dezen boom zult eten, zult gij den dood sterven". God maakt den mensch bekend, dat de weg ten leven en de weg ten doode in zijn hand zijn gesteld.

Al heeft hij het leven niet in zich zelf. Hij wordt door God op den tweesprong gezet. Ook alweer een uitdrukking, die men veelvuldig gebruikt en in allerlei zin. Betrekkelijk gesproken, kan men dat in vele levensmomenten zoo zeggen. De mensch staat telkens weer voor de keuze in het leven. Dat is echter alles maar zeer relatief. Maar Adam stond voor den tweesprong op een wijze, die naar de omstandigheden geheel eenig zou zijn in de geschiedenis van de menschheid. Volharden in de gerechtigheid, waarin hij was geschapen, en staande blijven in den weg des levens, óf den weg des geloofs verlaten, in ongerechtigheid vallen en de gansche menschheid meesleepen in den dood.

Hij stond voor een beslissenden stap als geen menschenkind na hem. Hij had den weg des levens en des doods, om het zoo uit te drukken, in de hand. Dat kon alleen bij den mensch in rechtheid zoo volstrekt zijn en één stap in de ongerechtigheid beteekende voor hem en ons geslacht onherstelbaar verlies der geestelijke en zedelijke reinheid.

Geen enkele daad van den mensch kan worden teruggenomen. Wij kunnen geen stap terug. Er is een weg van de wieg naar het graf, maar er is geen weg terug. ledere daad gaat in de historie in, wordt geschiedenis en in haar voortwerking en gevolgen onherroepelijk saamgeweven in de bonte mengeling van het geschieden, ledere daad is bepalend voor de werkelijkheid van ons bestaan en dat van onzen medemensch.

Dat onherroepelijke, onherstelbare van ons doen — en van ons laten — is ontstellende werkelijkheid.

Dat nu werpt zulk een schril licht op ons zedelijk wezen.

De overtreding zij in ons oog klein of groot, maar de geringste overtreding van het goddelijk gebod, de geringste krenking van onze goddelijke levenswet, beteekent een val van de zedelijke reinheid in zedelijke onreinheid. Geen goede werken, geen offer, geen menschelijk vermogen kan de verloren gerechtigheid herwinnen, omdat wij geen stap terug kunnen.

En zooals de mensch in rechtheid voor den tweesprong stond, heeft geen zijner nakomelingen ooit gestaan.

Zijn val beteekende den val van allen, omdat de oorspronkelijke gerechtigheid verloren was. Hij besliste over de geschiedenis der menschheid en zij draagt allerwege de schrikbarende teekenen van zedelijke ontwrichting en ongerechtigheid. En hoewel dit voor iederen mensch nog altoos zoo staat, dat een enkele overtreding hem onherroepelijk in de ongerechtigheid doet vallen en hem van de zedelijke reinheid, welke hij zich zelf mocht willen toekennen, op onherstelbare wijze doet vervallen, hoewel dat in onze betrekkelijke, naar menschelijk oordeel zoo genaamde gerechtigheid, zoo is, zondigt toch niemand in de gelijkheid der overtreding Adams. Want niemand heeft de rechtheid, d.i. ook de gerechtigheid en reinheid van Adam gekend.

Wat wij gerechtigheid noemen is altoos burgerlijk en naar onzuiveren maatstaf gemeten. Wij zijn in ongerechtigheid ontvangen en geboren. Wij bewegen ons in een sfeer van ongerechtigheid, in een werkelijkheid, die vreemd is aan en vervallen van de reinheid onzer schepping. Maar de naar Gods Beeld geschapen mensch in rechtheid stond in de ongekrenkte reinheid, welke ten eenenmale verloren was na zijn val. In, dit opzicht was zijn overteding volstrekt en stelde zij de gansche wereld onder het volstrekte oordeel Gods. Door zijn overtreding derven wij allen de gerechtigheid en ons zedelijk vermogen is gekrenkt.

De eerste mensch stond , daarom op den tweesprong, zooals geen ander. Zijn val besliste over ons, was onze gemeenschappelijke val in ongerechtigheid. Onze wandel is in duisternis. Vandaar, dat geen menschelijke zedeleer of zedekunde ons den weg der gerechtigheid kan aanwijzen en nog veel minder uit de ongerechtigheid kan terugbrengen.

Vergeefs tracht men zulk een weg te vinden van uit den mensch en zijn geschiedenis. De wijsbegeerte is vol van het pogen en bewijst slechts één ding : n.l. dat de mensch een zedelijk wezen is, en dat het heimwee van een verloren paradijs hem vervult.

Buiten het licht der openbaring tast hij in het duister omtrent zijn eigen wezen.

De eerste mensch op een tweesprong. God onderrichtte hem daarvan bij den boom der kennis des goeds en des kwaads. Hij onderwees hem omtrent het feit, dat zijn levensweg in zijn hand was gesteld. Gehoorzaamheid was zijn leven, ongehoorzaamheid zijn dood.

Zoo volgt hieruit, dat dit den mensch gegeven was, omdat hij naar Gods Beeld is geschapen. Hij was als een zedelijk wezen geschapen en daarom met een wilsvermogen.

De Dordtsche vaderen hebben goed begrepen, dat het met dat wilsvermogen bij Adam anders was gesteld dan bij den gevallen mensch. (Dordtsche leerregels. Zie 3e en 4e Hoofdst.). Adam stond anders op den tweesprong dan wij. ledere stap op den weg naar zijn bestemming, iedere handeling, ja iedere overweging beteekende een beslissing in de reinheid van zijn bestaan, of een beslissing, waardoor die onherroepelijk zou zijn verloren. Een stap ten leven of een stap in den dood. En dat voor hem en zijn geslacht. Zijn wil stond vrij ten aanzien van beide. Daarom kon men bij hem in den eigenlijken zin des woords van een vrijen wil spreken. En die wil bleef vrij, zoolang hij volhardde in geloof en gehoorzaamheid, d.i. zoolang hij in rechtheid zijn bestemming volgde.

Het onherroepelijke van iedere daad, het niet meer terug kunnen, berooft den mensch niet alleen van de vrijheid ten aanzien van die daad, maar ook van de gerechtigheid, indien hij overtreedt. Wij allen ervaren nog dagelijks, dat wij ten aanzien van gedane zaken onze vrijheid, die wij hadden, toen deze nog niet gedaan waren, missen. Wij gevoelen het, dat wij vrij zijn om te doen of niet te doen, zoolang het nog niet tot een beslissing kwam. Maar als de beslissing is gevallen, zijn wij jegens onze daad niet meer vrij. Zoo was Adam na zijn overtreding niet meer vrij en bij machte terug te keeren in zijn rechtheid. Zoo bleef de vrijheid, die wij allen gevoelen, de wil om dit of dat te doen, maar machteloos is de wil om terug te keeren in den staat der zedelijke reinheid. Na den val was van een vrijen wil ten goede geen sprake meer.

Nochtans blijft de mensch na den val een zedelijk wezen en God blijft hem bejegenen als een zedelijk wezen. De mensch blijft gebonden aan de zedelijke normen en schuldig Gods geboden te gehoorzamen. Hij staat in dit leven. Van oogenblik tot oogenblik ziet hij zich voor een beslissing gesteld. Hij moet handelen en zijn handelen is zedelijk of onzedelijk bepaald. ledere handeling valt onder zedelijke waardeering, onder de critiek van het geweten, en onder het oordeel van den hoogsten Rechter.

Uit den aard der zaak kan slechts in betrekkelijken zin over goed en kwaad worden geoordeeld. Er is geen sprake meer van een beantwoorden aan den eisch der gerechtigheid. Geen sprake van een zuivere openbaring van zijn wezen.

Er kan alleen sprake zijn van een zich uitstrekken naar de norm, zooals die in Gods gebod geopenbaard is, een zich richten naar den eisch. De distantie blijft. Deze kan grooter of kleiner zijn, maar hoe klein men die ook denkt, zij is altijd oneindig groot. De gerechtigheid ligt in een ander vlak, in een andere wereld, in het onherroepelijk verleden. Zij kan evenmin worden herwonnen door de hoogste zedelijke inspanning, als men ten koste van alles, wat men geven wil, de klok van zijn leven een minuut zou kunnen terugzetten, of met bezorgd te zijn een el tot zijn lengte toevoegen.

Zooals de afgelegde levensweg onherroepelijk achter ons ligt, zoo ligt de gerechtigheid onherroepelijk achter ons.

Het leven drijft altoos vooruit de toekomst in en iedere nieuwe handeling is een stap in de richting voorwaarts, zij moge zedelijk goed of kwaad worden gewaardeerd. Ons leven ligt onder de ban der zonde. Zoo gaan wij een weg, die steeds verder van de oorspronkelijke gerechtigheid wijkt en welks einde is de dood.

Doch ook alzoo kan een mensch geen beroep doen op zonde en dood, geen verontschuldiging vinden voor de onmacht zijner geknotte vrijheid. God stelt hem in zijn geweten verantwoordelijk en schuldig. Zijn zedelijk wezen spreekt. Socrates heeft beweerd, dat niemand vrijwillig zondigt. Maar het geweten getuigt het tegendeel en als het zijn aanklacht doet hooren, verraadt zelfs de uitvlucht, die de schuld zoekt te bedekken, dat de overtreding vrijwillig werd bedreven. Hoe zou er plaats kunnen zijn voor het besef van schuld en verantwoordelijkheid, als de mensch niet willens en wetens zondigde?

Ondanks de verleiding en alle omstandigheden, welke de mensch tot zijn verontschuldiging kan aanvoeren, blijft toch het onloochenbaar besef zich opdringen aan den overtreder : het stond in mijn vermogen om te wijken van het kwaad en, neen te zeggen. En dan treedt het zedelijk vergrijp klaar aan het licht: Ik had neen moeten zeggen. Ik had het niet moeten doen, niet mogen doen. Ik was schuldig geweest voor God, voor de menschen en voor mij zelf om 't niet te doen.

Er is over het vraagstuk van den vrijen wil heel wat geschreven. Bekend is ook, dat Luther tegenover Erasmus den slaafschen wil verdedigde. Veelal echter beweegt zich de discussie over den vrijen wil in een geheel ander vlak. Het is een zuiver zedelijk vraagstuk. En, zooals werd aangetoond, is de zedelijke vrijheid een feit. Gewoonlijk trekken de menschen de zaak scheef. Als God almachtig is en alles bestiert naar Zijn wil, zoo zegt men, dan doet de mensch het niet, hij is niet vrij, maar al zijn doen en laten is bepaald door den loop der dingen. Dus heeft de mensch ook geen schuld.

Anderen zeggen weer, als God alle dingen bestiert, heeft Hij ook den val des menschen gewild. Deze is althans niet buiten Zijn wil omgegaan. Waarom heeft God den mensch dan niet zoo geschapen, dat hij niet vallen kon?

Zoo zijn wij bij de vraag, die in zoo menige ziel opkomt, als er over de zonde wordt gehandeld in verband met de Godsregeering. Wij willen deze vraag onder het oog zien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

DOGMATIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken