Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Christelijke leer van God

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Christelijke leer van God

12 minuten leestijd

De grond der Christelijke leer: de openbaring.

Derde Hoofdstuk

Zoo wordt de kerk een draagster der openbaring.

Dat kan men alles zoo zien, maar dan onderstelt men geloovigen, die getuigen, een gemeente, die predikt. Dan echter moet men bij de geloovigen en toij de gemeente niet blijven staan, maar teruggaan op het werk Gods, die door Woord en Geest zijn openbaring in de gemeente onderhoudt.

Brunner wijst er dan ook op, dat de genoemde gestalten van openbaring in voorwerpelijken (objectieven) zin openbaring zijn. Deze gestalten kunnen een mensch voorbij gaan. Zal de openbaring worden verstaan als Gods openbaring, dan moet daarbij een inwendig geschieden komen. ,,Testimonium Spiritus Sancti (getuigenis van den Heiligen Geest) noemden de ouden dat." Brunner noemt dit liever met de Heilige Schrift; openbaring. Hij ziet dus bepaaldelijk op het gebeuren, zoowel objectief als subjectief (blz. 23).

Ten slotte wijst Brunner op de volheid der openbaring in de voleindiging, wanneer de geloovigen Hem zullen zien van aangezicht tot aangezicht (blz. 24, 25).

Resumeerende kunnen wij dus constateeren, dat prof. Brunner den volgenden gang der openbaring aanneemt: de Oud-Testamentische als voorloopige, de vleeschwording des Woords als de eigenlijke en de openbaring der voleindiging als de volkomene. De eerste onderscheidt zich als openbaring door het Woord, de tweede als de onmiddellijke en persoonlijke in den Heere Jezus Christus, de laatste door de volkomen verwerkelijking van onze bestemming in Christus Jezus.

Terecht ziet hij de openbaring als een werk Gods, zoowel objectief in de verschillende openbaringsgestalten als in de werking van den Heiligen Geest in de geloovigen.

Het eigenlijk openbarings geschieden onderscheidt hij voorts van het getuigenis dienaangaande.

Het getuigenis is niet de openbaring zelf, maar spreekt daarvan. De apostelen getuigen van wat zij gehoord en gezien hebben.

Zoo blijft voor hun nog de vraag over, welke hij als volgt formuleert: „Hoe kan uit goddelijke openbaring menschelijke leer voortkomen", (blz. 25).

Het volgende hoofdstuk geeft daarop het antwoord, zooals Brunner dat ziet.

Vierde Hoofdstuk.

De Openbaring als Woord Gods.

Hoe kan uit goddelijke openbaring menschelijke leer worden ?

Dat was de vraag.

Brunner wil in dit opzicht niet den weg op van de Roomsch-Katholieke en Protestantsche opvatting, volgens welke aan de menschelijke leer van God de openbaring als goddelijke leer, als geopenbaarde leer van God zelf ten grondslag ligt.

Hij meent, dat zulks niet kan, omdat openbaring in de profetische rede (het gaat hier dus over het Oude Testament) niet slechts het zich mededeelende Godswoord is, maar ook een handelen in de geschiedenis, een doen van God, dat zich niet eenvoudig laat rangschikken onder het begrip ,,woord" of „spreken" Gods.

En toch kan men zeggen, dat de openbaring van het Oude Verbond haar toppunt bereikt in het profetische woord. De profetische rede is normatieve en karakteristieke gestalte dezer openbaring. Het Woord Gods is daar in de gestalte van geopenbaarde menschenwoorden (blz. 26).

Maar nu staat tusschen ons en het Oude Testament een nieuwe gestalte der openbaring, de vervulling van den beloofden inhoud der door de apostelen in de kerk verkondigde Godsopenbaring : Jezus Christus zelf — alzoo niet een woord, maar een Persoon, een menschenleven in de volle historische aanschouwelijkheid. God zelf is daar, niet meer een woord van Hem. Daarom is het rijk Gods aangebroken. Het Woord is vleesch geworden (blz. 27). Hij zelf, Jezus, de Zoon van God, is het begin (principe) der schepping, van wien het Oude Testament eerst zeggen kon : God sprak.

Brunner meent, dat het praedicaat Woord (Logos) een oneigenlijke uitdrukking is geworden. De sprekende en handelende Persoon is daar (blz. 28). Hij leest dat in Johannes 1 vers 1—14 en in 1 Joh. 1 : 1.

Men ziet dus, dat Brunner steeds weer op het zelfde aambeeld hamert: het onderscheid in de Oud- en Nieuw-Testamentische openbaring. In het Oude Testament komt Gods openbaring tot ons als Gods Woord in menschelijke gestalte : God sprak. In het Nieuwe Testament hebben wij van doen met het apostolisch getuigenis aangaande de openbaring van Christus in het vleesch.

Het Oude Testament spreekt over den Messias, die komen zal. Hoe anders dan door openbaring konden de profeten van Hem spreken?

Maar het Nieuwe Testament ? Het vertelt en getuigt van den Christus, het vleeschgeworden Woord, hetwelk zij hebben aanschouwd. Het vleeschgeworden Woord is zelf openbaring en het Nieuwe Testament, zooals het daar ligt, is niet die openbaring, niet die Christus. Het is apostolisch getuigenis. De vraag is dus: Hoe kan dat getuigenis van menschen nu gezaghebbende leer van God en de goddelijke dingen zijn ?

Op zich zelf genomen is de aangewezen onderscheiding juist en bezitten wij in het Nieuwe Testament het getuigenis der apostelen. Christus zelf heeft gezegd : Gij zijt Mijne getuigen.

Wat in het Oude Testament Woord heet, wat in de Oud-Testamentische Scheppingsgeschiedenis: „en God sprak", wat in het Oude Testament met woorden moet worden gezegd, dat is thans in Persoon aanwezig, niet meer alleen in het spreken van Hem. Daarom kan men Hem, die Logos genoemd wordt, ook anders noemen: Licht, Leven, Zoon van God (blz. 31),

Even tevoren heeft Brunner opgemerkt, dat Johannes niet bedoelt te zeggen, dat Jezus het Woord is, maar dat het Woord Jezus is. Hij verstaat het dus zoo: het Oude Testament noemt het Woord. Thans weten wij, wie dat is : n.l. Jezus.

Een en ander wordt door prof. Brunner zoo gesteld in verband met zijn bezwaar tegen de orthodoxe theologische traditie en de aan de Grieksche philosophic ontleende logos-speculatie. Wat deze laatste aangaat, kan dat onze volledige instemming hebben. Doch zonder in een Grieksche logos-speculatie te vervallen, kan men over den Logos handelen. Indien de Heilige Schrift daarvoor geen argumenten bood, zou zelfs de terecht afgewezen speculatie geen aanleiding hebben gevonden.

Ook zonder van den Logos uit te gaan kunnen wij dien benaderen, als wij op den titel Messias, Christus, letten. In de hemelsche boodschap aan de herders wordt gezegd : dat u heden geboren is de Zaligmaker (Jezus), welke is Christus, de Heere, in de stad Davids (Lukas 2 : 15).

De apostel Paulus in de synagoge predikend toont den Joden aan, dat Jezus is de Christus. De Verwachte en Beloofde is alzoo de Christus. Het Oude Testament profeteert van den komenden Messias. De geloovige Jood leefde bij die verwachting en uit die verwachting (Simeon, Hanna).

De oogen, die Jezus van Nazareth aanschouwden zagen echter niet alle gelijk Simeon en Hanna in Hem den Christus. Petrus zag het: „Gij zijt de Christus", toen de Vader het hem openbaarde.

Er is ook geen enkele reden om aan te nemen, dat de Oud-Testamentische geloovige dien Christus niet als Persoon zou hebben geloofd. Getuige wat Christus zegt aangaande Abraham, die verlangend naar Zijn dag heeft uitgezien (Joh. 8 vs. 56). Bovendien leert Christus de Schriftgeleerden, dat de Schriften van Hem getuigen.

Wij zijn dan ook van meening, dat de Messianiteit van het Oude Testament niet van een enkelen tekst afhangt, maar dat deze veeleer gezocht moet worden in het Oude Testament als geheel, in de leiding Gods met het volk Israël, in de symboliek van den tempeldienst en niet het minst in het feit, dat Christus zelf als de Gezalfde des Heeren de hoogste Profeet en Leeraar is.

De proloog van Johannes komt ons voor daarop een bijzonder licht te werpen. Hij verklaart daar, dat het Woord, dat in de schepping uitging, de Christus is. Dat Hij het Licht der menschen is en het Leven, reeds met betrekking tot al het geschapene. Waarom anders die nadrukkelijke mededeeling, dat geen ding, dat gemaakt is, zonder Hem gemaakt is.

De vleeschwording des Woords is dan te verstaan in dien zin, dat Christus den mensch heeft aangedaan. Het Woord is Christus en dit Woord is vleesch geworden.

Als Brunner zegt het Woord is Jezus, valt het accent op den mensch. Het eerste is, dat het Woord is de Christus en dan, dat Jezus is de Christus.

Ter verklaring van het Oude Testament volgt dan, dat de God des Woords, de sprekende God, de Christus is. Daaruit volgt verder, dat deze Christus de Godsopenbaring zelf is, in Wien en door Wien de Drieëenige God zich aan den mensch bekend maakt.

Met Logos-speculatie heeft dat niets uit te staan. Bovendien is het Woord (de Logos) meer dan een woord. Juist, omdat het Woord de Christus is, omvat het Woord de gansche openbaring Gods in de schepping, in de historie, in de profetie, in de vleeschwording, in de herschepping en voleindiging.

En dus vangt alle openbaring (in objectieven zin) aan met de schepping, welke ons als een werk van Woord en Geest wordt geleerd (Ps. 33 : 6).

Brunner noemt het Oude Testament een vooruitloopende en een voorloopige openbaring. Dat is niet ongeschikt. Immers de Oud-Testamentische heiligen hebben een smaak van den Christus gehad, zooals duidelijk blijkt uit het voorbeeld van Abraham, waarop Christus zelf wijst. Welnu, als de Heere in het Oude Testament tot den mensch komt in menschelijke woorden en beelden, is dat niet reeds een vooruitloopen op de vleeschwording des Woords, een zeker aandoen van den mensch?

Vergissen wij ons niet dan merkt Brunner dat zelf ook ergens op.

Hoewel het onderscheid tusschen Oude en Nieuwe Testament blijft, wordt toch de distantie veel kleiner. Dezelfde Christus staat in het centrum van het Oude en van het Nieuwe Testament, zijnde de Middelaar van schepping en openbaring. In het Oude Testament komt de gestalte in den Engel des Heeren trouwens ook nabij.

Het Oude Testament brengt de Christus-openbaring in de gestalte van menschelijke woorden en beelden, het Nieuwe Testament in die van het vleeschgeworden Woord, maar daarom toch ook het Woord. (vgl. Joh. 8 : 38).

Brunner spreekt van Christusopenbaring. Dat is ook zoo : Christus geopenbaard in het vleesch. Men kan met evenveel grond zeggen, dat het Oude Testament Christusopenbaring is. Het Oude Testament wijst ons echter op een correctie, Christusopenbaring is Godsopenbaring in en door Christus, opdat niet de gansche theologie in Christologie opgaat. Het Oude Testament spreekt altijd over God, de Heere, terwijl Christus zelf zegt, dat Hij ons den Vader heeft verklaard. Wie Mij heeft gezien, heeft den Vader gezien (Joh. 14 : 9). Hij dient Zichzelven aan als de Openbaarder Gods. Als Hij spreekt, spreekt God Drieëenig. Wij zullen woning bij hem maken, die Mijn Woord bewaart (Joh. 14 : 23). Zijn Woord is met macht: „Voorwaar, voorwaar zeg Ik u".

Ook in dit opzicht hebben wij het Nieuwe Testament in het licht van het Oude te lezen. Het is God, die Zich in en door Zijn Christus openbaart. Profeten en apostelen getuigen alzoo beiden van den Christus, d.w.z. hoe God zich in en door Zijn Christus openbaart. En zoo kan men ten aanzien van Oude en Nieuwe Testament tegelijk de kwestie stellen zooals Brunner die stelt ten aanzien van het Nieuwe Testament. Het getuigenis is nog niet het openbaringsgeschieden, noch ook de openbaring zelf.

Hoe wordt nu het getuigenis voor ons tot openbaring, tot openbaring in den eigenlijken zin, zoodat wij er bij betrokken worden (onderwerpelijk of subjectief) ?

Brunner wijst thans op het werk van den Heiligen Geest.

Hij herinnert aan Petrus' belijdenis en Paulus' woord, dat Christus gestalte in hem heeft aangenomen. Voorts aan Rom. 8 : 16 : Gods Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.

In dat getuigen van Gods Geest met onzen geest, ontdekt hij een criterium, hoewel niet gemakkelijk nader te bepalen. Wij zouden zeggen : gemeenschap van 's menschen geest met God door Zijn Geest. In die gemeenschap gaat het licht der openbaring op in den mensch, wordt hij een mede getuige, die het getuigenis der apostelen en profeten verstaat.

Zonder twijfel raakt dit alles aan een echt Schriftuurlijk en reformatorisch stuk des geloofs. Hierop wijst ook de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, als zij belijdt: al deze Schriften ontvangen wij voor heilig en kanoniek om ons geloof daarnaar te refuleeren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen en wij gelooven zonder eenigen twijfel al wat daarin begrepen is, en dat niet zoo zeer, omdat de kerk ze voor zoodanige houdt, maar, omdat de Heilige Geest getuigt in onze harten, dat zij van God zijn (art. 5).

En toch zal Brunner, naar wij veronderstellen, dit artikel niet onderschrijven. Het geloof aan Jezus Christus rust niet op een voorafgaand Bijbelgeloof, maar het rust geheel alleen op het getuigenis des Heiligen Geestes, hetwelk echter niet tot stand komt dan door middel van het apostolisch getuigenis — het apostolisch getuigenis, waartegenover wij in vrijheid staan en hetwelk voor ons wel grondleggend is, maar niet in den zin van de leer der inspiratie dogmatisch bindend, schrijft hij (blz. 40).

Zonder het getuigenis der apostelen komt het getuigenis van den Heiligen Geest niet tot stand. Ook het getuigenis der apostelen is niet zonder den Heiligen Geest tot stand gekomen. Nu zou men verwachten, dat het getuigenis des Heiligen Geestes in den geloovige de waarachtigheid van het getuigenis der apostelen doet ontdekken, zijnde geboren uit denzelfden Geest. En voorts, dat het getuigenis der apostelen (en wij zeggen ook der profeten) als goddelijke waarheid wordt ontdekt en als zoodanig dus bindend is voor het geloof.

Dat is ook de zin van art. V der Nederlandsche Geloofsbelijdenis.

Brunner's conclusie gaat echter in een andere richting. De inwendige openbaring zou volgens zijn beschouwing de distantie tusschen het apostolisch getuigenis en de openbaring grooter maken, zoodat dat getuigenis dogmatisch niet bindend is.

Wij willen niet beweren, dat hierin nawerking van Schleiermacher aan den dag treedt, maar overeenkomst is er in zooverre, dat Schleiermacher ook niet van een openbaring van goddelijke leer wilde weten. Hier ligt dus een verschilpunt met de reformatorische Schriftbeschouwing.

Het volgende hoofdstuk geeft aanleiding op deze kwestie nader in te gaan en deze is belangrijk genoeg om de aandacht te mogen hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De Christelijke leer van God

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken