Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Christelijke leer van God

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Christelijke leer van God

12 minuten leestijd

Verschillende overwegingen leidden er toe, dat wij de eerste hoofdstukken van Brunners boek breedvoerig hebben besproken. Een der voornaamste was wel de overwegingen van dezen Zwitserschen theoloog ten aanzien van het stuk der openbaring te doen spreken.

En hoewel ook prof. Brunner de Heilige Schrift normatieve autoriteit toekent in betrekking tot de leer, meent hij, dat deze autoriteit niet onbepaald kan gelden, zoodat een uiteindelijk terug trekken op een Schriftuitspraak niet mogelijk zou zijn.

Zooals betoogd kunnen wij het met deze conclursie niet eens zijn, al ware het alleen reeds, omdat de Christus zelf betuigt, dat Hij aan Zijn discipelen de woorden Gods heeft toebetrouwd. Bovendien zou de opvatting van prof. Brunner een scheiding maken tusschen Woord en Geest, terwijl Christus die twee verbindt, als Hij zegt, dat de Heilige Geest uit zich zelf niet zal spreken, maar spreken zal, wat Hij gehoord heeft en het uit het Zijne nemen zal.

Prof. Brunner erkent dit ook tot op zekere hoogte.

En als hij de Christelijke leer zelf een gestalte der openbaring noemt, maakt zij aanspraak op volstrekte waarheid en geldigheid (blz. 58). Die aanspraak echter kan, alleen aan het karakter van goddelijke openbaring worden toegekend. En daarom kan de Christelijke leer alleen in zooverre aanspraak maken op volstrekte waarheid en geldigheid in zooverre zij op goddelijke openbaring teruggaat.

Vandaar dan ook, dat de Christelijke kerk die aanspraak voor haar leer laat gelden, omdat zij haar in overeenstemming acht met de leer der Heilige Schrift en in zooverre dat alzoo is.

Het leergezag der kerk berust naar gereformeerde (en zooals Brunner opmerkt stilzwijgend ook naar Luthersche) belijdenis op de overeenstemming met de norm der Heilige Schrift. Vandaar, dat wij kunnen wijzen op de onderscheiding in norma normans (de Heilige Schrift) en norma normata (de belijdenis).

Zou men nu aan de Schrift volstrekte normatieve autoriteit moeten ontzeggen, dan kan men feitelijk van een Christelijke leer niet meer spreken. Te meer, omdat de reformatorische kerk geen ander gezag erkent, dat met de Heilige Schrift gelijk gesteld kan worden, noch de gewoonte met de waarheid, noch de groote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten want alle menschen zijn uit zichzelven leugenaars, en ijdeler dan de ijdelheid zelve. Daarom verwerpen wij van ganscher harte al wat met dezen onfeilbaren regel niet overeenkomt. (Ned. Geloofsbelijdenis Art. VII).

Niettemin zegt Brunner: De theologie der reformatie heeft recht, dat zij de Bijbelsche autoriteit boven de kerkelijke (de belijdenis) stelt als haar norm, maar zij heeft onrecht, als zij de Bijbelsche leer tot laatste, onherroepelijke instantie maakt, door Gods Woord en Bijbelwoord eenvoudig te identificeeren (blz. 63). Dit ware, volgens zijn meening, een terugkeer naar de Roomsche dwaling. Het protestantisme ware leergeloof, dogmengeloof, met dit onderscheid, dat het Bijbelsche dogma de plaats van hel kerkelijke zou hebben ingenomen. De protestantsche orthodoxie zou het eind der reformatorische vernieuwing zijn en deze zou in haar tot stilstand gekomen zijn (blz. 64).

Even tevoren heeft Brunner opgemerkt, dat het object des geloofs is de openbaring, Jezus Christus zelf, niet het credo der kerk.

Wij stemmen Brunner van harte toe, dat het credo geen object des geloofs is. Daarentegen geeft het credo uitdrukking aan het object des geloofs in zijn verschillende aspecten.

In het waarachtig geloof heeft men met Christus zelf van doen, niet met een leer van Christus, meent Brunner. Dat is ook zoo, maar, als men met den Heere Jezus Christus van doen heeft, dan heeft men ook met den Vader van den Heere Jezus Christus en met den Heiligen Geest van doen. Voorts heeft men met de werken Gods van doen, met den oorsprong, het wezen en de bestemming van den mensch, met de zonde, met de verlossing, met de kerk en zooveel meer.

Dat alles behelst zooveel meer dan een leer over Christus. Het is niet zonder oorzaak, dat de oude kerk reeds tot uitdrukking van haar credo is gekomen in het apostolicum.

Wanneer men dit alles-menschelijke leer wil noemen dan ziet men op de menschelijke uitdrukking van geopenbaarde waarheid. Doch niet het menschelijk uitgedrukte credo, maar die geopenbaarde waarheid is het object van het credo.

Wij vragen, wat weet de mensch van God, van zichzelf, van zijn oorsprong, van zijn wezen, van zijn bestemming, van zonde, van gerechtigheid enz. enz., buiten de geopenbaarde waarheid aangaande dat alles?

Geloof is confrontatie, ontmoeting met Christus zelf, niet onderwerping aan een leer van Hem, hetzij de kerkelijke, hetzij de leer der apostelen en profeten, zegt Brunner (blz. 63).

Wij stemmen Brunner dat eerste gaarne toe. Indien de Christus in ons geen gestalte heeft aangenomen, is er geen waarachtig geloof. Daarop kan niet genoeg nadruk worden gelegd. Doch, hoe weten wij dat? Alleen maar, als Christus gestalte in ons heeft aangenomen. Maar de eenigheid des geloofs rust toch in de gemeenschap met dien Christus, die ons in de Heilige Schrift wordt voorgesteld. De zaligheid is in geen anderen. Men behoeft slechts het derde boek van Calvijns Institutie te lezen óm onder den indruk te komen van het reformatorisch besef, dat het waarachtig geloof slechts Christus en Zijn weldaden omhelst. Hoe zeer onderscheidt hij een z.g. historisch geloof, een leergeloof, van het waarachtig, zaligmakend geloof.

Doch, hoe men tot zulk een geloof kan komen zonder bijbelsche leer, is niet alleen onduidelijk, maar ook onverklaarbaar, als men bedenkt, dat de Heilige Geest niet zonder het getuigenis der apostelen den Christus openbaart in onze harten. Het geloof is uit het gehoor. En nu is wel gebleken, dat Brunner ook bij de prediking denkt aan levende getuigen. Hij vestigt het oog op den geestelijken achtergrond en ziet ook de eigenlijke traditie des geloofs als een werk des Heiligen Geestes.

Wij doen van dat alles niets af en gelooven aan de geestelijke werkelijkheid van het Lichaam van Christus, Dit sluit echter de overdracht van de Bijbelsche leer niet uit, maar sluit die veeleer in. Dat geeft Brunner eigenlijk ook toe, als hij zegt, wij hebben „Jezus Christus zelf niet anders dan in en met de leer van Hem" (blz. 64). Wij zouden zelfs gaarne zeggen dan „in en met Zijn leer". Deze verbondenheid ziet hij trouwens als een noodwendige (blz. 64). En als hij dan weer opmerkt, dat zelfs die leer, zonder welke wij Hem niet hebben, Christus zelf niet is, kan dat niet worden weersproken, maar dan voegen wij daaraan toe, dat wij eerst door de uitnemende kennis van Christus de Bijbelsche leer verstaan. De verbondenheid blijft, zoowaar de zaligheid is dergenen, die Zijn Woord bewaren en Zijne geboden liefhebben.

Het is ook ongerijmd, dat de Heilige Geest aan het getuigenis gebonden is, terwijl de geloovige mensch door dienzelfden Geest geleerd daaraan niet zou gebonden zijn De Heilige Geest niet vrij tegenover het getuigenis der apostelen en profeten, maar de mensch door dien Geest in de waarheid geleid wel vrij daartegenover, hoewel het de eenige vorm is, waarin de waarheid tot hem komt.

Alleen het feit, dat de Heilige Geest door het getuigenis der apostelen en profeten. tot den mensch komt en dat Christus zich daarvan bedient om gestalte in hem aan te nemen, onderscheidt dat, getuigenis reeds van alle menschelijke leer en geeft daaraan goddelijk gezag. Wanneer Brunner dan spreekt van een identificeeren (voor hetzelfde houden) van Gods Woord en het Bijbelwoord als een terugvallen in de Roomsche dwaling, waarbij het Bijbelsche dogma in de plaats van het kerkelijke is gezet, roept dit verschillende bezwaren op.

Vooreerst weet de orthodoxie zeer wel, dat God in den Bijbel tot ons spreekt door de apostelen en profeten, zoodat wij Gods Woord hebben in de gestalte van het menschelijke. Zij beluistert in de Heilige Schrift de stem van den hoogsten Profeet en Leeraar, welke is de Christus.

Maar daarom ook heeft de Heilige Schrift voor haar goddelijke autoriteit en spreekt zij nooit van een Bijbelsch dogma, maar van de waarheid Gods. In Hand. 15 ontvangt het woord dogma den kerkelijken stempel in den zin van kerkelijke beslissing. (Vergel. Hand. 16 : 4).

Overigens is het juist in kwestie, of van terugval tot de Roomsche dwaling sprake kan zijn, als daarbij de restrictie wordt geponeerd, dat het Bijbelsch dogma in de plaats van het kerkelijke wordt gezet. De reformatoren zouden die stelling zeker niet hebben aanvaard. Zij beleden het goddelijk gezag der Heilige Schrift op grond van het getuigenis des Heiligen Geestes.

Het door Brunner verdedigde standpunt grijpt de reformatorische leer in het hart aan en moet op ondermijning van het fundament der apostelen en profeten uitloopen, als hij daarbij blijft volharden, en dat ondanks den nadruk, dien hij — op zich zelf terecht — legt op het werk van den Heiligen Geest tot waarachtig geloof. De profeten zijn den Geest der profetie onderworpen.

Het gaat hier niet enkel om een verschuiving van het accent. Het is geheel iets anders, of de apostelen en profeten getuigenis geven op hun wijze en naar de omstandigheden, waarin zij verkeerden, over openbaringen Gods, die hun ten deel vielen, dan wel, of het gansche bestel der profetie een werk Gods is, hetwelk Hij aan Zijn Christus heeft toebetrouwd, opdat Hij de verborgenheden van Zijn Raad aan de menschheid zou bekend maken en derhalve in menschelijke gestalte heeft willen toebetrouwen.

In het eerste geval is de Godsopenbaring een zeker geschieden, hetwelk door den profeet op zijn wijze wordt vertolkt en waartegenover wij op onze wijze vrij kunnen staan. Doch in het tiveede geval is ook de gestalte, waarin de profetie tot ons komt in de openbaringswerkzaamheid opgenomen en spreekt God door den profeet in de gegeven gestalte tot ons.

In het eerste geval kan ik van uit de openbaring, die mij door den Heiligen Geest moge te beurt vallen, de vertolking van den. profeet op mijn wijze interpreteeren en waardeeren. Het profetlsche woord is dan immers toch op zijn wijze theologisch bepaalde gezichtspunt van den profeet, tegenover mijn op mijn wijze bepaalde gezichtspunt. En gelet op het innerlijk getuigenis van den Heiligen Geest, ziet Brunner geen principieel onderscheid tusschen hem en den geloovige.

Hoe geheel anders echter de reformatorische visie op de profetie. Ook zij erkent ten volle de innerlijke illuminatio van den Heiligen Geest, Ook zij heeft een open oog voor de omstandigheden, waarin de profeten gesproken hebben en voor den gang der openbaring, maar zij omhelst in het profetische Woord, zooals dat tot ons kwam, en in de gestalte, waarin het verschijnt, de sprake van dienzelfden Geest. Zij beluistert daarin het Woord, hetwelk getuigt van den Christus Gods. Immers Hij is het, die aan de profetie gestalte gaf en gestalte aannam.

Geheel In overeenstemming daarmede hielden de reformatoren den Heiligen Geest voor den Auteur der Heilige Schrift. En ondanks het gevaar van een misplaatste allegorie en een overdreven pogen om in ieder woord den Christus te lezen, houden wij het voor recht naar het Woord van den Christus zelf de gansche profetie Messiaansch, als getuigenis van den hoogsten Profeet en Leeraar, te verstaan.

Het ligt voor de hand, dat daarbij niet mag vergeten, dat ook het volk Israël en zijn geschiedenis aan de openbaring van den Messias in de wereld dienstbaar werd gemaakt en niet slechts dienstbaar werd gemaakt, maar daartoe door God werd geroepen. De zaligheid is uit de Joden. (Joh. 4 : 24).

De verkiezing van Israël kan niet worden losgemaakt van het geheele werk der openbaring, en de Godsopenbaring is tot openbaring geworden door deze historische werkelijkheid heen, terwijl het profetische Woord daarover het goddelijk licht doet opgaan en evenzeer menschelijke gestalte moest aannemen, als de tabernakel en de cultus op aanschouwelijke wijze hemelsche dingen afbeeldden en in heilige symboliek profeteeren.

Reeds eerder hebben wij er op gewezen, dat het ongerijmd is, dat de Heilige Geest alleen door het getuigenis der apostelen en profeten tot ons zou komen en ons vrij zou stellen tegenover dat getuigenis. Doch het is een andere zaak zich aan den geest der profetie te onderwerpen bij het onderzoek, wat die geest te zeggen heeft.

Die gebondenheid brengt vanzelf, mede, dat de Heilige Schrift goddelijk gezag heeft ten aanzien van de leer aangaande de verborgenheden Gods, waaruit de Geest spreekt. Dit ligt trouwens in het wezen der openbaring. Want wie zegt: Christus is de Godsopenbaring, zet de openbaring met Christus in den hemel. Het wezen der openbaring is echter, dat de goddelijke dingen creatuurlijke gestalte aannemen en tot den mensch, ja in den mensch komen.

Daarbij wordt het goddelijke niet met de creatuurlijkheid en menschelijkheid vermengd, noch daarmede vereenzelvigd. Want het behoort ook tot het wezen der openbaring, dat degenen, aan wie deze ten deel valt, zich als schepsel ten diepste onderscheiden weten van God en de goddelijke dingen. En daarin is tevens het argument gegeven, dat ondanks de zalige ervaring der gemeenschap Gods in Christus, den mensch over God en de goddelijke dingen slechts in den vorm van belijden kan spreken en getuigen tot zijn medemensch.

De ik-gij verhouding in de persoonlijke betrekking tot den Heere, het Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God, wordt onmiddellijk tot de derde persoon omgewend, als de geloovige zich tot zijn naaste richt.

En zelfs deze wending is aan het geloof eigen, omdat zij aan de profetie eigen is, wijl de Geest der profetie zich tot de persoon wendt, maar op de gansche menschheid is gericht. Uit dien hoofde is de traditie aan de profetie gebonden en verschijnt de profetie als goddelijke leer, en met goddelijk gezag bekleed.

Deze erkentenis wordt bevestigd door het hoogste Gezag zelf, als de Christus betuigt dat Hij niet Zijn eigen menschelijke leer brengt — want daarvoor werd het door de Joden gehouden — maar de leer Desgenen, die Hem gezonden heeft. (Joh. 7 : 16, vgl. ook Joh. 8 : 38).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De Christelijke leer van God

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken