Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Christelijke leer van God

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Christelijke leer van God

8 minuten leestijd

Om verkeerde gevolgtrekkingen te voorkomen, willen wij er met nadruk op wijzen, dat Brunners waardeering der Heilige Schrift, toch een geheel andere is dan die der vrijzinnigheid.

Vergelijk het artikel : „Hoe de vrijzinnigheid het ziet" in dit nummer. Een uitspraak als wij daar vinden : „Immers de Bijbel, hoe eerbiedwaardig ook, is geen Woord van God zelf, maar feilbaar menschenwoord over God", zou aanleiding kunnen geven tot overhaaste conclusies.

Brunner voert den strijd tegen verschillende misverstanden en de gevolgen, die hij daarvan ziet. Tegen de leer eener verbale inspiratie, tegen letterknechterij, tegen scolastiek, tegen dogmatisme, tegen speculatie en wat hij als ziekteverschijnselen in de theologie heeft ontdekt. Daarbij is het zijn bedoeling om van uit het geloof de dingen te zien en niets anders te weten dan „Jezus Christus zelf".

„De onderscheiding tusschen „Jezus Christus zelf" en de leer van Hem, als laatste gezag", zoo zegt hij op blz. 64, „mag echter niet als scheiding worden misverstaan. Wij hebben Jezus Christus nimmer anders dan in en met de leer van Hem". Uit dit gezichtspunt kan de leer voor hem slechts relatief gezag hebben. Hij wordt niet moe om altijd maar weer te wijzen op het onderscheid der onmiddellijke geloofservaring en het denkend geloofsbewustzijn. En dan bedoelt hij niet een vroom gevoel, maar de gemeenschap van de menschelijke persoonlijkheid met „den Persoon Gods in zijn persoonlijke zelfopenbaring in Jezus Christus". Met menschelijke persoonlijkheid bedoelt hij het centrum, dat in den Bijbel hart heet. Deze openbaring is het „Woord Gods", waarop het geloof is betrokken, hetwelk hij omhelst en waardoor hij geschapen werd. Theologie echter, dogmatiek, is niet het geloof zelf, maar theologie is geloof in zijn reflexie in het critische denken." (blz. 72). Dogmatiek is niet slechts een denken over het in het geloof gegevene, maar tegelijk geloovig denken (blz. 88).

Als alle Christelijke leer is de dogmatiek op openbaring gegrond (blz. 91).

„Boven alle kerkleer, ook boven alle dogma of belijdenis staat de Heilige Schrift. Zij is de bron der openbaring voor de kerk, want de kerk weet van de openbaring, die geschied is, enkel en alleen door de Heilige Schrift. Deze is echter niet slechts bron van alle Christelijke leer, maar tegelijk haar norm, in zooverre in het oergetuigenis alle daaruit afgeleide kerkelijke getuigenissen haar grond vinden. Zij heeft deze normatieve waarde en kracht wegens het feit, dat het getuigenis zelf aan de primaire historische openbaring, aan de openbaringsgeschiedenis van Jezus Christus deel heeft.

Maar ook de Schriftnorm is als leernorm begrepen, geen volstrekte (unbedingte) maar is zelf bepaald: n.l. bepaald door dat, wat ook haar grond is : de openbaring, Jezus Christus zelf", (blz. 94).

Over dit laatste punt hebben wij breedvoerig gehandeld. Doch ook zoo kan Brunner zeggen : „Dogmatiek is de op de goddelijke openbaring, alzoo op de absolute waarheid gegronde leer. Daarom heeft zij deel aan de „absoluutheidsaanspraak" van het Godswoord" (blz. 97).

Hij erkent het noodwendig confessioneel karakter der dogmatiek (blz. 94),

Een en ander moge aantoonen, dat wij van doen hebben met een ernstig pogen om de Icennis van „het goddelijk Woord", zooals hij het zelf in zijn voorwoord uitdrukt, „te behouden en te vermeerderen in een wereld, die haar zoozeer ontbeert en toch zoozeer noodig heeft."

De eigenlijke leer van God, waarmede het twaalfde Hoofdstuk aanvangt, zullen wij niet zoo uitvoerig behandelen. Gaarne bevelen wij dit werk ter lezing en bestudeering aan. In de eerste plaats aan onze predikanten. Ook niet-theologen, die voldoende bedreven zijn in de Duitsche taal, kunnen het ter hand nemen. Het boek is in gewone begrijpelijke taal geschreven en de schrijver heeft het ook voor niet-theologen mede bedoeld. Daarom heeft hij de „vakkundige" opmerkingen, die voor de theologen van beteekenis zijn, buiten den doorloopenden tekst gehouden en kleiner gedrukt. Het behoeft nauwelijks gezegd, dat prof. Brunner zoo nu en dan aanleiding heeft om zich uit te spreken over de theologie van Karl Barth, die zulk een geheel ander karakter draagt — en door Brunner typeerend theologisme wordt genoemd.

De behandeling van de leer van God onderscheidt zich door een oorspronkelijke frischheid in methode en opzet. Wars van alles-wat naar scolastiek en speculatie zweemt, houdt hij zich streng aan de gegevens der openbaring en stelt deze in het licht der openbaring en des geloofs. Bij de verwerping eener theologia naturalis handhaaft hij de algemeene openbaring. Klaar en duidelijk onderscheidt hij de theologie van het vrijzinnig Godsbegrip, dat slechts een maaksel van het denken is en te vergelijken met de afgoden der heidenen.

Zijn Christelijke Godsleer concentreert zich als om twee brandpunten, die toch weer in één lijn liggen : Gods heiligheid en Gods liefde, uitdrukking gevende aan het wezen Gods. De z.g. eigenschappen Gods ziet hij als manifestaties van Gods heiligheid en liefde jegens het schepsel. Steeds tracht hij den bijbelschen zin te verstaan en de theologie te zuiveren van den wijsgeerigen inslag, welken zij in verschillende punten vertoont tengevolge van de invloeden, die zij in den loop der eeuwen van de zijde der wijsbegeerte heeft ondervonden.

Zelfs Calvijn, hoewel deze ook volgens Brunner bijbelsch theoloog begeerde te zijn, acht hij niet vrij van speculatieve elementen, die in een bijbelsche theologie niet thuis hooren. Met name echter de epigonen der Gereformeerde theologie treft dit verwijt en zij zullen zich daaraan moeilijk kunnen onttrekken.

Daarentegen noemt Brunner onderscheiden theologen uit den nieuweren tijd, die hebben bijgedragen tot een echt bijbelsche exegese.

Met name in verband met de leer der praedestinatie verzet Brunner zich tegen de gereformeerde theologie, die een dubbele praedestinatie leert. Hij tracht aan te toonen, dat de Heilige Schrift niet van een decretum horribile, een besluit tot verwerping, weet.

Hoewel Brunner de verkiezing tot het kindschap Gods in Christus Jezus leert en het gericht over degenen, die niet in Christus zijn, wil hij van een besluit der verwerping niet weten, zijnde dit in strijd met de liefde Gods. Buiten Christus geen , verkiezing en onder den toorn Gods. In Christus verkoren. Het geloof kan het alleen zien.

Niet minder sterk als hij de leer der verwerping bestrijdt, wijst hij ook de leer van Origenes (wederherstel aller dingen) en die van Karl Barth over de praedestinatie van de hand, omdat deze het gericht wegneemt, hetgeen niet overeenkomt met de heiligheid Gods.

De mogelijkheid eener algemeene verzoening stelt Brunner dus niet, maar hij wil die niet afgesneden zien door de leer der verwerping en de menschelijke verantwoordelijkheid wil hij niet opofferen aan een leer, die de gansche menschheid als in Christus verkoren wil hebben.

De leer eener dubbele praedestinatie en de leer eener algemeene verzoening houdt hij voor dwalingen, die de spanning des levens opheffen, welke in de dialectiek van Gods heiligheid en liefde gegrond zijn.

Beide leeringen gaan uit den weg voor de voor het denken ondraaglijke leer van de vrijheid Gods.

De bijbelsche leer der uitverkiezing kent noch de eene noch de andere van deze logisch-rationeele oplossingen. Zij leert de vrijheid van den heilig-barmhartigen God, die in Jezus Christus van eeuwigheid allen heeft verkoren, die aan Hem gelooven, die echter degenen verwerpt, die weigeren Hem deze geloofsgehoorzaamheid te brengen, (blz. 367).

Wat wij in den aanvang hebben opgemerkt, herhalen wij nogmaals. Wij zijn verblijd met deze dogmatiek, die van niets anders wil weten dan van de openbaring. Zij biedt ons een bijbelsche theologie, een theologie van het heil in Christus naar de vrijmacht Gods. Tenslotte toch de theologie van Brunner.

Zwitserland is een bevoorrecht land. Wij denken aan Zwingli en Calvijn, wiens naam aan Geneve is verbonden, hoewel hij een Franschman was, thans zijn het Kart Barth en Emil Brunner, die niet slechts de wereld der theologen van zich doen spreken. Zoo dicht Zwingli en Calvijn bij elkander komen, zoo dicht staan ook Karl Barth en E. Brunner bij elkander, doch aan den anderen kant verschillen Barth en Brunner van elkander niet minder dan de beide genoemde reformatoren.

In verschillend opzicht staat Brunner veel dichter bij Calvijn dan Barth. Zooals reeds kan gebleken zijn, denkt Brunner toch over verschillende dingen weer anders dan Calvijn. In beginsel houdt dit verband met het verschil in Schriftbeschouwing. En wij zijn nog niet geneigd om aan te nemen, dat Calvijn, indien hij de moderne schriftcritiek had medegemaakt, van opvatting zou veranderd zijn.

Het gaat ten slotte om de onfeilbaarheid van de Heilige Schrift. Hebben wij in haar slechts een menschelijk getuigenis dan kan er van onfeilbaarheid moeilijk sprake zijn. Doch het gebruik der Schrift van den Heere Christus en de apostelen leidt tot een geheel andere conclusie. Een en ander maal hebben wij daarop reeds gewezen. De Evangelisten en apostelen betoonen zich ook daarin leerlingen van den Heere. Het lijdt geen twijfel, of zij hebben de Schrift voor Gods Woord gehouden. Wij noemen slechts Romeinen 1 : 2-3, welk Evangelie Gods, Hij van te voren beloofd heeft door Zijn profeten in de Heilige Schriften. God is degene, die belooft. Zijn organen zijn de profeten. En dat betreft niet alleen hun woorden, maar ook hun Schriften. Vergelijk verder 2 Tim. 3 : 16-17.

Hebr, 1 : 1-2: God heeft gesproken door de profeten. Vergelijk 2 Petrus 1 : 20-21.

Deze getuigenissen laten zich niet veronachtzamen. Daarentegen involveert de erkenning van het goddelijk gezag der Heilige Schrift door Christus en de apostelen een werking der openbaring in het getuigenis der apostelen en profeten, tengevolge waarvan dit niet slechts als een menschelijk getuigenis aangaande het openbaringsgeschieden kan worden gewaardeerd.

Zoo is ook het reformatorisch uitgangspunt bij Calvijn anders georiënteerd dan dat van Brunners theologie, hetgeen naar ons voorkomt in de behandeling der andere loci nader zal blijken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De Christelijke leer van God

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken