Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Meditatie

HEMELVAARTSTROOST

12 minuten leestijd

In het kuis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zoo zoude Ik het u gezegd hebben: Ik ga heen om u plaats te bereiden. Johannes 14 vs. 2.

De hemel — een Vaderhuis! Deze zuiver Schriftuurlijke beeldspraak — denk alleen maar aan de berouwvolle wederkeer van den verloren zoon naar het vaderhuis — richt zich rechtstreeks tot ons hart en beroert de teerste snaren van onze ziel.

Onze jongens, die, ver van huis, hun plicht vervullen jegens Vorstin en Vaderland, beseffen nu eerst recht, hoe lieflijk en dierbaar de ouderlijke woning is. Hun brieven getuigen van heimwee en verlangen.

Maar ook al zijn wij oud, en al zijn onze ouders ons reeds lang ontvallen, toch blijft de ouderlijke woning trekken en bekoren. En nu : de hemel — een Vaderhuis! Welk een lieflijk beeld voor allen, die zich gasten en vreemdelingen weten hier beneden. Geen wonder, dat hun ziel soms dreigt te bezwijken van sterk verlangen. Voor hun dorstige ziel is het woord van onzen tekst een rijke bron van hemelvaartstroost.

Allereerst treft het ons, dat hier gesproken wordt van vele woningen. Is dat wel waar, want Christus heeft toch óók gezegd : „want eng is de poort en smal de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden''. Maar neen, Christus spreekt Zichzelf niet tegen, gelijk menschen dat vaak doen. Dat behoeven wij nooit van den hoogsten Profeet en Leeraar te verwachten. Hij wijst er op, dat, in vergelijking met de zeer vélen, die verloren gaan, en slechts weinigen behouden worden. Zien wij echter allleen op degenen, die zalig worden, dan is dat kleine kuddeke toch nog een schare, die niemand tellen kan. Christus heeft Zijn ziel gegeven tot een rantsoen voor vélen.

Met de velen, die zalig worden, stemmen overeen de vele woningen van het Vaderhuis.

Wij hebben vaak zulke bekrompen opvattingen van God, van de geestelijke en van de hemelsche dingen.

Dat is geen wonder. God is groot en wij zijn slechts nietige stervelingen. Hoe zouden wij dan den alleenwijzen God kunnen narekenen en begrijpen? Bovendien zijn wij zondaren. Hoe grooter onze zonde wordt, hoe minder wij Gods reddende zondaarsliefde iimnen begrijpen. Soms vragen wij ons af: hoe is het mogelijk, dat God nog één zondaar wil bekeeren en behouden ?

Toch wordt het ons in de Schrift wel anders geleerd. Is niet in de veelheid der onderdanen 's Konings heerlijkheid gelegen ?

En Christus Zelf heeft gezegd : „Velen zullen te dien dage komen van Oosten en Westen, van Noorden en Zuiden, en zullen aanzitten met Abraham, Isaac en Jacob in het Koninkrijk der hemelen."

Indien Christus met het kleine getal tevreden ware, dan zou Hij reeds lang aan het wereldbestaan een einde gemaakt hebben, dan zou Hij ook met ons, die zoo afkeerig zijn, niet langer bemoeienis willen houden. Neen, Christus zal niet rusten, voordat de laatste zal zijn toegebracht tot de gemeente, die zalig wordt.

Voor die ontelbare schare is noodig een Vaderhuis met vele woningen. Het Vaderhuis beschikt dus over volop ruimte. Daar is het woningprobleem voorgoed opgelost. In dat Vaderhuis heeft ieder zijn eigen woning, elk krijgt zich voldoende levensruimte toegewezen. Hier is het volmaakte evenwicht bereikt tusschen „vraag en aanbod", zoodat niemand teleurgesteld behoeft te worden. Eens zal het blijken, dat er geen woning óver, maar ook geen enkele tekort zal zijn. Wanneer dan ook eens de deur van het Vaderhuis voorgoed gesloten wordt, zal niemand behoeven buiten te blijven van degenen, die den Heere, hier op aarde, hebben leeren kennen als een genadig en een goedertieren Vader in den Zoon Zijner liefde, Jezus Christus. Want:

Elk, die Hem vreest hoe klein hij zij of groot, wordt van dat heil, die weldaan deelgenoot.

En nu sprak Christus tot Zijne discipelen : Ik ga heen orn u plaats te bereiden in het Vaderhuis met de vele woningen.

Aan dat troostwoord hadden zij wel dringend behoefte, want reeds op dat oogenblik viel over den kring der jongeren de zwarte schaduw van het kruis. Zij begrepen, dat de dood spoedig scheiding zou maken tusschen hen en den geliefden Meester, van Wien zij gehoopt hadden, dat Hij was Degene, die Israël verlossen zou uit al zijn benauwdheden.

Christus zou heengaan óndergaan, en zij zouden als weezen achterblijven. Diep ontroerd zien zij het smartelijk einde naderen.

Maar dat zal niet het einde, doch juist het begin zijn, want Hij gaat heen om plaats voor hen te bereiden, en dan zullen zij bij Hem mogen zijn in Zijne heerlijkheid. De tijdelijke scheiding zal dus een eeuwige vereeniging worden. Dat is ook nu nog de rijke hemelvaartstroost voor ieder, die treurt over de groote afstand tusschen hemel en aarde, over de smartelijke scheiding tusschen God en de ziel.

Maar hoe zouden zij durven hopen ? Is niet voor elken zondaar de deur van het Vaderhuis hermetisch gesloten ? Doch nu heeft Christus gedaan, wat niemand kon, n.l. de deur van het Vaderhuis ontsloten, opdat zelfs het wederhoorig kroost altijd bij Hem zou wonen.

De discipelen wisten het toen nog niet, maar wij mogen weten, dat Christus alleen door den bitteren en smadelijken dood des kruisesi de deur van het Vaderhuis heeft kunnen ontsluiten. Hij heeft God en mensch met elkander verzoend, zoodat God is de hemelsche Vader en zondaren mogen zijn kinderen Gods en erfgenamen des eeuwigen levens.

Zoo werd het kruis de sleutel, waarmede iChristus de deur van het Vaderhuis heeft ontsloten voor allen, die vrede met God hebben gevonden door het bloed des kruises. Als Hij opent, kan niemand sluiten, geen mensch, geen zonde, en zelfs geen satan.

En zoo wordt het ons tot rijken troost, wat wij reeds als kind mochten zingen :

Wie zal mij rooven, het zalige lot, dat mij daarboven wacht bij mijn God?

Ik ga heen om u plaats te bereiden. Hij heeft dus meer gedaan dan alleen het Vaderhuis ontsloten. Al had immers de deur wijd open gestaan, dan had de verloren zoon zoo maar niet durven binnengaan. Wat zou de Vader, op wiens hart hij had getrapt, en wiens goed hij schandelijk had doorgebracht, wat zou de Vader zéggen, wat zou Hij doen ?

Door Zijn hemelvaart is Christus de zijnen voorgegaan, als de eenige Middelaar Gods en der menschen, als de eenig ware Hoogepriester, die voor de Zijnen tusschen treedt bij den Vader. Hij houdt Zijn doorboorde Middelaarshanden smeekend tot den Vader opgeheven, en bidt zonder ophouden voor berouwvolle zondaren: „Vader, Ik heb verzoening voor hen gevonden; Ik wil, dat die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt."

Op die wijze bereidt Christus een plaats voor al de Zijnen. Hij is de beste advocaat en pleitlbezorger. Hij heeft nog nimmer gepleit voor een verloren zaak. Nooit werd Zijn bede afgewezen, omdat Hij Zich beroepen kan op de eenige pleitgrond n.l. Zijn zoen- en kruisverdienste.

Niemand, niemand komt in het Vaderhuis met de vele woningen dan door Hem! Ernstige waarschuwing voor allen, die buiten Christus willen ingaan in het Koninkrijk des Vaders. Zij zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen. Vreeselijk zal het zijn, eens een gesloten deur te vinden en eeuwig buiten te moeten blijven. De Heere late ons bij het licht des Geestes zien, dat onze zaak een hopeloos verloren zaak is, waarvan, ondanks onze uiterste krachtsinspanning, niets meer te verwachten is. Dan wordt het voor ons de benauwende vraag : Is er nog een middel om te komen in het Vaderhuis met de vele woningen ?

Ziet, dan daalt het woord van Christus als zoete hemelvaartstroost in onze ziel: „In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen ; andersizins zoo zoude Ik het u gezegd hebben: Ik ga heen om u plaats te bereiden".

Ja, dat is troost voor elken berouwvollen zondaar. Het is een Vaderhuis met véle woningen, die voldoende zijn voor allen, die ten eeuwigen erve zijn verkoren. Bovendien heeft Christus gezegd, dat Hij ze allen tot Zich zal trekken, de kleinen met de grooten.

Is dat ook onze troost? Dan reizen wij onzen weg met blijdschap naar het hemelsch Vaderhuis, en geldt het ook voor ons:

Zij gaan van kracht tot kracht steeds voorf Elk hunner zal in 't zalig oord van Sion, haast voor God verschijnen.

Het moge dan een lange, een moeilijke, een donkere weg zijn, maar zij zullen allen komen in het eeuwig Vaderhuis. Wanneer eens de deur voorgoed gesloten wordt, wordt er niet één gemist.

O, welk een heerlijk Vaderhuis ! Bij de grootheid, de heerlijkheid, de rijkdom van dat Vaderhuis verzinkt het mooiste aardsche paleis in 't niet. Neen, dat is voor hen niet te groot en te mooi, want die arme bedelaars zijn koningskinderen geworden.

Hoe heerlijk voor hen, daar ook te mogen genieten van een milden overvloed. Het gemeste kalf is geslacht en de tafel toegericht, het vette van Zijn huis wordt er gesmaakt.

Zij worden daar ook in het volle genot gesteld van het kinderlijk erfdeel, dat reeds van voor de grondlegging der wereld voor hen was weggelegd en dat hun op aarde was toegezegd: het goed, dat nimmermeer vergaat, de onverwelkelijke kroon, de onbevlekkelijke erfenis.

En dit is nog het heerlijkste van alles, dat zij daar bij den Vader, ééuwig bij den Vader mogen zijn.

Dit is de hoogste zaligheid : altijd bij God te zijn, immer in Zijn nabijheid en gemeenschap te verkeeren en van Zijne goddelijke liefde te genieten.

Dit is de hoogste lust van alle hemelingen : den Heere dag en nacht te dienen en lief te hebben, eeuwig Hem te eeren en te verheerlijken.

Daarom zouden degenen, die hier op aarde van God niet willen weten en Hem niet willen dienen, het in den hemel geen dag en geen uur kunnen uithouden. Het zal alleen dan voor ons een heerlijk Vaderhuis kunnen zijn, wanneer het ons nu reeds goed is nabij God te wezen.

Degenen, die mogen ingaan in het heerlijk Vaderhuis, zullen er zich volkomen thuis gevoelen. Hoe héérlijk zal het voor onze jongens zijn, na een langdurig verblijf in het verre vreemde land, na alle ontberingen en gevaren, weer thuis te zijn.

Hoe zalig zal bet echter wezen voor al Gods kinderen, na alle aardsche omzwerving, thuis te komen.

Daar mogen zij, na alle moeite en zorg, genieten de rust, die er overblijft voor al het volk van God.

Daar zijn ze voor eeuwig verlost van alle smart en pijn; alle tranen zijn er voorgoed van de oogen afgewischt. Daar kan niets hen meer scheiden van de liefde Gods.

Welk een heerlijk Vaderhuis! Het is bijna tè mooi om waar te zijn, maar de hemelvaart van Christus is daarvan de zekere waarborg, want Christus heeft gezegd: „In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zoo zoude Ik het U gezegd hebben: Ik ga heen om u plaats te bereiden".

. . . . . Anderszins, zoo zoude Ik het u gezegd hebben!

Ja, als het anders was, dan zou Christus het zeker gezegd hebben. Christus voert hier, in het aangezicht van den dood, geen misleidende propaganda, die op de bitterste teleurstelling moet uitloopen, maar het is een getrouw woord en alle aanneming waardig. Aan dat troostrijk woord, door den mond der waarheid Zélf gesproken, mag geen oogenblik getwijfeld worden. Tijdens Zijn omwandeling op aarde kwam nooit iemand bedrogen met Hem uit. Degenen, die Zijn woord geloofden, werden genezen van lichaamsziekte of zielekfwaal. En werden wij zelf, als wij het bij Hem zochten, wel eens ooit in Hem teleurgesteld? Vonden wij bij Hem niet, als vermoeiden en belasten, de door Hem beloofde rust ? Was Hij het niet, die ons ware troost in onze droefheid wist te schenken ? Mochten wij niet, als berouwvolle zondaren, bij het kruis zondevergeving en schulduitdelging genieten ?

Maar dan hebben wij ook iiiet de minste reden om te twijfelen aan Zijn heil- en troostrijk woord : Ik ga heen om u plaats te bereiden in het Vaderhuis met de vele woningen!

De discipelen hebben het geloofd en zijn, na volbrachte taak, ingegaan in de vreugde des Heeren.

Hoevelen daarna werden, zwervens- en strijdensmoe, thuisgehaald.

Hoe doodarm en diep ongelukkig zijn degenen, die het alleen van de wereld verwachten. Ook voor hen is het uitnemendste van dit leven moeite en verdriet. Steeds dichter komen zij bij den dood en bij het graf, zonder Borg voor de ziel en zonder hoop voor de eeuwigheid.

Het is nog niet te laat. Zoekt dan nu nog de plaats des berouws. Komt, evenals de verloren zoon, tot het besluit: Ik zal opstaan en tot den Vader gaan, en ik zal zeggen „Vader, ik heb gezondigd, en ik ben niet meer waardig Uw zoon genaamd te worden".

Wanneer wij zoo tot Hem komen, worden wijl geenszins uitgeworpen. Hij laat geen bidder staan, maar ons weerspannig overtreden verzoent en zuivert Hij. Dan wordt het woord van Christus ook voor ons rijke hemelvaartstroost: „In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zoo zoude Ik het u gezegd hebben: Ik ga heen om u plaats te bereiden".

Mogen wij dan dat heil- en troostrijk woord zóó maar gelooven ?

Niemand kan iets aannemen, tenzij het hem van boven gegeven zij. Maar zij zullen gelooven, die het met den apostel belijden: want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. Dan is dit de rijke troost: hoe verder ik kom op den vaak moeilijken levensweg, hoe dichter ik nader, tot het huis van den Vader, en daar, daar ben ik eeuwig thuis . . . . .

Christus is voorgegaan, om plaats te bereiden in het Vaderhuis met de vele woningen.

God geve door genade, dat wij Hem mogen volgen, met het lied van heimnwee en verlangen in de ziel:

Daar zal ons 't goede van Uw woning, verzaden, reis op reis, en 't heilig deel, o groote Koning, van Uw geducht paleis. Gij, Gij zult vreeselijke dingen, ons, in gerechtigheid, doen hooren, en ons blij doen zingen van 't heil, voor ons bereid.

(Ridderkerk)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

PDF Bekijken