Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

UIT HET OUDE TESTAMENT

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

UIT HET OUDE TESTAMENT

Jeremia in het huis van de Pottenbakker (Jeremia 18)

14 minuten leestijd

In welke tijd van de profetische werkzaamheid van Jeremia het geschiedde, weet ik niet; in elk geval, hij was nog vrij om te gaan en te staart, waar hij wilde. Straks zou dat anders worden, als een vorst, die niet veel meer is dan een speelbal in de hand van de toonaangevende machthebbers, toelaat dat de profeet in de gevangeis gezet wordt als een staatsgevaarlijk mens.

Van den Heere kwam het Woord tot de profeet : Daal af naar het huis van de pottenbakker en daar zal Ik u Mijn woord doen horen. Blijkbaar had de pottenbakker zijn werkplaats in een lager gelegen gedeelte van Jerusalem, zoals uit het woord afdalen volgt. Het is zeer wel mogelijk, dat deze werkplaatsenwaren in het dal van Hinnom, waar sporen van zeer oude potten zijn gevonden en waar ook de plaats van het pottenbakkersveld is. (Matth. 27 vers 7). Deze laatste lag tegenover de heuvel van de vroegere Bovenstad, aan de Zuidkant van het dal van Hinnom, waar ze nog altijd tot begraafplaats van de vreemdelingen diende, zoals uit het getuigenis van Eusebius en anderen blijkt.

Pottenbakkerswerk vindt men sinds het vierde jaarduizend voor onze jaartelling en is dus zeer oud. De pottenbakker gebruikte als soort werktafel twee met elkaar verbonden schijven, waarvan de onderste groter was dan de bovenste. In vroegere tijd waren de schijven van steen, later van hout. Met de voet bracht de pottenbakker de onderste schijf in beweging (zo tenminste in latere tijd) en zo draaide de bovenste mee. Terwijl de bovenste schijf met de klei rondgedraaid werd, modelleerde de werkman het stuk klei met de handen. Het gebeurde wel eens, dat het verkeerd ging. Was het materiaal te stug en daardoor moeilijk te verwerken, was het de vermoeidheid van de pottenbakker, waardoor hij zich niet ten volle had geconcentreerd op zijn werk, was het iets anders, waardoor zijn aandacht werd afgeleid ? Hoé het zij, het vat was bedorven ; 't beviel de pottenbakker niet. Ging het zo naar de oven, dan bleef het toch knoeiwerk en hij wilde geen half werk afleveren. Dus overdoen; opnieuw proberen van die klomp klei iets moois te maken. Hij werpt het leem niet weg, maar begint opnieuw ; misschien gaat het de tweede keer beter. Totdat de pottenbakker een vat heeft, waarin hij lust heeft.

Hier tekent de Heere Zichzelf als de grote Werkmeester, die aan de klei in Zijn hand vorm en schoonheid geven wil, opdat het geheel een sierlijk en deugdelijk vat worden zal. Ook buiten de Bijbel komt de gedachte, waarbij een god bij een pottenbakker vergeleken wordt wel voor. Zo is er een voorstelling van de Egyptische god Chnum, die op een pottenbakkersschijf een mensenpaar modelleert en onwillekeurig denken we aan de woorden van Job in zijn klacht (hst. 10 vs. 9) : Bedenk toch, hoe Gij mij als leem hebt gevormd (of uit leem) of het woord van Elihu (hst. 33 vs. 6) Zie, ik ben van God gelijk gij (betekent dit wij zijn beiden schepsel Gods of wij zijn voor God gelijk ?), uit leem ben ook ik gevormd (eigenlijk afgeknepen en we denken aan de pottenbakker).

Als Jeremia zeer sterk bepaald wordt bij het werk van de pottenbakker, dan tekent de Heere zich niet in de eerste plaats als Schepper en Formeerder ; veeleer is het een sterke bevestiging van wat wij ook elders bij Jeremia vinden : Het gericht komt. Het zien van het pottenbakkerswerk is inleiding tot een benauwend stuk gerichtspredifeing. Het volk van Juda vond in de dagen van Jeremia (en niet alleen toen), dat de Heere met zulke onlosmakelijke banden aan Juda verbonden was, dat wat er ook gebeurde, de Heere kon gewoon weg van dat volk niet af ! Het was ondenkbaar, dat de Heere zijn hand van Juda en Jerusalem aftrok ! Jerusalem was onschendbaar en de Heere zou zijn volk niet verlaten. „De Heere is immers in het midden van ons — zo beroemde men zich. In deze valse zekerheid werd het volk gesterkt door, de valse profeten, die niet opriepen tot bekering, maar het volk voorhielden, dat alle dingen vanzelf terecht kwamen. Gij meent, dat de Heere U niet verlaten kèn ? zegt de profeet. „Kan ik dan met u niet doen, als deze pottenbakker, huis Israels ? Zie, gelijk leem in de hand van de pottenbakker, alzo zijt gijlieden in Mijn hand, o huis Israels".

Het gaat de pottenbakker niet om een vat, maar om een deugdelijk, een sierlijk vat, een vat, dat goed is in zijn ogen. Zo gaat het de Heere er niet maar om, een volk te hebben, maar het gaat Hem om een volk, dat tot Zijn dienst bereid is ; een volk, dat goed is in Zijn ogen. Maar Israël — zo heeft reeds Hosea gezegd — is een vat, waaraan men geen lust heeft, een waardeloos voorwerp.

Kan Ik Ulieden niet doen, gelijk deze pottenbakker — spreekt de Heere. Daar wordt aan alle zelfverzekerdheid de bodem ingeslagen, alle heerlijkheid van het volk vergaat. De Heere kan het volk maken en breken ; Hij kan het vormen, maar ook vernielen. Hij kan het met ere en heerlijkheid omringen, maar Hij kan het ook maken tot een waardeloos voorwerp in het midden der volken. Kan Hij dat wel ? , vraagt het eigengerechtige volk. Is het niet in strijd met Zijn trouw ; zou dat niet ingaan tegen Zijn Verbond ? Wij zijn toch allen Abrahams zaad ? Aan alle tegenwerpingen wordt het zwijgen opgelegd. Hij kan ook breken. Hij heeft er het recht toe, Hij, de Souvereine.

De oordeelsprediking wil er nu eenmaal bij de mens niet in. Dat bestaat niet, zegt de mens. Zulks kan de Heere niet doen. Zó zal de Heere niet handelen. Israël meende zich op vrome wijze tegen de prediking van het oordeel te kunnen dekken. Een ander doet het op andere manier. Maar altijd is het zo, dat men zich een god vormt naar eigen gedachte, om zich te pantseren. tegen aankondiging van onheil tegen alles wat hoog is en verheven, tegen alles wat onheilig is en goddeloos. En als straks het odrdeel onweerstaanbaar losbreekt en de mens horen en zien vergaat vanwege de grimmigheid des Allerhoogsten, dan komt de twijfel boven of God er wel van weet, of Hij wel Rechter is van hemel en aarde. Om de hoogmoed van het volk te breken, om de ban van stompzinnigheid weg te nemen, tekent de Heere Zich als de pottenbakker, die het leem samenknijpt en het vat vernielt, als het  Hem niet bevalt. Bij de prediking in het huis van de pottenbakker gaat dus het oordeel voorop. Dat behoeft ons niet te verwonderen bip de profeet, die geroepen is om uit te rukken en af te breken, om te ver­ derven en te verstoren. Dat is niet het enige, maar wèl het eerste ; daar ligt de klemtoon. En dan zullen we nimmer mogen vergeten, dat de prediking van de profeten niet is wat wij in het algemeen onder profeteren verstaan, een aankondigen van dingen, die staan te gebeuren, een bloot aanzeggen van toekomstige dingen. Dan zou een profeet alleen een mens zi]n, die meer weet dan een ander. Bij de profeten zien we veel meer de aangrijpende worsteling om de ziel van het volk, om het waarachtig welzijn van dart volk, waarvan hij zich niet los kan maken. Inhoud van hun prediking is altijd weer de oproep tot bekering en die oproep werd nu juist bij de valse profeten niet gevonden. We denken aan de vader, die zijn zoon, omdat deze het verkeerde pad opgaat, dreigt en ernstig vermaant, maar hij hoopt, dat hij niet verder zal behoeven te gaan dan he aanzeggen van de straf. Hij zal blijde zijn, als hij de straf niet behoeft ten uitvoer te leggen. De vader worstelt om het waarachtig welzijn van zijn zoon. Kán ik met ulieden niet doen als de pottenbakker ? zegt de Heere, en dat zal de Heere doen, tenzij het volk zich bekeert. In een ogenblik spreek Ik over een volk en over een koninkrijk, dat Ik het zal uitrukken en afbreken en verdelgen, doch als dit volk zich van zijn boosheid bekeert, zo zal Ik berouw hebben over het kwaad, dat Ik over hen dacht te brengen. (Jeremia 18 vers 7, 8). Maar ook omgekeerd. Als de Heere spreekt over het bouwen en planten van een volk en een koninkrijk, maar dat volk en dat koninkrijk doet wat kwaad is in de ogen des Heeren, zo zal de Heere berouw hebben over het goede, dat Hij hun dacht te doen. (vs. 10). Men spreekt in dit verband wel van het voorwaardelijk karakter van de profetie. Zo b.v. prof. Aalders in Korte Verklaring (Jer. pag. 180) : „De heilstoezeggingen en oordeelsbedreigingen hebben niet zonder meer volstrekte geldigheid, maar ze worden gegeven onder de voorwaarde, dat degenen, tot wie ze gericht zijn, niet van houding en gedrag veranderen, en daarom kan een heilstoezegging door afkerigheid worden verbeurd en een oordeelsprediking door bekering worden afgewend". Toch voldoet deze uitdrukking : voorwaardelijke prefatie, mij maar half. Persoonlijk zou ik liever van het tweezijdig karakter van de profetie spreken ; de profeten tekenen voortdurend de twee wegen met het tweeërlei einde : heil voor de gelovigen en onheil voor de ongelovigen. Aan de ene kant zaligheid en leven, aan de andere zijde verderf en dood voor wie zich niet bekeren. „Indien gij willig zijt, en hoort, zo zult gij het goede dezes lands eten, maar indien gij weigert en wederspannig zijt, zo zult gij van het zwaard gegeten worden". (Jes. 1 vers 19). Als straks het oordeel over het onbekeerltjke Israël komt, „dan zal er geen reden zijn, waarom de Joden met de Heere zullen twisten, alsof Hij te hard met hen handelt. Hun hardnekkigheid is de oorzaak, dat de Heere met Zijn oordelen doorgaat, - want het berouw des Heeren betekent niet anders, dan dat de Heere barmhartig is en traag tot toorn en gaarne vergevende". (Calvijn).

Als er ergens een woord in de Bijbel staat dat de mens schijnt te verlagen tot een stok en een blok, dan is het wel dit. De mens, vergeleken met he leem in de hand van de pottenbakker! Is het leem ervoor verantwoordelijk, hoe het vat uitvalt ? Kan de klei het helpen, dat het gevormde vat niet deugt ? Als ge zo doorredeneert, dan wordt de persoonlijke verantwoordelijkhieid van de mens aangetast; dan gaat de oproep tot bekering haar kracht en haar klem op de consciëntiën der mensen verliezen. Immers het is toch de Pottenbakker, die er een vat van maakt, zoals het goed is in zijn ogen! Maar dit moet ons nu treffen bij Jeremia's prediking in verband met de Pottenbakker, dat zij is één machtige oproep tot bekering. Bekeert u en leeft, spreekt de Heere. Meer dan de pottenbakker is de Heere en hoevéél gaat de mens de klei te boven. Hier raken we aan het probleem, wat Paulus, behandelt in Romeinen 9 : de verkiezing en verwerping van Israël. Daar vindt ge ook de gedachte van de pottenbakker. Als het dan waar is, dat de Heere verhardt, wie Hij wil en Zich ontfermt diens Hij wil dan zult gij tegen mij zeggen, aldus de apostel (Rom.. 9 vers 19) : Wat klaagt Hij dan nog ? Wie heeft dan zijn wil wederstaan ? Heeft God dan wel het recht over het doen en laten van de mens te twisten ? Blijft er dan wel een redelijke grond tot een klacht van Godswege over ? Begint tegen deze tegenspreker Paulus een aantal argumenten op te sommen om diens redeneringen te ontzenuwen ? Gaat Hij de Allerhoogste verdedigen ? Paulus ontzegt de mens het recht om zo te spreken. Hij legt hem het zwijgen op. Zal ook het maaksel tegen de pottenbakker zeggen: waarom hebt gij mij zo gemaakt ? Wij zijn maar mensen ! Zullen we onze mond tegen de Heere opendoen ? De Heere is vrij en vrijmachtig ! Hij zal met het brok klei doen, wat Hem behaagt ! En onmiddellijk aansluitend aan dit beeld, predikt Jeremia bekering.

Maar het is niet alleen gerichtsprediking, die Jeremia ontvangt en doorgeeft in het huis van de pottenbakker. Er is nog iets anders. Als 't vat verkeerd uitvalt, dan werpt de pottenbakker de klei niet weg. Hij probeert het opnieuw ; opnieuw aan het vormen. Nu zal het wellicht beter gaan. Welk een geduld ! Men heeft wel gemeend, dat het bij de prediking in Jeremia 18 gaat om de behandeling door de pottenbakker van het verdorven vat. Dat lijkt mij niet juist toe. Neen, de gerichtsprediking staat op de voorgrond, maar Jeremia is ook geroepen om te bouwen en te planten. (Jeremia 1 vers 10). Het gaat den Heere niet om te verderven. De profeet vraagt zichzelf af : Zal de Heere zulk een hardnekkig volk niet moeten verderven ; er Zijn hand volkomen van aftrekken ? Zal de Heere het verdorven menselijke leem in Zijn handen verdoen ? Neen, Hij vormt het opnieuw, kneedt de weerbarstige klei weer; wat een werk van geduld. Het moet worden een vat, waar Hij lust aan heeft! Een ander vat, zoals recht is in Zijn ogen. (Vergelijk voor deze laatste uitdrukking Spr. 12 vers 15 ; Deut. 12 vers 8).

Jeremia heeft de vervulling van zijn oordeelsprofetie over het volk van Juda beleefd ; hij heeft het móéten aanzien, en hij kon het niet aanzien. Daar gingen de duizenden in ballingschap, als stad en tempel in puin liggen ; maar opnieuw zal de Heere beginnen met Israël : de klei wordt opnieuw op de schijf gezet, opnieuw rondgewenteld en geboetseerd. Het is als de gelijkenis van de vijgeboom, waar het onbegrijpelijke geduld van God ons wordt getekend.

Maar er zijn grenzen aan het Goddelijk geduld. Niet altoos zal de Heere het opnieuw proberen met het weerbarstige leem. Hoor wat de profeet zegt: Zie, Ik formeer een kwaad tegen u (hier vinden we hetzelfde woord, als waarvan het woord pottenbakker is afgeleid). Leef niet voort in de zonde, met een beroep op het Goddelijk geduld, maar bekeer u, want het is de dag der genade.

Het antwoord van het volk voorspelt weinig goeds. Het is tevergeefs er over te spreken, (vs. 12). Alles verloren moeite ; wij zullen toch naar onze eigen gedachte wandelen. Zelfs in tijden van grote beslissingen en sterke nationale en internationale spanningen, als in Jeremia's dagen, is er bij het volk ongevoeligheid en apathie voor de dingen, die des Heeren zijn ; een benauwend symptoom van de onbekeerlijkheid van Israël. Het moest een goed vat zijn, "een vat van zegen in het midden van de volkerenwereld". Maar er kwam niets van terecht. Als Nebukadnezar Jerusalem inneemt en het volk weg­ voert in ballingschap, dan is dat de dood van Israels volksleven, de ondergang, het vat wordt in stukken geslagen.

De Heere kan van het volk niet af. Ondenkbaar, dat Hij zich van Zijn volk zoude losmaken. Dat meent men tenminste ! Kunt ge u dan indenken, dat de sneeuw van de Libanon verdwijnt ? Ondenkbaar ! Kunt ge u indenken, dat de frisse, altijd stromende wateren van het Oosten ophouden van de bergen te vlieten ? Ondenkbaar ! Kunt ge u nu indenken, dat het volk des verbonds de God des Verbonds verlaat ? Dat is even ondenkbaar ! En tóch — dat is geschied. „Mijn volk heeft Mij vergeten, klaagt de Heere. Onbegrijpelijk ! Libanon en de sneeuw en de frisse wateren, dat hoort alles bij elkaar. Zo behoort het volk van Juda bij de HEERE. Daaraan heeft Juda een eind gemaakt, een afschuwelijke zaak. En het gevolg ? De dag des verderfs is vlakbij ! Kan Ik ulieden niet doen als deze pottenbakker ? spreekt de Heere.

Maar dat Jeremia met deze prediking van gericht komt, is Gods barmhartigheid, die geen lust heeft in de dood van de zondaar.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

UIT HET OUDE TESTAMENT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

PDF Bekijken