Bekijk het origineel

Subjectieve en objectieve prediking

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Subjectieve en objectieve prediking

11 minuten leestijd

II.

Over de excessen, waartoe de objectieve prediking in haar eenzijdigheid leidt, werd reeds een en ander terloops aangeroerd. De louter dogmatische preek loopt gevaar te verdorren in haar eenzijdige verstandelijkheid. Zij gaat gemakkelijk over tot scolastische beschouwingen en laat zich licht verleiden tot polemiek. Zij maakt de theologische controversen tot onderwerp van behandeling en prikkelt anderen, met name de tegenstanders, om in hetzelfde euvel te vervallen. Op die wijze wordt de rationalisering der theologie in de hand gewerkt en wordt deze allengs van haar levende wortel afgesneden. De achttiende eeuw geeft daarvan een sprekend voorbeeld en de negentiende eeuw vertoont daarvan de gevolgen voor het leven der kerk. Het is wel gebleken, dat het rationalisme een onfeilbare weg is tot ontvolking van de kerk en ontkerstening van het volk. Het is bovendien niet onschuldig aan de gevolgen ener piëtistische reactie, welke haar toevlucht zoekt in conventikel en gezelschap, en zelfs niet aan de scheuring der kerk. Desondanks moet het piëtisme het nog al eens ontgelden, als school daarin de oorzaak van de verachtering van het kerkelijk leven. Gewoonlijk wordt het getekend als het type van.een naargeestig Christendom. Wij willen niet ontkennen, dat er aanleiding voor kan zijn in sommige verschijningsvormen, doch die neemt ook een meer waarderend beoordelaar niet voor zijn rekening. Dit neemt echter niet weg, dat in de kringen van het bevindelijke Christendom het leven des geloofs nog een asyl vindt, als het in de kerkelijke prediking geen voedingsbodem kan vinden.

Wij sluiten echter de oogen niet voor de euvelen van een eenzijdige onderwerpelijke prediking. Vooreerst schenkt deze blijkens de historie weinig aandacht aan de leer en daarom ook aan de pastorale verzorging van de leer. Daardoor loopt zij zelfs gevaar de eigenlijke bevinding voorbij te lopen en de vastigheid en blijdschap des geloofs te derven. „Zij schijnt er de voorkeur aan te geven" — zo zegt prof. Van Leeuwen in zijn meergenoemd referaat — ,,de zielen op te houden vóór de poort. Hier zou men het woord van de profeet willen toepassen : „de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht om te baren".

Het is, alsof de macht en genade van de Heilige Geest uitsluitend verheerlijkt kan worden in jammerklachten, bij de barens-weeën geuit, en niet veel meer in dp lofzangen van Zion ; en in het wandelen van, het volk des Heeren in het geloof. Maar neen, hieraan komt de onderwerpelijke prediking! schier nimmer toe. Zij blijft hangen aan de vraag : hebt gij nu wel recht, u onder Gods kinderen te rekenen, weet gij nu wel zeker, dat Christus uw deel is ? Zij zoekt vooral haar kracht in de beangstiging, zij waarschuwt, zich niet te bedriegen voor de eeuwigheid, - en zich vooral af te vragen, of men werkelijk bekeerd is.

En wie zou durven ontkennen, dat dit alles van het hoogste gewicht is ? " (blz. 13 en 14).

Tot zover prof. v. L. Hij merkt dan verder op, dat de onderwerptelijke prediking zich doorgaans bezighoudt met een bepaalde soort van bevinding. Wat een kind van God aan ervaringen door maakt, wiens hart is levend gemaakt. (blz. 14)

Zo ontstaat een tegenstelling tussen de voorwerpelijke en de onderwerpelijke prediking. De onderwerpelijke heeft geen smaak in het voorwerpelijke. De vraag is, of wij persoonlijk deel hebben aan de waarheid. Het gaat om de persoonlijke zekerheid van te behoren tot het volk Gods.

In deze tegenstelling kan het duidelijk worden, dat wij van doen hebben met een tweevoudige aberratie van de ware prediking, die alleszins verdient te worden onderzocht, opdat de juiste methode worde gevonden, die het doctorale en pastorale element in de Dienst des Woords zó weet te verbinden, dat zij bevorderlijk kan zijn aan een gezond kerkelijk leven.

In het licht van de geschiedenis is de conclusie gerechtvaardigd, dat genezing van het kerkelijk leven alermeest in deze weg moet worden gezocht, naardien de ontwikkeling van een eenzijdig dogmatisme en een eenzijdig piëtisme, zozeer tot ontwrichting en verwarring van het kerkelijk leven hebben bijgedragen.

Ook met het oog op de ontstellende ontkerstening van onze tijd zal het van het grootste belang zijn, dat de predikkunde zich op dit vraagstuk richt. Onder de invloed van een steeds toegenomen individualisme, dat de moderne cultuurontwikkeling kenmerkt, moest meer dan een eeuw van leervrijheid aan beide zijden, zowel bij het intellectualisme als bij het piëtisme, er toe medewerken, dat niet de religie van de Christus der Schriften, maar persoonlijke religieuse inzichten en gevoelens in de prediking domineerden. Aan beide zijden ook heeft het mystiek gevoel daarbij een rol gespeeld, hoewel dit veeltijds met de ware Christelijke mystiek op gespannen voet stond.

Niet zonder reden noemen wij de mystiek in dit verband. Allereerst, omdat men zo spoedig geneigd is de bevindelijkheid zonder meer als een verschijnsel van ziekelijke mystiek af te wijzen. Onderwerpelijke prediking en bevinding veroordeelt men als een ziekelijk gedoe. Men spreekt dan van „doorgezakt".

Wij beginnen met te erkennen, dat er gevallen zijn, die zulk een oordeel rechtvaardigen, en wij staan daarin volstrekt niet alleen. Er zijn voorbeelden van een z.g. bevindelijke prediking en een z.g. exegese, die terecht aanstoot en ergernis wekken, en afkeuring verdienen. Bij een gezond kerkelijk leven zouden dergelijke excessen ook worden bestreden en geweerd.

Maar wij wachten ons wel om terwille van zulke ziekelijkheden de zaak zelf te veroordelen.

Integendeel, wij hebben de taak om in dit opzicht op te komen voor een belang, dat wij allen slechts tot onze eigen schade kunnen nalaten.

Mystiek is als zodanig niet een ziekelijk, maar een normaal verschijnsel in het geestesleven. Dat wil uit de aard der zaak niet zeggen, dat het zich niet op een ziekelijke wijze kan openbaren. Temeer, wijl de mystiek een religieus verschijnsel is, kan men in een verzondigde wereld schier niet anders verwachten dan een ziekelijke openbaring. Het ganse zieleleven des mensen lijdt onder de gevolgen der zonde, doch juist daarom zal de Christelijke religie haar levenwekkende en genezende kracht ook in de Christelijke mystiek openbaren. Wij maken derhalve onderscheid tussen mystiek en mysticisme en beschouwen dit laatste als ziekelijke uitwas, zowel wat de mystiek in het algemeen als de Christelijke mystiek in het bijzonder aangaat.

Wij mogen ons niet veroorloven ook slechts een kort overzicht te geven over de geschiedenis der mystiek. Wie daarvan kennis wil nemen, raadplege het werk van prof. Aalders, onder de titel „Mystiek", een uitvoerig en verdienstelijk werk. Een kort, maar helder en zakelijk overzicht vindt men in een werkje van prof. Visscher : „Het mystieke element in de bediening des Woords". Zeist, '29.

Wie op de hoogte Is met de dingen, weet, dat de mystiek zich omstreeks de aanvang der Griekse Aufklarung heeft losgemaakt uit het sociaal en politiek verband en eigen mystieke gezelschappen in het leven riep.

Het karakter der mystiek, zoals zich deze voordeed in de Griekse en Romeinse mysteriën, omschrijft Visscher als volgt: „In de mystiek hebben wij dus van doen met een zielkundig verschijnsel, dat met het gevoelsleven samenhangt en zó op het bewustzijn inwerkt, dat er een kennis van goddelijke dingen gewekt wordt, die onmiddellijk in het zelfbewustzijn ontstaat", (a.w. blz. 7).

De mystiek is op zichzelf beschouwd dus een menselijk verschijnsel. Zij is een gave Gods. De naar Gods beeld geschapen mens is geschikt voor gemeenschapsoefening met God en bestemd om God te kennen. (Vgl. Catech. vr. 6). De mens is alzo een mystiek wezen.

Ook de algemene mystiek streeft naar Godsgemeenschap. Zij vertoont haar ontaarding daarin, dat zij de wezensonderscheiding van God en mens uit het oog verliest. De persoonlijkheid, het ik-bewustzijn, gaat ten onder in de aanschouwing in God. Het wezen Gods en het wezen van de mens worden aangerand(Visscher, blz. 9).

Het leven van Gods kerk kan, omdat het godsdienstig leven is, niet zonder mystiek zijn. Maar dan ligt ook voor de hand, dat deze mystiek door de religie van Christus bepaald wordt. In de Christus immers verschijnt de volkomen mens, in Hem wordt de religie in haar volkomenheid geopenbaard. „De Christeiijke religie is de zuivere, reine en, als in Christus verschenen, van elke andere principieel onderscheiden, zodat zij onvergankelijk is. Zij heeft een specifiek eigen karakter, zoals zij namelijk in de Heilige Schrift verschijnt. In Christus is een Godskennis geopenbaard, boven welke de menselijke natuur nimmer kan uitgaan. De Godskennis, die gaat tot de grenzen van het creatuurlijk vermogen van de mens, was in Hem, die het vlees geworden Woord is, krachtens de unie der goddelijke en menselijke natuur, die Christus stelt tot de Middelaar Gods en der mensen.

„Voor de mystiek heeft dit ten gevolge, dat zij steeds optreedt in de vorm van wat onze Vaderen noemden de „unio mystica cum Christo", de verborgen gemeenschap met Christus en eerst daarna een verborgen omgang wordt met de Vader en de Heilige Geest. De Christelijke religie kent geen onmiddellijk zich in God verzinken, omdat zij geen God kent buiten Christus om". (Visscher, a. w. blz. 10).

Op het centrale karakter van de Middelaar in de Israëlietische en Christelijke mystiek, wijst ook prof. Aalders : (Vgl. „Mystiek", blz. 159).

De gezonde mystiek vindt haar grond in het wezen der religie. De Heilige Schrift noemt trouwens het Evangelie een verborgenheid, die verborgen was van alle eeuwen, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen. (Col. 1 vs, 26). De. kennis dier verborgenheid kan dus slechts een vrucht zijn van openbaring en niet slechts van openbaring, maar van een daad Gods, zodat wij hetgeen God openbaart, ook vermogen op te nemen en te verstaan, n.l. een wederbarende daad Gods. (Joh. 3). De Heilige Schrift leert in Joh. 3 tevens, dat die werking van de Heilige Geest op zich zelf ook een verborgenheid is.

De gemeenschap met God wordt een verborgenheid genoemd in Ps. 25 vs. 14. Vgl. ook Job 29 vs. 4 : Toen Gods verborgenheid over mijn tent was ; 1 Tim. 3 vs. 16, de verborgenheid der godzaligheid.

De ware mystiek gaat alzo gepaard met een geheel eigen kennis, ondersclieiden van het gewone kenvermogen. Zij is profetisch van karakter en typeert ook het Woord Gods.

De Heilige Schrift is daardoor onderscheiden, zijnde het profetische Woord. Heilige mannen Gods, door de Heilige Geest gedreven, hebben dat Woord gesproken. „In de diepste grond is het Woord dus mysterie en inleving in dat Woord mystiek. Daarom kan het wijs maken tot zaligheid en kan het leven, dat is eeuwig leven, wekken. Daarvoor is nodig het geloof, hetwelk in Christus Jezus is", zo prof. H. Visscher, a.w. blz. 18 onder verwijzing naar 2 Tim. 3 vs. 15. De kennis van dat eeuwige leven komt dus niet op uit onze rede-werking, maar uit de gemeenschap met God in Christus, die de weg en de waarheid en het leven is.

Met nadruk hebben wij op deze verborgenheid, deze mystiek des Woords, de aandacht gevestigd, omdat het duidelijk moge worden, dat de leer niet zuiver kan worden verkondigd. en gehouden, ja zelfs niet in haar waarde kan worden geschat, zo men haar niet verstaat als uitdrukking van het geloof, waarin dat mystieke element der religie leeft.

Op de beide gevaren, die de ware prediking bedreigen : intellectualisme en mysticisme, werd gewezen. De uiteenrukking van leer en bevinding is reeds een vrucht van intellectualisme en mysticisme. Een eenzijdig voorwerpelijke prediking te willen nastreven is een vorm van intellectualisme, gelijk een eenzijdig onderwerpelijke een vorm van mysticisme is.

De ware prediking zal de leer in de diepte der profetische mystiek verstaan en getuigen uit het leven der religie van Christus, uit geloof tot geloof. De ware prediking zal zich derhalve niet verdragen met de afkeer van leer en gestalte, die sommigen schijnt te beheersen, en laat zich evenmin verenigen met een geest, die a priori al niet wil weten van bevinding en bevindelijk geloof.

Aan zulk een houding ligt een waardering der Heilige Schrift ten grondslag, die uit het oog verliest, dat het Woord Gods een levend Woord is.

Men houde met dat levend karakter des Woords rekening, als men pretendeert de prediking op een hoogte te brengen, om aan de behoeften van onze tijd te voldoen, welke behoeften men daarmede op het oog heeft, hetzij dat men het oog heeft op z.g. intellectuelen, of op anderen, die men met zulk een prediking wil winnen.

Het geheel eigen karakter der Christelijke religie moge tot voorzichtigheid manen ten opzichte van zulke strevingen, die op vervlakking van het Evangelie moeten uitlopen.

Vergeefs ook zal men verwachting hebben van liturgische hulpmiddelen, die de ware mystiek niet vermogen op te wekken.

Aan de andere kant vermijde men exegetische buitensporigheden, die getuigren van een overgeestelijkheid, welke „de heiligheden Gods tot een bespotting maken" en een aanfluiting, terwijl het volk verwildert en de zielen wegdwalen", zoals Visscher het uitdrukt (a. w. blz. 29).

Zal de kerk nog een toekomst hebben, dan zal dat alleen zijn, in de wederkeer tot de religie der vaderen, gelijk die in de Heilige Schrift ons wordt voorgesteld. Daarbij zal zij gediend worden door een levende prediking, die recht doet aan het Evangelie van de vrijmachtige genade Gods in Christus Jezus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1948

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Subjectieve en objectieve prediking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1948

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken