Bekijk het origineel

Iets over de „Opkomst

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Iets over de „Opkomst" van Willem III

II. REGENTEN.

8 minuten leestijd

(Overgenomen uit „Polemios" d.d. 18 November 1950)

Voor een groot deel door twee partijen werd de politieke situatie in Holland getekend: de Regenten-olichargie en de Oranje-partij. De regenten waren verbonden met de grote handelsmagnaten; deftige geassocieerde families die in de stadsregeringen zaten; ze hadden hun afgevaardigden in de Staten en beheersten zo ook weer de Staten-Generaal.

De grote meerderheid van hen was libertijns, in de godsdienst betoonden zij sympathie voor de Remonstranten die, weliswaar veroordeeld, nimmer hun invloed geheel verloren hebben. De familierelaties der regenten vertakten zich over vrijwel alle Hollandse steden, waaruit weer relaties ontstonden die niet in het minst werden uitgebuit voor economische doeleinden. 1).

Hun libertinisme betekende religieus een voorliefde voor de leer der vrije wil, welke veelal hier op neer kwam, .dat men persoonlijk vrij bleef staan jegens de absolute souvereiniteit van God door Zijn Woord; politiek plaatste men de handelsbelangen in libertijnse kringen voorop, zodat men de militaire maatregelen daaraan geheel ondergeschikt maakte, terwijl men zich geheel wenste te ontslaan van een Vorstelijk persoon als een Stadhouder, die eigen staatkundig en hoger doel zou kunnen nastreven. 2) Het volk, voor zover het zich vermocht te uiten, geleid door predikanten van allerlei soort, was evenwel Oranje-gezind en bleef voor een groot deel Contra-Remonstrants. Ons Oranjehuis vond toen ter tijd, evenals vandaag weer, eigenlijk weinig of geen steun bij Libertijnen, dan wanneer ze in nood zaten òf wanneer ze Oranje voor hun doeleinden konden gebruiken! De stoffelijke belangen stonden ook toen bij de Libertijnen voorop, die ze onder de dekmantel van „de ware Vrijheid" verzorgden, met als doel een politiek, die zijn hoofdlijn vond in handel en nijverheid. Ter verzorging van hun stoffelijke belangen wensten zij zélf te regeren, republikeins, desnoods met als president noodgedwongen een Oranje 3) Duidelijk bleek ook hier, zoals veelal vandaag: Oranje steunde voornamelijk op het allereenvoudigste gereformeerde volk en enkele hem trouw gebleven adellijke geslachten!

De zelfstandigheid der delen stond voorop in het denken der regenten; dat een samenbindende figuur als een Stadhouder hen daartoe minder gewenst voorkwam, was duidelijk. Daarbij, het volk was zonder Stadhouder ook zonder leider, terwijl de Stadhouder (eenmaal hersteld) machtig zou zijn door de steun van het gereformeerde volk. Dat Holland bij deze zelfstandigheid der delen bijzondere reden had, laat zich verstaan voor wie weet, dat zelfstandigheid der provincies tevens de zelfstandigheid der steden met zich mee bracht, en wat wenste Amsterdam meer dan zelfstandigheid binnen de Unie, ja, als het moet buiten de Unie? 4)

Twee stellingen op het schaakbord vragen hierbij nog afzonderlijk de aandacht: de Loevesteinse factie en de speciale positie der Amsterdamse burgemeesters.

Toen Willem II in 1650 optrad tegen de regenten en Amsterdam, omdat zij de zeven provinciën op eigen gezag na de vrede van Munster wilden ontdoen van de nodige militaire macht, die Willem II wilde behouden voor zijn politiek, zette hij op het slot Loevestein zes Hollandse Statenleden, waaronder Jacob de Witt, gevangen en volvoerde hij zijn aanval op Amsterdam 5) Dat Amsterdam en allen die met deze stad sympathiseerden, deze daad het Oranjehuis nooit vergeven hebben, laat zich verstaan voor wie weet hoe de regenten tot barstens toe met der leuze „Vrijheid" waren gevuld en vervuld! Jacob de Witt heeft Willem II althans nooit vergeven en droeg zijn achterdocht over op zijn beide zoons, wier politiek vermengd was met de nasmeulende Loevesteinse verontwaardiging. De gevangenneming op Loevestein bouwde de vage beginsel-groep om tot een overtuigde partij; deze regenten, door de positie van Raadpensionaris Johan de Witt sterk 5), zouden zich met flegmatische felheid keren tegen het Huis, welks stamhoofd hen dit had aangedaan! Hun ongerustheid zou, op Thorbecke overgegaan, overgedragen worden in 't midden der Twintigste eeuw op de Partij, wier Arbeid het zou zijn ons Koningschap alle macht te ontnemen en het te ontdoen van die dienaren, die het Huis zouden beschermen tegen de meest vleiende dienaren, wier doel echter niet minder dan een aanslag op de Kroonrechten was, en zulks opnieuw „in naam der Vrijheid".

Het valt te verstaan, dat vooral in het begin, na de dood van Willem II, er grote eendracht bestond tussen de Staatsgezinde Landsregering en de Amsterdamse koopstad, waar de republikeinse factie als het ware haar zetel had opgericht! Ze zou uiteindelijk in Willem III haar machtige tegenvoeter in koninklijke stijl ontdekken en erkennen!

Als vanzelf komt daarmee naar voren de speciale positie, die de Amsterdamse burgemeesters „van nature" bekleedden. Zij werden niet op voordracht der vroedschap door de Stadhouder aangewezen, zoals bijna overal elders, maar zij verkozen zich elk jaar zèlf drie nieuwe burgemeesters, die onderling het presidium vaststelden, zulks op grond van het handvest van de hertog Albrecht van Beyeren van 1400 6).

Daardoor bezaten deze Amsterdamse burgemeesters een zeer onafhankelijke positie èn tegenover de Stadhouder èn tegenover eigen vroedschap. De politiek van dit zeer machtige college was in de loop der eeuwen veelal tegen Oranje gekeerd, bij tijden minder fel volgehouden, terwijl ze ook jegens De Witt een tijdlang een zelfstandige politiek voerden, die door stedelijk eigenbelang beheerst werd.

De buitenlandse politiek der regenten beschrijft prof. Geyl in zijn „Geschiedenis van de Nederlandse Stam" onder de titel „De Republiek tussen Frankrijk en Nederland" 7), een politiek, waarin gezocht werd naar een evenwicht van krachten, waarin door een deel der regenten ook een politiek van het tussenstandpunt der Via Media werd gevoerd, en dat op buitenlands en binnenlands gebied: tussen Oranje en De Witt, alsmede tussen pro-Engels en pro-Frans 8).

Evenals de binnenlandse, werd ook de buitenlandse politiek, sedert de regenten het overwicht hadden, voornamelijk bepaald door handelsbelangen. De Engelse zeeoorlogen waren handelsoorlogen tussen twee protestantse natiën, welks oorzaak hierin gelegen was dat de Hollandse regenten als de sterksten in handelsopzicht vrije handel eisten, terwijl de Engelsen behoefte hadden aan bescherming. De regenten verdedigden voor zich het beginsel van de vrije zee, maar „vernagelden" inmiddels de Oostzee; zij verlangden vrije visserij onder de Engelse kust, maar bij de vrede van Munster was wel gezorgd, dat de Schelde voor Antwerpen's handel gesloten bleef; evenzo ging de leer der handelsvrijheid gepaard met een absoluut handelsmonopolie der Oost Indische Compagnie. Dat de regenten van de hun gegeven mogelijkheden gebruik maakten om monopolieverdragen te handhaven, werd niet zozeer afgekeurd door de concurrenten, wel, dat dit ging onder het mom der vrijheid, een vrijheid, die, zó opgevat weinig anders bleek te zijn dan vrijheid voor de „libertijnen" en dwang voor anderen. Dat deze handelsbelangen daarbij onze politiek in allerlei variatie steeds weer bleken te bepalen, was iets, waarmee men in 1672 eerst volslagen ontredderd bleek uitgekomen te zijn!

De evenwichtspolitiek van Johan de Witt bleek een denkfout, misschien zelfs een mentaliteitsfout te zijn geweest van de eerste soort!

Het volk, intuïtief wèl gevolgen, doch niet de begrijpelijkheid van deze ook vandaag nog zoveel voorkomende fout verstaande, heeft zich op onmenselijke wijze op deze politiek gewroken bij de dood van de gebroeders De Witt voor de Gevangenpoort te 's Gravenhage!


1) Dr. S. Elzinga: „Het voorspel van de oorlog van 1672", diss. pag. 75–81.

2) Prof. dr. J. Romein: „De Lage Landen bij de Zee", pag. 370 en 371. Romein draait de zaken echter precies om en noemt het sociale de drijfveer, waarvan de religie een uiting is: juist is echter zijn conclusie: „Daarom was de regentenmaatschappij de ware voedingsbodem voor elke vorm van libertinisme, daarom was het Arminianisme het ware gevaar, omdat het, bastaardkind van geloof en vrij onderzoek, met het libertinisme der regenten pacteerde".

3) Vergl. Drees met Thorbecke. Zie ook Polemios IV, no. 17, „Calvinisme en Koningschap", door G. Puchinger. Dat Thorbecke zelf De Witt zeer goed begreep, blijkt wel uit zijn schets „Johan de Witt"; zie de eerste van zijn „Historische Schetsen", 1860, pag. 14.

4) De grondslagen van deze politiek zijn duidelijk vastgelegd in de Deductie van Johan de Witt van 1654.

5) In die dagen dichtte men: „De Witt, De Waal en Stellingwerff, Keizer, Ruil en Duist, Zijn op bevel van Willem II, naar Loevestein verhuisd".

Over het recht van Willem II tot deze actie schrijft Groen van Prinsterer in zijn Handboek nadrukkelijk: „De Prins had wel niet, zoals Maurits, een uitdrukkelijke last der Staten-Generaal, maar de Unie was facto geschonden; het Generaliteitsleger werd gesloopt; een Provincie, één Stad, zegevierde over de Republiek; als kapitein-generaal en stadhouder was hij gehouden, zelfs uit eigen beweging, hierin te voorzien; de Resolutie van 5 Juni liet hem in de keus der middelen vrij", (pag. 266).

6) Zie R. Fruin: „Bijdrage tot de geschiedenis van het burgemeesterschap van Amsterdam tijdens de Republiek". (1889).

7) Thorbecke in zijn „Johan de Witt" schrijft: „Zijn diplomatieke kunst rustte op de onderstelling, dat Frankrijk en Engeland tegen elkander gekant bleven, en de Republiek juist hierdoor, tussen beide mogelijkheden in, zich onafhankelijk hield. Door beide werd het zelfbestaan der Republiek evenzeer bedreigd. Zij kan zich slechts handhaven tegen de ene door de andere. De Raadpensionaris waakte dan ook niet minder tegen Frankrijk, dan tegen Engeland. Maar zodra Frankrijk en Engeland zich tegen de Republiek verenigden, zakte de grondslag van zijn stelsel weg en was zijn diplomatie ten einde", (pag. 17).

8) Geyl, Nederl. Stam II: „Cromwell, voor wie het gemeenschappelijke Protestantisme van de twee Republieken meer betekende dan de wedijver van hun kooplieden, kwam aan de macht". (pag. 406).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Iets over de „Opkomst

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken