Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onderwijs

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onderwijs

8 minuten leestijd

Een jubileum

Uit omstreeks 1870 dateert de Duitse uitspraak, dat de Duitse onderwijzer de Frans-Duitse oorlog heeft gewonnen. Mij dunkt hier wel een tikkeltje overdrijving te bespeuren. Zeker is, dat hierin wel doorklinkt de grote betekenis van onderwijs voor de jeugd.

Er is echter nog een ander woord van de Franse paedagoog-schrijver G. Ie Bon in zijn Psychologie de TEducatlon. Hij constateert bij de onderwijzers een dosis weetwijsheid en een onvoldoende cultuur, door het bezit van hun onderwijsacte achten zij zich verre verheven boven de eenvoudige kringen, waaruit ze zijn voortgekomen ; door hun gemis aan beschaving worden ze niet tot kringen toegelaten, waarin ze toch menen de eerste plaats te mogen innemen. Ze haten de bestaande orde van zaken, waar, naar zij menen, kleinzielige domheid de toon aangeeft. Vandaar, zegt Ie Bon, dat de onderwijzers altijd een groot deel hebben geleverd van de meest antremistische elementen.

Zo dacht men ook in Duitsland omstreeks de Februari-revolutie van 1848. En tal van onderwijzers trokken mee op, om onder leuze als , , Democratie" en , , Emancipatie" aan de intelligentie de overwinning te bezorgen.

Er waren echter ook meer evenwichtigen onder de onderwijzers, die hoewel ze aanvankelijk meededen, toch weldra tot de overtuiging kwamen, dat ze hoofdzakelijk dienst mochten doen, om de grootste schreeuwers aan mooie betrekkingen te helpen.

Veertien van hen kwamen uit de omgeving van Minden samen en stichtten een Evangelisch Onderwijsgenootschap. Zij beschouwden een waarlijk Christelijke opvoeding als de hoofdzaak van hun schoolarbeid en de Bij­ bel was voor hen het enige richtsnoer van hun leven en arbeid.

Dit bericht uit de Neue Preussische Zeitung werd 1 September 1849 overgenomen door het Nijmeegse Schoolblad terwijl mr. van der Brugghen er een bijschrift bij plaatste om de Christelijke onderwijzers in Nederland op te wekken dit voorbeeld na te volgen. Niet zoals hij het uitdrukt, om een vijandige houding aan te nemen tegenover andere genootschappen, die nog niet zo bepaald van dezelfde beginselen uitgaan, maar om voor het lager onderwijs in Nederland met Gods hulp zelf een zout te zijn, dat bijtende kracht moge hebben, om bederf te weren, maar ook bestemd moge zijn om aan alle spijzen eerst recht haar aangename liefelijke smaak te geven.

De onderwijzers van de Klokkenberg kwamen geregeld maandelijks tezamen om te bespreken hoe de verschillende vakken van het lager onderwijs uit Christelijk oogpunt moesten worden behandeld, maar ook hoe men tot een andere opvoeding zou kunnen komen.

Deze actie was echter plaatselijk en het streven werd nu tot landelijke actie uitgebreid. Wat in Rijnland en in Minden kon, moest toch ook in Nederland kunnen, in elk geval kon er een poging toe gedaan worden. Veertig circulaires werden , , uitgezet" en er kwamen zeven antwoorden op binnen. Vier inzenders verklaarden, dat ze afzijdig wilden blijven. Men verwondere zich niet al te zeer over de geringe gunstige antwoorden want bij velen was er nog al vrees voor de heersende autoriteiten ; 't was heel wat, om er openlijk voor uit te komen, dat men behoorde tot die kwezelaars, wier verstand op hol was geslagen.

Maar men ging door.

In 1852 werd de wenselijkheid besproken van aaneensluiting van alle Christelijk gezinde onderwijzers. Anderen wilden er ook de Besturen bij hebben, omdat er vele onderwerpen zijn, waarover gezamenlijk overleg tussen Besturen en onderwijzers nodig is.

Mr. Groen van Prinsterer deed het voorstel tot meer doeltreffende geldbesteding en ter bevordering van onderling overleg een algemeen fonds op te richten, waaruit, na behoorlijk onderzoek subsidiën zouden worden verstrekt. Een commissie van zeven werd benoemd, om over dit voorstel een rapport uit te brengen. Dit rapport werd ingediend en handelde over een algemeen studiefonds en over een Christelijk Onderwij sgenootschap.

Wat dit laatste betreft neemt de commissie van zeven geen blad voor de mond. Ze is ten volle overtuigd, dat het wenselijk zou zijn, als er tussen de voorstanders van het Christelijk onderwijs en vooral tussen de godvruchtige onderwijzers meer gemeenschap en gemeenschappelijk overleg bestond. Echter moet de oommissie constateren dat in de strijd tussen de Chr. Historischen, de R. Katholieken en de Vrijzinnige richtingen de zaak van het Christelijk onderwijs bijna nooit door enig onderwijzer van de bijzondere scholen der eerste klasse wordt bepleit. „De commissie acht deze onaandoenlijkheid, vooral wanneer zij acht geeft op hetgeen door onderwijzers van andere richtingen geschied, een gebrek aan zelfstandigheid en veerkracht, die haar met het oog op de toekomst enigermate met zorg vervult. Het, is bekend, dat de thans meer dan vroeger opgewekte belangstelling in het Christelijk Schoolonderwijs in verband staat met de tegenwoordige godsdiejistige opwekking in ons vaderland en dat die belangstelling grotendeels is uitgegaan van personen, die niet tot de ondeiwijzersstand behoren".

De commissie van zeven meent echter met billijkheid te mogen verwachtep dat bij toeneming van het aantal scholen en van het aantal onderwijzers het Christelijk onderwijzend personeel meer zelfstandig zal optreden en zich meer op de voorgrond zal plaatsen, om zelf het recht en het belang van het Christelijk beginsel bij het onderwijs tegen de verschillende tegenstanders te verdedigen en te handhaven. Daarom acht de commissie, het nodig, de hoofden der bijzondere scholen der Ie klasse, die aan het Christelijk onderwijs zijn toegewijd, uit te nodigen tot een vergadering met het doel, dat zij in het belang van het Christelijk onderwijs zich zullen verenigen tot eeji blijvend onderwijzersgezelschap. Om echter de schijn te vermijden alsof er realiteit zou zijn tussen de scholen der Ie en der 2e klasse, menen zij de eenheid te, bevorderen en te bewaren en ook het personeel der 2e klasse uit te nodigen en bovendien Christelijke onderwijzers der Openbare Scholen. Bovendien acht zij het wenselijk dat ook enige leraren der gemeente zouden worden gevraagd en tevens nog andere persone, n, die bijzonder met de belangen van het onderwijs bekend zijn. Hoe wenselijk dit alles lijkt, toch

-waren verschillende leidende figuren ^niet-onderwijzexs) 't er niet mee eens.

We moeten niet vergeten, dat tal van onderwijzers, vooral door hun bijbetrekkingen zeer ondergeschikte posities bekleedden. Sommigen vonden dat men op deze wijze niet anders dan „eigenwijze democraten" kon verwachten. De onderwijzers werden toch al zo verwaand en revolutionair. Stel u voor, dat het hoofd ener dorpsschool, die tegelijk voorlezer was in de kerk, drie Zaterdagavonden op de gangmat een half uur op bet voorlezersbriefje had moeten wachten, omdat de dominee het nog niet klaar had, de volgende Zaterdag het dienstmeisje stuurde. Dat was revolutionair.

Stel je zoiets voor in onze tijd ! Toch werd eindelijk de 14e October 1854 (dus nu 100 jaar geleden) de Vereniging van Christelijke onderwijzers opgericht.

Bij het vaststellen der statuten wensten sommigen een zeer scherpe beginselverklaring, maar de meerderheid besliste dat alle onderwijzers lid konden worden, die de kinderen tot Jezus wilden leiden. Ook op de Openbare School kon men nog zulke leerkrachten vinden en de zoeven genoemde verklaring maakte het mogelijk, dat ook onderwijzers der Openbare Sqhool lid der verenigingen konden worden. In 1882 besloot de algemene vergadering, dat het lidmaatschap der vereniging onverenigbaar was met het onderwijzer zijn aan een Openbare School.

Aanvankelijk werden alleen onderwijzers toegelaten, het was eerst in 1876, dat ook onderwijzeressen lid konden worden. In 1882 werd ook uitgesproken, dat in ons land de Christelijke Scholen regel en de Openbare Scholen uitzondering mochten zijn.

Wat overigens de beginselverklaring betreft, deze is wel eens het onderwerp geweest van heftige discussies. De, vereniging toch bestond uit personen van diverse pluimage. Wel is de eenheid niet verbroken, maar verschil was er. Na gemeenschappelijk overleg werd in 1884 de „Leeuwarder verklaring" gegeven, die aldus luidt : De Vereniging van Christelijk Onderwijs verklaart, overeenkomstig art. 2 en 3 van haar statuten, de Bijbel te erkennen als door de Heilige Geest ingegeven, onfeilbaar en van Goddelijk ge­ zag en dus ook historisch betrouwbaar.

Deze verklaring was er niet zonder strijd gekomen. Sommigen wilden als eis stellen : ondertekenen van de 3 formulieren van enigheid. Anderen merkten daartegen op, dat het dan een kerkelijke vereniging zou worden. En wat moet er dan gebeuren met leden, die noch tot de Hervormde noch tot de Geref. Kerken behoren. Moeten die, uitgestoten worden, terwijl ze toch opvoeding wilden naar de Heilige Schrift. Resultaat der bespreking was de Leeuwarder verklaring — die met grote blijdschap werd aangenomen. Ook later is hierover nog gesproken, maar de beginselverklaring is gebleven.

Zo is het dan dit jaar 100 jaar geleden, dat de Vereniging van Christelijke Onderwijzers werd opgericht. Veel en velerlei is de arbeid die door haar is verricht, ten behoeve van de onderwijzers en tenslotte daardoor ook in het belang van de school.

Bij het doorbladeren der geschiedenis valt ons op, hoe, de omstandigheden verschilen van nu en van een eeuw geleden.

Wat echter niet verandert, is het principe, de grondslag.

Het zij de Vereniging in haar Jubileumjaar toegewenst, dat zij moge doorgaan met haar zegenrijk samenbindend werk, tot zegen voor de school. Misschien dat we nog wel eens gelegenheid vinden, om u iets meer uit haar geschiedenis te vermelden. Deze is — hoe kan het ook anders — ten nauwste samengeweven met de geschiedenis van ons onderwijs, speciaal van het Christelijk Onderwijs in ons vaderland.

Rest mij nog mee te delen, dat de gegevens van dit artikel zijn geput uit het Gedenkboek 1854—1929 van de Vereniging van Christelijke Onderwijzers en Onderwijzeressen in Nederland.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Onderwijs

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken