Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

AUGUSTINUS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

AUGUSTINUS

5 minuten leestijd

ZONDE EN GENADE.

Vatten wij de situatie in enkele punten samen :

1. Door de erfzonde is de oorspronkelijke goede richting van de wil in zijn tegendeel verkeerd. De mens is niet in staat uit zichzelf van richting te veranderen.

2. Met de zonde heeft de concupisentia haar intrede gedaan in het leven van de mens. Zij is het universele beginsel van het (zondig) mensieüjk handelen — grond van de negatieve gerichtheid van het willen. Er is door het verlies van de oorspronkelijke, natuurlijke vrijheid, nog slechts sprake van een uiterlijke, formele vrijheid, die binnen de sfeer van gebondenheid aan de hartstochten en begeerten een zeer relatief karakter heeft.

3. Door de genadewil Gods wordt de gezindheid van de mens veranderd en de geknechte wil bevrijd. Spanningen blijven voortbestaan, maar de greep van God laat de mens niet meer los : de gave der volharding vormt de richtsnoer van de menselijke wil in het nieuwe leven, waarbij de laatste zich in volledige vrijheid conformeert aan de wil van God.

Augustinus' leer van de onweerstandelijke genade en de gave der volharding kunnen wij ons eigenlijk niet voorstellen, geïsoleerd van zijn gedachten over de rechtvaardiging.

De leer der rechtvaardiging weerspiegelt in haar dynamische gestalte de essentiële structuur van Augustinus' genadeconceptie en zij openbaart een scherpe afgrenzing van het Pelagiaanse standpunt.

Ter verduidelijking geven wij hier eerst enkele saillante punten uit het dogmatisch erfgoed van Pelagius.

Pelagius, een zeer streng Britse monnik, verdedigt het standpunt, dat de mens het goede kan doen en het kwade nalaten. De mens is van nature goed. Een juist gebruik van zijn wil kan hem zijn goede aarrleg van moment tot moment bevestigen. De mens komt als een onbeschreven blad papier ter wereld, en als hij kiest voor het goede, kan hij een zondeloos leven leiden. Erfzonde bestaat niet: zonde is géén zaak, intentie, structuur of gezindheid, maar vrije daad, die vermeden had kunnen worden : zij is afhankelijk van de wil. Belachelijk beschouwt Pelagius de bewering dat , , door Adam de zonde op ons overgebracht is". Het feit, dat er toch overal zonde is, verklaart Pelagius dan ook uit de macht der gewoonte, gestimuleei'd door de natuurlijke, zinnelijke aard van de mens. Laten wij ons hier niet misleiden door analogieën met Augustinus' zondeleer.

Pelagius verklaart de continuïteit der zonde wel uit een zinnelijkheid, die tot noodzakelijkheid der constante herhaling leidt, maar deze zinnelijkheid is géén gezindheid ; zij is slechts een uit zijn primair gezichtspunt van afzonderlijke vrije en zondige wilsdaden te recontrueren apriorische generalisering. die niets uitstaande heeft met een aangeboren zondige natuur, zoals Augustinus leert. Pelagius' zondeleer is in wezen rationalistisch. Daarom is ook zijn genadeleer rationalistisch. De genade is naar Pelagius' opvatting verlichting van het verstand, oorspronkelijk, inheerent aan de mens, later, toen onwetendheid en gewoonte om te zondigen de overhand kregen, de mozaïsche wet en de 7eer van Christus.

Zoals de zonde incidenteel is, zo óók de genade : telkens kan de mens, door de genade verlicht, het goede kiezen. Het bekende motief, reeds door Socrates tot richtsnoer verheven van zijn zedelijke principes en sindsdien onuitwisbaar verweven in het patroon der wijsgerige en ethische bezinning, vaak nauwelijks zichtbaar en uiterst subtiel en verfijnd, krijgt tegen de achtergrond van Augustinus' genadeleer vlammende actualiteit. Juist inzicht in het goede beweegt óók de wil tot het goede. In de gestalten van Augustinus en Pelagius ontmoeten wij de exponenten van twee stromingen, die in een verwarrende veelheid van vertakkingen, het wijde erf der ethiek nog altijd beheersen : de autonomie van het eigen redelijk-zedelijk inzicht tegenover de heteronomie van een bovenredelijke norm; de proclamatie van de eigen, souvereine, scheppende, vrije wil tegenover de absolute aanspraak van de onweerstaanbare, de totale mens opeisende liefdewil Gods ; de werkzaamheid van de menselijke natuur tégenover de goddelijke openbaring, het verworven geloof tégenover geschonken geloof, schepsel tégenover Schepper.

Overal treedt deze tegenstelling op. De Middeleeuwse wijsgeren hebben gepoogd deze zozeer verschillende componenten in een harmonische synthese op te trekken, zó, dat de genade principieel aangesloten zou zijn op de menselijke natuur — de Reformatoren hebben de onverzoenlijkheid van deze tegenstelling doorzien en alle nadruk gelegd op de algehele verdorvenheid des mensen door de zonde en de souvereine genade Gods.

Hoewel Pelagius binnen het kader van zijn rechtvaardigingsleer een nauw verband legt tussen het geloof en de vergeving der zonden en hiermee nadert tot een bijbelse interpretatie van het geloof als een weten van de zondevergevende macht van Christus, blijven in zijn theologie zonde en genade moralistisch overgroeid : zonde als som van geïsoleerde handelingen — genade als de intellectuele verlichting. De rechtvaardiging blijft zodoende steken in een natuurlijke moraal.

Wat leert Augustinus nu omtrent de rechtvaardiging ? Wij zagen dat de genade op tweeërlei wijze werkzaam is : zij bekeert de wil en zij doet hem volharden in het nieuwe, bekeerde leven. Zij schenkt de mens het geloof èn zij activeert het in zijn permanente strijd tegen de concupiscentia en in de consolidering van zijn zedelijke vernieuwing. De mens ontvangt in de genade dus tweeërlei : vergeving van schuld èn de hieraan ontspringende kracht tot een nieuw leven in gehoorzaamheid. God neemt tot beide het initiatief. Het gehele heilsproces gaat van God uit. God verzoent én verlost door het werk van Christus. Wanneer de mens het ge-

loof ontvangen heeft, rekent God hem de zonde niet langer toe. Hier raken wij het hart van Augustinus' rechtvaardigingsleer — : zoals door de zonde van Adam de gehele mensheid door God gestraft is met de concupiscentia, zo wordt de gehele mensheid door de daad' van Christus bevrijd en deze bevrijding wordt de mens factisch toegerekend. Hierbij komt nog — en dit is een tweede, zeer wezenlijk moment in Augustinus' rechtvaardigingsleer — de veronderstelling van een door God gewerkte ontwikkeling, prasgnant voorgesteld onder het beeld van de instorting der genade. Het misverstand is niet denkbeelden, dat men hier te maken zou hebben met een natuurlijke psychologische ontwikkeling, alsof de genade potentieel een natuurlijke ontplooiing van zedelijke krachten in zich zou dragen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

AUGUSTINUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken