Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

MEDITATIE

8 minuten leestijd

Mozes dan zeide tot Jozua : Kies ons mannen en trek uit en strijd tegen Amalek. Morgen zal ik op de hoogte des heuvels staan en de staf Gods zal in mijn hand zijn. Exodus 17 VS. 9.

De tekst brengt ons in aanraking met Israël in de woestijn en we ontmoeten Israël dan niet in haar beste tijd. Zowel in Israël als voor Israël is het niet in orde. Lees slechts de eerste verzen van Exodus 17, waar Mozes pleit voor het aangezicht des Heeren, voor een volk, dat hem bijkans stenigen wil. Het lijkt dus op oproer. Maar ook voor Israël is het niet zo rooskleurig. Het wordt in het begin van de woestijntocht onverwachts in de achterhoede aangevallen door de Amalekieten. Dus terwijl 't zelf verdeeld ligt, komt er bovendien nóg een vijand, en dan ligt Israël wel zeer zwak. Ja, - de kerk wordt vaak verteerd door onderling gekrakeel, maar dan is haar kracht naar buiten ook gering. En nu letten we niet op dat gekrakeel, maar op haar innerlijke kracht. Israël wordt aangevallen door de Amalekieten, afstammelingen van Ezau.

Had Israël dat nu verdiend?

Was het niet des Heeren volk ?

Ja, wel des Heeren volk, maar de Heere zal het onder de roede doen doorgaan, want hun murmureren was niet tegen Mozes geweest, maar tegen de Heere. Hierin moet Israël zijn zonde leren zien. Deze geschiedenis herhaalt zich dagelijks in de harten van Gods kinderen. Hoeveel zonden worden nog niet gekoesterd aan het hart en leert de Heere dan juist in de benauwdheid de zonde niet kennen ? Ze, leren in de weg, waarin de Heere hun ogen opent voor hun eigen hart, zich te schamen voor de Heere. Van de overste der schenkers van Farao lezen we: Ik gedenk heden mijn zonde.

. Zijn we zover al eens gekomen ? Zijn de zonden ons al eens waarlijk op het hart gebonden? Israël heeft er eerst geen last van, maar nu komt de Heere hen, door Amalek, tegen. Van binnen overrompeld door de zonde, heeft de vijand een open plek om aan te vallen. Welk een erbarming, dat de Heere Zijn volk niet doet omkomen !

Roepende in hun benauwdheid, steekt de Heere opnieuw Zijn hand uit tot redding van Zijn volk. Dat mag Israël, ja, al Zijn volk ervaren.

We lezen in het voorgaande gedeelte dat de Heere uitkomst gaf, maar ook hier zal Hij het doen. Mozes treedt als middelaar op van dat volk  hij bemoedigt het door te wijzen op Hem, Die alle macht heeft. Mozes dan zeide tot Jozua: Kies ons mannen en trek uit, strijd tegen Amalek, morgen zal ik op de hoogte des heuvels staan en de staf Gods zal in mijn hand zijn. Hij zal er met de staf Gods staan ; de staf, waarmede hij de Rode Zee sloeg, het symbool van Gods gezag. En nu is die staf zelf niets, maar alleen door het geloof stelde het Mozes in staat wonderen te doen ; alleen wanneer hij de Heere aangreep in Zijn sterkte. Mozes roept dus de Heere er in aan. Mozes stelt zijn betrouwen op de Heere. Dan wordt het voor Mozes geen hopeloze zaak, ook al heeft Israël de ondergang verdiend en al komen de vijanden van alle kanten opzetten.

Kent gij uw vijanden ?

In het leven zijn we omsingeld door geweldige machten van ongeloof, maar de grootste vijand leeft in eigen hart. De vorst der duisternis kondigt zich immers niet aan. Hij komt soms onverwachts met de Bijbel in de hand, dan gaan we voor vroom aanzien datgene, wat in waarheid goddeloos, ja, streling van eigen vlees is. En hierop doet de Satan zijn aanvallen. De geestelijke situatie is menigmaal zo gelijk aan de toestand van Israël. Maar nu treedt in Israël van 's Heeren wege Mozes op en hij zegt, dat Israël de wapens moet opnemen en strijden. Is dat niet belachelijk? Wat voor wapens zal Israël gehad hebben en wie zal hun het strijden geleerd hebben. In Egypte waren ze immers slaven geweest. Och, het lijkt een dwaas bevel, maar Jozua gehoorzaamt. De Heere betrekt Zijn volk in hun verlossing, maar ook in de strijd. Maar is dat voor menigeen, die, door genade, zijn vijanden mocht onderkennen, geen hopeloze strijd? Hoe vaak moeten zij niet het onderspit delven.

En toch vermaant de Heilige Schrift ons tot oorlog. Neen, we mogen niet blijven stilzitten en zeggen: „Ik kan toch niets, en het moet alles van de Heere komen". Zo handelt de Heere nooit met Zijn volk. De Heere God was toch ook wel in staat om die Amalekieten door de adem Zijns mond te vernietigen en toch doet Hij het niet. Neen, Hij leert Zijn volk in de school der genade de wapenrusting des geloofs han­teren. Strijdt om in te gaan, is daar het wachtwoord. Het neerzitten met de woorden „een mens kan toch niets", is geen vrucht van genade, maar is geleerd in de school van de vorst der duisternis.

Misschien zijn er onder de lezers ook wel van die moedelozen, van die aangevochtenen, voor wie het donker is èn die geen uitzicht zien. Wanneer ge ziet op uw vijanden en op de ervaring, die ge reeds opgedaan hebt, dan zegt ge wellicht: Ik ben te zwak, 'k heb geen tegenweer, want de Satan slaat mij alles uit handen. De strijd schijnt dan hopeloos. En toch blijft de Heere daar staan met Zijn eis om te strijden. Het wordt in die weg een steeds meer moeten en niet kunnen, want in u is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen u opkomt en gij weet niet wat ge doen zult, maar dan volgt er in het Woord des Heeren nog meer, n.l.: maar onze ogen zijn op U!

Zie, dat moet Israël nu ook doen, de ogen gericht houden op wat de Heere doen zal. Terwijl Jozua tegen Amalek strijdt, zien we op een heuvel een man zitten en Gods staf is in zijn hand. De Heere is met hen. Wanneer Amalek sterker was, dan kon Israël zien op die staf in Mozes' hand, dan gaf de Heere de moeden kracht. Die staf herinnerde Israël immers aan de wonderen Gods ; aan de uitkomsten, die de Heere geschonken had.

Israël, zie niet op het uwe, maar naar boven! Och, wat zijn we geneigd om in de strijd naar beneden te kijken. We zien dan op ons bezit, onze wapenen, op onze beleving en ervaring. Ja, wanneer we daarop zien, dan geeft het Woord Gods u geen hoop ; dan spreekt het u en mij van ondergang. Maar zie nu eens niet naar die vijand alleen en naar eigen zwakheid, zie nu eens naar God! Waarom is het dan zo duister ? Omdat ge toegeeft, omdat ge niet strijdt, omdat ge niet gelooft in de kracht Gods, die in Christus getoond wordt en beloofd. Amalek is sterk, maar Israels strijd is Gods strijd. God heeft Amalek de oorlog verklaard en hij moet verdelgd worden. De Heere zou zijn gedachtenis van onder de hemel uitroeien. Dat is alleen de kracht, waardoor we strijden kunnen. Niet in ons is kracht, maar de Heere doet het op gebed. Mozes houdt biddend die staf omhoog en als hij moe wordt, wordt hij door Aaron en Hur ondersteund. Terwijl het volk strijdt, lettend op die staf, smeekt en bidt Mozes om hulp. Mozes legt de' uitslag in de handen des Heeren,

Strijden en bidden.

Aangevochtenen, volhardt in het gebed, legt de Heere uw armoede maar voor en bidt om kracht. En als de opgeheven handen zwaar worden, smeekt dan om de ondersteuning des Heeren. Niet omdat Mozes bad, maar op het gebed deed de Heere grote wonderen. Mozes als Voorbidder voor dat strijdende volk en ziende op hem, strijdt het volk biddend. Maar meer mogen we u voorstellen. De Voorbidder des Nieuwen Verbonds : de Heere Jezus Christus, Hij wordt niet moede noch mat om voor Zijn strijdend Sion te bidden. Hij strijdt mede met Zijn volk. Door de Heilige Geest te zenden in hun harten bemoedigt Hij hen ; dan leidt Hij hen naar Golgotha, waar ze zien mogen dat de Satan, ook hun Amalek, vernietigd is. Mozes bouwde een altaar, zo lezen we in VS. 15, en hij noemde deszelfs naam: De Heere is mijn banier, d.w.z. op de Heere zal ik vertrouwen, in de kracht des Heeren zal ik strijden, want Zijn hand is op de troon. Hij zal niet rusten voordat Hij Zijn oordeel over Amalek vervuld heeft. Gods toom rust op Israels vijanden. Wanneer we ons leven in dat licht zien, dan ontdekken we ook dat de vijanden in ons leven onder Zijn oordeel liggen. En nu blijft de strijd hier beneden, maar éénmaal zal de Heere Zijn strijdend Sion verlossen, dan zal de strijd volstreden zijn en zullen we ingaan in het huis, dat de Heere bereid heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Thursday 8 December 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van Thursday 8 December 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken