Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE NAVOLGING VAN CHRISTUS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE NAVOLGING VAN CHRISTUS

11 minuten leestijd

IV

2. Imitatio in de Oude Kerk en in de Middeleeuwen.

Terwijl in het N. T. de navolging zich uitstrekt over het gehele leven en ook de gewone dingen van het leven betreft, treedt er zodra wij ons bezig gaan houden met de Oude Kerk een zekere verandering van het beeld op. De navolging wordt enigszins verengd. Bepaalde groepen mensen worden beschouwd als de ware navolgers. Dit geldt allereerst voor de martelaren. Er zijn een paar plaatsen in de brief van de Antiocheense bisschop Ignatius aan de Romeinen, waar wij dit reeds enigermate kunnen opmerken.

Zo spreekt Ignatius in Rom. 4 met vreugde over zijn komend martelaarschap : „Brood Gods ben ik en door de tanden der wilde dieren word ik vermalen, opdat ik rein brood van Christus bevonden worde. Streelt veeleer de dieren, opdat zij mij een graf worden en niets overlaten van de delen mijns lichaams, opdat ik niet, begraven, iemand tot last worde. Dan zal ik waarachtig leerling van Christus zijn, wanneer de wereld zelfs mijn lichaam niet ziet". En elders in dezelfde brief heet het: , , Sta mij toe navolger te zijn van het lijden van mijn God". Al kunnen wij niet zeggen, dat de gehele gedachte der imitatio voor Ignatius besloten ligt in het martyrium — verschillende plaatsen uit zijn brieven spreken zeer algemeen over de gelovigen als navolgers des Heren —, toch kunnen wij op grond van deze passages uit zijn brief aan de Romeinen wel zeggen dat voor Ignatius de ware navolging — beter nabootsing, imitatio — gelegen is in het martelaarschap.

De nadruk op het martyrium als navolging vinden wij ook bij Eusebius van Caesarea. In het vijfde boek van zijn bekende kerkgeschiedenis (hoofdstuk 1), geeft hij een uitvoerig bericht van de vervolgingen, welke de christenen in Gallië tijdens de keizertijd hadden te doorstaan. Hij vertelt hoe een zekere Vetthius Epagathus, een man van volmaakte levenswandel, , , ook bij het getal der martelaren gevoegd werd", en Eusebius zegt van hem : , , Hij was dan ook een echt leerling van Christus, het Lam volgend, waarheen het ging".

In de vierde eeuw trad als de ware navolger de monnik naar voren. Het ascetische leven, zoals dat bestond in een zich losmaken van wereld en familie, werd beschouwd als de echte imitatio Christi, vooral bij de kerkvaders Clemens Alexandrinus en Origenes vinden wij dit aspect.

Ook in de mystiek speelt de navolging van Christus een rol. Men kan hier weer wijzen op Origenes. Bij Makarius en Maximus confessor geldt de imitatio, de nabootsing, als trap tot de vergoddelijking.

Langzamerhand treedt er dus verenging op. De martelaar, de asceet en de mysticus gelden alg de echte navolgers. Bovendien —en dat kan men vooral opmerken t.a.v. de Westerse kerkvaders — gaat het moralisme een belangrijke rol spelen. Christus wordt gezien als de leraar, het voorbeeld, wiens deugden men moet navolgen.

Wanneer wij ons nu wenden tot de Middeleeuwen, dan zien wij hoe de navolging van Christus vooral betrokken wordt op geestelijken en monniken. Dat de martelaar zeer sterk terug treedt, is niet verwonderlijk, gezien de veranderde positie van de kerk in de wereld sinds Constantijn de Grote. Men zou kunnen zeggen: Juist deze veranderde positie van de kerk is de oorzaak, dat het imitatio-ideaal telkens weer naar voren komt. Immers wij zien, dat wanneer kerk en pausdom steeds groter macht krijgen en de verwereldlijking der kerk hand over hand toeneemt, er zowel binnen als buiten de kerk kritiek op deze verwereldlijking geleverd wordt. 'Steeds is hierbij de imitatio Christi in het spel, zodat W. Völker haar kan noemen: Het geweten der kerk.

In het kader van ons onderwerp is het ons slechts te doen om de hoofdmomenten. Slechts enkele facetten uit 't bonte geheel kimnen wij hier belichten. Daar is allereerst de belangrijke figuur van de Cisterciënzer monnik Bernhard van Clairvaux. De navolging van Christus is bij Bernhard ingevoegd in het geheel van de heilsweg. Het doel van de heilsweg is gelegen in het kennen en liefhebben van God. Dit is 't hoogste goed : de onmiddellijke aanschouwing Gods. Het enig goede streven is gelegen in het zoeken van God. Men kan ook zeggen: de menselijke ziel dient zich te assimileren aan God. Willen wij dit goed verstaan, dan dienen wij deze woorden te plaatsen tegen de achtergrond van zijn mensbeschouwing, met name zijn leer van het beeld Gods. Bernhard maakt onderscheid tussen het beeld Gods en de gelijkenis in de mens. Het beeld Gods is het vermogen om te willen. Dit is de mens in zijn zondige staat eigen gebleven. De gelijkenis Gods, waarop de kennis berust, is verloren gegaan met de zondeval.

Daarom ligt het heil in het herstel der oorspronkelijke gelijkenis Gods. Nu is in Christus dit ontluisterde beeld Gods weer opgericht. Daarom gaat 't er voor de mens, die streeft naar de Godegelijkheid, om, deze Christus na te volgen. Grote aandacht heeft de abt van Clairvaux voor Christus' menswording. Hierin heeft God zich aangepast aan de menselijke staat. Dat de mens nu van zijn kant deze aanpassing Gods beantwoorde in de navolging. Gods weg tot de mens is tweeërlei: lichamelijk, zichtbaar en geestelijk, onzichtbaar. Hieraan beantwoordt een tweeledige kennis en navolging: een lichamelijke en een geestelijke. Daar is ten eerste de vleselijke gehechtheid aan Christus, de ascetische beschouwing van de mens Jezus, de navolging van zijn kruis. Dit is de eerste trap, de liefde der beginnelingen. Zo zegt Bernhard in een preek: , , In vrome verering van zijn vlees, moge voorlopig getroost worden, die de levendmakende geest nog niet heeft". In de gespannen concentratie op de Christusgestalte leert men eigen bedenkingen ten achter te stellen. Bij de poort der boete begint de weg naar hoger leven. Immers de lichamelijke navolging moet uitlopen op de geestelijke navolging, 't geestelijk kennen. Dit geestelijk volgen van Christus is een vervuld zijn van geloof, hoop en liefde. Het geloof wordt zuiver verstandelijk opgevat. Het is de voorbereidende trap van het kennen, het inzicht in de waarheid. Daarentegen is de liefde het actieve element, het werkzame, terwijl de hoop al het denken richt op God. Deze verhouding van geloof en liefde is in verband met Bernhards' opvatting van de rechtvaardiging van belang. In één van zijn preken op het Hooglied legt hij er sterk de nadruk op dat het geloof gepaard gaat met liefde". Gij ziet, dat het rechte geloof de mens niet recht maakt, wanneer het niet werkt door de liefde". Deze voorstelling van Bernhard, t.a.v. de verhouding geloof—liefde is de typische Middeleeuwse positie t.o.v. de rechtvaardiging (de z.g. fides caritate formata) : Het is de rechtvaardiging door het geloof, dat door de liefde werkt. In het heilsproces, waarin de ziel tot zaligheid geraakt, werken geloof en liefde nauw samen.

Wanneer wij nu, na de navolging van Christus in het kader van Barnhard's heilsopvatting gekend te hebben, haar nader willen karakteriseren, dan kunnen wij zeggen dat het gaat om de methodische imitatie van Christus, welke gericht is op de zalige gemeenschap met God, in het hiernamaals ononderbroken, hier in het moment der exstatische vervoering. Juist als imitator Christi is Bernhard mysticus, aldus M. C. Slotemaker de Bruïne. (Het ideaal der navolging van Christus ten tijde van Bernhard van Clairvaux, b.z. 60),

De gedachte der transformatio neemt bij Bernhard een grote plaats in. Ik geef één citaat uit één van Bernhard's geschriften : , , 0 zoete en liefelijke genegenheid, o pure en gezuiverde neiging van de wil te liefelijker en te zoeter naarmate het gevoelen geheel goddelijk is. Deze beroering is opgaan in God".

Het ascetisch moment is beheersend. In de navolging van Jezus moet de mens zijn lichaam tot dienstbaarheid brengen. Banden van menselijke gemeenschap tellen niet meer mee. Van hieruit waardeert Bernhard ook de maagdelijkheid. Hij, die Christus navolgt op de weg des heils, neemt afscheid van de wereld, waarin het huwelijk een rol speelt^ Vooral de gestalte van Maria, de moeder des Heren, wordt door Bernhard in het volle licht geplaatst. Grote aandacht schenkt Bernhard ook aan het vasten, in het algemeen aan het arme leven van de Christus. De weg der navolging is de weg van het lijden, van de armoede en de ontbering. Hoe kan nu dit ideaal het best benaderd worden? Uitgaande van de tekst , , uw scheuten zijn een paradijs" (Hooglied 4 : 13), verdeelt hij de mens in drie orden. Want, zo zegt Bemhard in zijn allegorische verklaring: Er zijn drie scheuten: ten eerste die der gehuwden, ten tweede die der bekeerden, die een ascetisch leven leidden; ten derde die der prelaten. Zij worden belichaamd door de bijbelse figuren Job (de gehuwde), Daniël (de asceet) en Noach (de prelaat).

In een preek op Palmzondag over de intocht van Jezus in Jeruzalem worden deze drie categorieën door de abt van Clairvaux eveneens ter sprake gebracht. De leken, die in de wereld leven en gehouden zijn op bepaalde tijden te vasten en te bidden en Christus' deugden te beoefenen, zijn als de mensen, die hun klederen voor Jezus uitspreiden. Dichter bij het ideaal komen de dienaren der kerk, bisschoppen en prelaten. Zij zijn degenen, die het heil verkondigen, de deugden der heiligen uiteenzetten en zij kunnen vergeleken worden met die mensen, die bij Jezus' intocht de takken van de bomen plukten. De volledige navolging verwacht Bemhard evenwel van de monniken. In genoemde Palmzondagpreek zegt hij : „Het dier voorwaar, waarop Christus is gezeten, zijt gij dat niet, die naar het bevel van de apostel God verheerlijkt en draagt in uw lichamen. De monniken vormen de ware militia van Christus", aldus de abt van Clairvaux, één van de belangrijkste kloosters van de strenge orde der Listerciënzers. Men kan met Slotemaker de Bruine zeggen : , , 't Gereguleerde kloosterleven naar de grondslagen van Benedictus acht Bemhard de aangewezen levensvorm voor degenen, die Christus in de speciale zin willen navolgen", (a.w. blz. 66).

Met opzet zijn Bernhard's gedachten over de navolging zo uitvoerig weergegeven. De belangrijke plaats die hij inneemt in de Middeleeuwse kerkgeschiedenis verleent ons hiertoe 't recht. Een tijdgenoot van Bemhard van Clairvaux was Arnold van Brescia, die eveneens de kerk teruggeroepen heeft tot de apostolische armoede. Zijn radicaal optreden leidde tot de breuk met de kerk. Dit verschijnsel doet zich ook voor bij enkele groepen, aan wie wij in dit verband niet geheel mogen voorbijgaan: Katharen en Waldenzen. De Katharen zijn verwijderd van de gestalten en stromingen der Middeleeuws-Katholieke Kerk, gezien hun opvattingen over de verhoudingen van stof en geest — het kwaad schuilt volgens hen in de stof zelf — en hun waardering van persoon en werk van Christus. We kunnen bij hen vele invloeden aanwijzen van de gnostische stromingen, die vooral in de eerste eeuwen de christelijke gemeenten bedreigd hebben. Evenwel de nadruk, die zij leggen op het apostolisch armoede-ideaal en — in verband daarmede — hun kritiek op allerlei kerkelijke instanties en gebruiken — verbindt hen met de kerkelijke groeperingen, die dit ideaal voorstonden. De Katharen noemden zichzelf: „de ware navolgers van Christus". In deze benaming lag reeds hun kritiek op de kerk opgesloten.

Bijbelser en ook kerkelijker — al heeft de kerk van Rome zich heel spoedig van hen losgemaakt en al zijn zij door de pauselijke inquisitie fel en wreed vervolgd — doen zich de Waldenzen aan ons voor. Gegrepen door de uitzendingsrede van Jezus in Matth. 10, was ook hun protest tegen de verwereldlijkte kerk met haar machtsaanspraken tevens een pleidooi voor het arme leven van Jezus en de apostelen. Hoezeer zij zich mochten onderscheiden van de officiële kerk, toch kwamen zij op het beslissende punt niet boven de Middeleeuwse opvatting uit. De navolging werd opgevat als na-doen, als een verdienstelijk goed werk. Door hun verwettelijking van het Evangelie kon de Bijbelse opvatting van de navolging zich niet baanbreken.

Geldt dit ook van Franciscus van Assisi, die men wel genoemd heeft „een der lichtendste gestalten uit de kerkgeschiedenis" (Berkhof).

Wij zullen hier voorbijgaan aan de vele problemen, die er rondom de figuur van Franciscus rijzen, zoals zijn verhouding tot pausdom en kerk, de ontwikkeling der Franciscanerorde en het testament van Franciscus, enz. Onis interesseert vooral de vraag: In hoeverre is Franciscus van Assisi boven de Middeleeuwen uitgekomen. Ook Franciscus behoorde tot diegenen op wie Jezus' woorden uit Matth. 10 blijvend beslag gekregen hebben. Plotseling nam hij het besluit het leven van Jezus en de apostelen in armoede en ontbering punt voor punt na te volgen. Uit één voorbeeld moge blijken hoe ver deze imitatie ging: kort voor zijn dood heeft hij het gewaagd het brood te zegenen, in stukken te breken en uit te delen onder zijn metgezellen. In dit licht ziet de kerkhistoricus J. van Walter in zijn studie over Franciscus van Assisi en de navolging ook het visioen, na afloop waarvan Franz de wondetekenen (stigmata) van de Heiland in zijn lichaam droeg. Het feit van de stigmatisatie is volgens Van Walter slechts te verklaren uit de begeerte om in alles Jezus gelijkvormig te worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE NAVOLGING VAN CHRISTUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken