Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE INRICHTING VAN DE DIENST DES WOORDS BIJ CALVIJN IV

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE INRICHTING VAN DE DIENST DES WOORDS BIJ CALVIJN IV

10 minuten leestijd

Wanneer wij ons zetten tot naspeuring van wat we , , Calvijns liturgie" zouden moeten noemen, blijkt ons, bij vergelijking van de Straatsburgse en Geneefse inrichting van de eredienst, dat het geraamte van de diensten in beide gevallen, ondanks de wel zeer uiteenlopende omstandigheden, waaronder ze werden verwerkelijkt, gelijk is.

Zoals gezegd: de wortels van de gereformeerde liturgie liggen in Straatsburg. Het eerste optreden van Calvijn in Geneve valt in deze praktisch te verwaarlozen, omdat het te kort en onrustig is gebleken om waarlijk vormgevend te kunnen zijn geweest. De liturgie van de kerkdiensten van Calvijns collega Farel, waarbij hij aansloot, is weinig meer dan een geraamte en mist nog de noodzakelijke vormgeving en doordenking. Beginnend met het , , Onze Vader" ging men over naar tekstlezing en tekstverklaring, om te besluiten met de wet des Heeren (waarop schuldbelijdenis volgde), het , , Gebed des Heeren", de geloofsartikelen en een, slotgebed, Na de zegen ging de gemeente dan uiteen. Men krijgt het gevoel, dat hier de gemeente nog onvoldoende gelegenheid geboden wordt zich een zekere vormenrijkdom, waarin zij zich uiten kan, ten nutte te maken.

In Straatsburg ligt de zaak geheel an­ders. In het jaar 1542. een half jaar na zijn afscheid van Straatsburg, verschijnt een liturgie, die Calvijns gedachten duidelijk weerspiegelt, aangepast echter aan de oorspronkelijke liturgie, opgesteld door de Straatsburger predikant Butzer. In datzelfde jaar ziet echter ook zijn Geneefse orde van dienst het licht, soberder, vanwege de druk van de raad van Geneve. Beide liturgieën hebben hun neerslag gevonden in de staalkaart van liturgische produktiviteit, die het dienstboek onzer kerk biedt. De liturgie, waarmee Calvijn het meest gewerkt heeft, is opgenomen onder Orde II. Het enig verschil tussen, deze orde en de Geneefse Calvijn is dit, dat hier de 12 artikelen, die Calvijn stelde na het dankgebed na de prediking, zijn weggevallen. Wij kennen deze lezing van de geloofsbelijdenis ook niet in onze erediensten. Terecht. Dit Geneefs liturgisch gebruik is voor Calvijn eigenlijk een soort schamele rest van de verwerkelijking van zijn hartewens : het wekelijks Avondmaal. Calvijn had in Straatsburg n.l. de gewoonte, om de 12 artikelen (naar Straatsburgs gebruik door de gemeente gezongen !) te stellen tijdens het breken van brood en wijn vóór de communie (de deelname aan het H. Avondmaal). Zij fungeert dan, zoals in ons Avondmaalsformulier, als een soort samenvatting van het gehoorde. Er zijn echter van Calvijn ook liturgieën bekend, waarin deze geloofsbelijdenis weg is gevallen. Ais de dienst niet wordt voortgezet in Avondmaalsviering wordt haar plaats inderdaad aanvechtbaar.

Dat Calvijn inderdaad heeft getreurd om het verzet van de Geneefse raad tegen meerdere Avondmaalsvieringen dan 4 maal 's jaars, bewijst zijn brief aan de Bernse magistraten, die, onder invloed van Zwingli, slechts 3 maal 's jaars het Avondmaal deden bedienen, en 't heenwijzen van Calvijn naar de oude christelijke kerk , , voordat de Satan de massa verleidde" (dus in de tijd van het boek der Handelingen!) Nog in 1556 klaagt hij, dat zijn handen gebonden zijn.

Calvijn begint, als wij, de dienst met het votum, waarvoor hij Psalm 124 vs. 8 benutte. Later breidde dit zich uit met Psalm 146 vs. 6 en Psalm 138 vs. 8. Opmerkelijk is, dat Calvijn hier het opschrift , , gebed" boven plaatst. Sinds Abraham Kuyper is de gedachte ingeburgerd, dat het votum zoiets zou zijn als de hamerslag op de vergadering, waarmede de voorzitter krachtens volmacht de samenkomst opent in de naam van zijn opdrachtgever. Deze opvatting sluit zich niet aan bij de reformator en mist historische motivering.

Ten onzent volgt op het votum de groet aan de gemeente van Godswege, door de gemeente wel abusievelijk opgevat als de , , beginzegen". Dit bij ons ook ingeburgerd gebruik ontbreekt niet alleen bij Calvijn, maar ook in de oudchristelijke en rooms-katholieke kerk In later tijd opgekomen, heeft zich de groet een onaantastbare zinvolle plaats verworven.

Op de groet volgde in Geneve een schuldbelijdenis. Op zichzelf een waardevol element in de eredienst, veelal in de vorm van een tekstwoord. De tegenstanders van deze toegift op onze klassieke liturgie doen goed, zich te realiseren, dat bij ons op de wetlezing ook meestal een gezongen schuldbelijdenis volgt, veelal uit de boetepsalmen, en dat het principieel niets uitmaakt, of deze wordt uitgesproken door de dienaar, dan wel gezongen door de gemeente. Men herinnere zich dan, dat Calvijn gewend was, de eerste tafel van 10 geboden door de gemeente zingend te doen vertolken, evenals de 12 artikelen, tijdens het bereiden van brood en van wijn. In later tijd heeft men de schuldbelijdenis doen aansluiten (gezongen) aan de lezing van de 10 geboden, waarbij aan de verootmoedigende functie van de wet des Meeren dus volkomen recht wordt gedaan. Dit neemt niet weg, dat deze verschuiving is geschied uit praktische motieven, n.l. dat de belijdenis van schuld haar inhoud ontvange, doordat men oog 'in oog heeft gestaan met de eis van Gods wet. Wij kunnen ons echter dit blijven voorhouden, dat Calvijn, evenals de Heidelberger Catechismus doet, door de behandeling van de 10 geboden in het stuk der dankbaarheid te stellen, in zijn Institutie de meeste nadruk legt op het dankbaar hart, waaraan de geboden geschonken worden tot norm voor het leven uit het geloof en. dat hij de wetslezing stelde na de belijdenis van schuld in de eredienst. Wanneer wij dus de wet vooraan in de dienst stellen, moeten wij, mijns inziens, hier geen principiële kwestie van maken, maar de toonaard van het gezongen antwoord op de wet laten beheersen door het accent van de prediking in de zondagmorgendienst. De tekst zal dan uitmaken, of dit een schuldbelijdenis zal zijn, dan wel een Psalm, die spreekt van de vrede voor elk, die Gods wet heeft leren beminnen en liefhebben.

Op de schuldbelijdenis deed Calvijn een gebed om vergeving volgen, aanvankelijk een Schriftwoord van vergeving, waarna hij overging tot de verkondiging van Gods genade aan de gemeente. Dit laatste is een Straatsburgs gebruik, door Calvijn aanvankelijk aangehouden, maar onder druk van de Geneefse raad, die het aanvoelde als nieuwigheid, later nagelaten. Dit is geen verarming van de liturgie geworden. Niet, dat wij principiële bezwaren tegen de genadeverkondiging zouden kunnen aanvoeren. Het wil niets anders zijn dan een hanteren van de , , sleutel der ontsluiting" van het hemelrijk, geboden aan ieder berouwvol zondaar, krachtens opdracht van Christus. Ook ons Avondmaalsformulier roept ieder, die Gods genade van harte zoekt, op, omdat God hem , , gewisselijk in genade zal aannemen". Het bezwaar tegen dit liturgisch gebruik is echter hierin gelegen, dat op de genadeverkondiging (de eerste sleutel !) ook de zogenaamde retentie (de tweede sleutel) zou moeten volgen, zoals ook het Avondmaalsformulier ons voorhoudt, wanneer zij hen waarschuwt , , die zich met opzettelijke ergerlijke zonden besmet weten, zich van Gods tafel te onthouden, omdat zij geen deel hebben aan het rijk van Christus". Er is geen reden, de genadeverkondiging wèl en de retentie niét als een geïsoleerd  liturgisch onderdeel in de gang van de eredienst in te voegen. Daarom aanvaarden wij gaarne de. beslissing van de synode van Middelburg 1581, die de genadeverkondiging beschouwde als overbodig, aangezien de verkondiging der genade genoegzaam in de preek geschiedt, en herinneren ons tot onze troost, dat het van origine ook geen Calvinistisch, maar een Straatsburgs gebruik is (als we deze troost nodig hebben !)

Vervolgens gaat Calvijn over tot de 10 geboden, die gedeeltelijk gezongen worden, en hier niet louter fungeren als leefregel der dankbaarheid, zoals velen beweren. Dat we dit niet zo mogen zien, blijkt wel uit het na ieder gebod ingevoegde , , Heer, ontferm U over ons", het zogenaamde kyrie. Doch wie hier weer een Calvinistische regel in wil zien, dat de Wet in de eredienst heeft te fungeren als de verootmoedigende wil Gods, met de dankbaarheid op de tweede plaats, vergete niet, dat deze Wetslezing gevolgd wordt door een gebed om heiliging, in de geest van „Och, of wij Uw geboón volbrachten". Beide functies van de geboden blijken onlosmakelijk verweven, ook in de eredienst.

Het gebed om heiliging loopt uit in dat om de opening des Woords en de bijstand van de H. Geest. Een noodzakelijk element van het , , grote gebed" ten onzent, daar wij immers gereed staan om Gods Woord nader open te slaan. (Ook de wetslezing is eigenlijk Schriftlezing).

Hierna laat Calvijn de prediking aansluiten op de Schriftlezing, zonder de onderbrekende gemeentezang. Hierin is opzet. De band tussen Woord en prediking is bij Calvijn zó nauw, dat geen intermezzo mag getolereerd. Uit praktische motieven is deze middenzang later echter wel ingeburgerd, omdat zich in de loop der tijden een verschuiving heeft voorgedaan die het aanvaardbaar maakte, het lang geheel van de prediking en Schriftlezing te onderbreken. Het hangt namelijk samen met de verandering van preekmethode, die is ingetreden. De reformatie kent niet de preek als afgerond geheel, zoals wij die kennen, maar men neemt zoveel als tekst, „als men in de gestelde tijd gevoeglijk kan verklaren". Calvijn's Schriftlezing is dus eigenlijk meer tekstlezing, en zijn prediking is een poging, om het levende Woord zo levend mogelijk voor de gemeente te vertolken. Calvijn spreekt langzaam en vrij, improviseert naar voorbereide gegevenis, en verwijt de Engelse prediking haar dorheid, predikt actueel (gaat op roomse misstanden zo praktisch mogelijk in) en troostvol (zijn preken over Job hebben de Hugenoten-generaal de Coligny op de diepste momenten van zijn moeilijk leven gesticht en getroost). Toen later de prediking zich ontwikkelde tot een afgerond geheel, waarbij een tekst zoveel mogelijk werd uitgeput, kreeg de Schriftlezing een meer zelfstandige funcie. De boeiende kracht van Calvijns preken ligt in hun Schriftverklarend gehalte, en zo moet ten onzent nog steeds de prediking worden gebracht, en daarop beoordeeld. De rest is voor Calvijn bijzaak. Zijn dwingende persoonlijkheid is niet ieders bezit, maar gelukkig, dat in dergelijke dingen het wezen, noch de kracht (naar Calvijn!) gelegen is. Laten wij ons gezeggen — als dienaars — en als gemeente.

Na de prediking volgen dankgebed en voorbeden, waarin dus mede gedacht wordt aan , , alle nood der christenheid". Deze plaats van het grote gebed is vooral te begrijpen, als wij ons weer in gedachten brengen, dat de dienst zó moet zijn ingericht, dat zij te allen tijde moet kunnen worden voortgezet in Avondmaalsviering. Het gebed voor de nood van anderen is dan de overgang naar het sacrament, waar immers het ène brood, dat wij breken getuigenis aflegt van de onderlinge verbondenheid der gemeenteleden als leden van één lichaam, gelijk 't brood is samengesteld uit vele graan^ korrels. Deze plaatsing van , , het grote gebed" is zeer verantwoord, hoewel natuurlijk geenszins principieel voorgeschreven.

Tot slot belijdt de gemeente haar geloof, zingende, dus biddende, zoals in het klassiek-gereformeerde Avondmaalsformulier ook geschiedt. Het heeft in het geheel van de dienst, als geen Avondmaalsviering volgt, dan de functie van een soort samenvatting. Geen noodzakelijke, dunkt ons. Wij vinden dan ook weergaven van Calvijns liturgie, waar deze geloofsbelijdenis breekt.

Na de slotpsalm gaat de gemeente uiteen, de wereld in, om, achtervolgd door de belofte Gods, op haar gelegd met de woorden van de Aaronitische zegenbede, haar dienst aan God in de wereld, versterkt en getroost te gaan vervullen op de , , andere dagen des Heeren".

Samenvattend kunnen we zeggen, dat zowel grondbeginselen van Calvijns liturgische orde als de verwerkelijking daarvan nog niets aan actualiteit hebben ingeboet, en dat wij nog steeds in de schat der liturgie de rente trekken van het geestelijk kapitaal van de grote reformator. Moge dit kapitaal onder ons levend geld blijken, doordat ons hart, in de dienst des Woords bewogen, mede zich uitleve in de vormen , die door deze Reformator uit Gods Woord tot ons gekomen zijn. Daartoe is het goed, bezig te zijn geweest met de , , Dienst des Woords bij Calvijn".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE INRICHTING VAN DE DIENST DES WOORDS BIJ CALVIJN IV

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken