Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE DORDTSE LEERREGELS

12 minuten leestijd

Voorts gelijk deze leer van de Goddelijke Verkiezing naar Gods wijze raad, door de profeten, Christus zelve en de apostelen, zowel in het oude als in het nieuwe Testament gepredikt is, en daarna in de Heilige Schriften voorgesteld en nagelaten, alzo moet zij ook ten huidigen dage, te zijner tijd en plaats, in de Kerke Gods (dewelke zij bijzonderlijk is toegeëigend) voorgesteld worden, met de geest des onderscheids en met Godvruchtige eerbiedigheid, heiliglijk, zonder nieuwsgierige onderzoeking van de wegen des Allerhoogsten, ter ere van Gods heilige naam en tot een levendige troost van Zijn volk. Hand 20 : 27, Rom. 12 : 3, 11 : 33, 34, Hebr. 6 : 17, 18.

HOOFDSTUK 1. ARTIKEL 14

De vorige keer hebben wij verschillende gegevens uit het Oude Testament naar voren gebracht, die ons een indruk ervan konden geven, hoezeer daar de Goddelijke Verkiezing wordt voorgesteld, die onderscheid maakt, waar geen onderscheid is. Wij werpen dit keer een blik in het Nieuwe Testament. Dr. Herman Ridderboos schrijft in zijn , , De komst van het Koninkrijk" dat men het evangelie van het Koninkrijk zou kunnen typeren als , , het evangelie der uitverkorenen". Degenen, die de zaligheid van het Koninkrijk der hemelen zullen beërven, worden telkens weer als het voorwerp van Gods welbehagen of van Zijn uitverkiezing aangewezen. Ik meen ook dat zich dit gemakkelijk laat aantonen. Daar is b.v. de Engelenzang. Tamelijk algemeen leest men daar: „in mensen des welbehagens". Sommigen zeggen wel, dat hiermee mensen van goeden wille bedoeld worden, die uit zichzelf tot God komen. Maar het verband pleit daar niet erg voor. Dan zou het welbehagen des mensen de doorslag geven. De vrede met God zou dan het deel zijn van hen, die een welbehagen in God hebben en Hem uitkiezen tot hun God. Dat zou dan echter in volkomen strijd zijn met andere plaatsen der H. Schrift. De onwedergeboren mens heeft geen welbehagen in God. Hij is immers een vijand van God, dood voor God en Zijn dienst. Zijn welbehagen is om in de zonde en misdaden te wandelen. Het bedenken des vleses is vijandschap tegen God. Daarom is het moeilijk aan te nemen, dat de engelenzang onderscheid wil maken tussen natuurlijk goede en natuurlijk boze mensen. Het gaat in Lucas 2:14 over het welbehagen Gods en dus over de mensen die God in Zijn vrijmachtig welbehagen heeft willen uitverkiezen. Ook leert de Schrift nergens dat God uitverkiest die zo erg goeden vroom zijn. Integendeel, het wordt vaak anders, om gezegd. Hetgeen niets is, dat heeft God uitverkoren. Daarom doet het er in zeker opzicht niet veel toe of men spreekt van uitverkiezing als raad of als daad, want in beide gevallen heeft de mens niets in te brengen en is het God, die over hem beschikt. God wordt daarbij niet bewogen door 's mensen werken of gebeden. Als we hiernaast Lucas 12 : 32 lezen, worden we herinnerd aan de 7000 uit Elia's dagen en het „nachthutje" van Jesaja. „Vreest niet, gij klein kuddeken ! want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het koninkrijk te geven". Het uitverkoren Israël verwerpt de Christus. Maar in dat Israël is nog een klein overblijfsel. Men zou kunnen vrezen, dat dit overblijfsel geen stand zou kunnen houden en dat er tenslotte niemand meer over zou blijven om Christus Jezus te eren. Daar behoeven wij echter niet voor te vrezen. Dit kleine kuddeke zal zalig worden. Daar staat God voor in. Deze verlossing berust op het goddelijk raadsbesluit, vrij en onafhankelijk van alle menselijke invloed". Het is een kudde. Maar God zorgt dat elk schaap, dat ver is afgedwaald bij de kudde komt. Voor iedereen zal toch wel duidelijk zijn dat God een welbehagen, een raadsbesluit heeft om juist dat kleine kuddeke zalig te maken. De anderen gaat Hij voorbij. Hoe de Heere uit Israël naar het vlees de uitverkorenen weghaalt om ze bij dat kleine kuddeke te voegen kan men b.v. zien in de bekering van Saulus van Tarsen.

Van het welbehagen Gods, dat spreekt van het vrijmachtige van Gods genade lezen we ook in Matth. 11 : 25, 26 : , Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde ! dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt ze de kinderkens geopenbaard. Ja, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U". En hoe wordt iemand een kind ? Door wedergeboorte. Het is zo, dat er wijzen en verstandigen zijn in eigen oog, die menen, dat zij het zelf weten en zelf kunnen. Tot deze wijzen en verstandigen behoort van nature de hele wereld, ieder mens. De heilsweg Gods is voor ieder natuurlijk man verborgen. Zelfs de discipelen verstaan het niet. Maar als nu een mens een nieuw leven mag leren kennen, zodat hij een onwijze wordt in zijn eigen oog en het niet meer weet, komt God het hem openbaren. Daar is niet van twee soorten mensen sprake in deze zin dat de mens zich van de ene groep naar de andere kan begeven. Toen Nicodemus de openbaring begon te zoeken kreeg hij te horen, dat hij er niets van zou kunnen verstaan en het Koninkrijk Gods niet zien, tenzij hij wederom geboren werd. Het is des Vaders welbehagen sommigen door wedergeboorte tot kinderen te maken en aan hen de dingen van de weg van vrije genade te openbaren. Daarvan lezen we in Marc. 4 : 11: , , Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk Gods". De discipelen hebben de Heere Jezus niet geroepen, maar de Heere Jezus heeft de discipelen geroepen en met uitsluiting van anderen is 't hen gegeven de verborgenheden van 't Koninkrijk Gods te weten. Wat is deze verborgenheid ? Dat is het kennen van Jezus als de Christus. Hoe krijgt iemand deze kennis ? De Heere Jezus sprak tot Petrus: Vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is. En waarom nu aan Petrus wel en aan Gamaliel niet ? In Matth. 13 : 11 staat nadrukkelijk : „maar dien is het niet gegeven". Wordt hier de uitverkiezing en de verwerping geleerd of niet ? Verwerping dan genomen in de zin van voorbijgaan met de openbaring. In Efeze 2 : 3 e.v. is het een voorbijgaan met de levendmaking. De apostel spreekt het uit, dat allen kinderen der ongehoorzaamheid van nature zijn: , , en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen. Maar God, die rijk is aan barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt". Maar de anderen is God voorbijgegaan. Wie krijgen de openbaring van Gods naam en daarmee van de weg der zaligheid ? Dat staat in Joh. 17 : 6 : , , Ik heb Uw naam geopenbaard den mensen, die Gij mij uit de wereld gegeven hebt". Het is alles uit genade en die genade wordt bewezen aan hen, die God van eeuwigheid heeft verkoren. Uit Efeze 1 : 4, 5, 6 is het volkomen duidelijk, dat de verkiezing Gods een eeuwig besluit is. We lezen daar: , , God heeft ons (er staat niet: alle mensen) uitverkoren in Christus, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde. Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus in Zichzelf, naar het welbehagen Zijns willens; tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde". Het is ook moeilijk vol te houden, dat achter de daad der verkiezing in de tijd niet de raad Gods staat. Daarvoor zegt Efeze 1 : 11 te duidelijk: , , Wij die te voren ver­ordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil". Het is de raad Gods, die achter alle dingen staat. De raad van Zijn wil heeft 't laatste woord. Uit de raad van Zijn wil is de uitverkiezing vóór de grondlegging der wereld voortgekomen. De voorverordinering hoort in deze raad thuis en het voornemen Gods is in de raad van Zijn wil geboren. Alles wat God doet is tevoren bepaald in de raad van Zijn wil. Laat dus niemand een tegenstelling zoeken te maken tussen raad en daad. Maar heeft Barth niet gelijk, dat alle mensen uitverkoren zijn ? Moeten wij het niet zo zien, dat weliswaar de Goddelijke Verkiezing in de Heilige Schriften ons wordt voorgesteld, maar dan als zich uitstrekkende tot alle mensen hoofd voor hoofd. Dat staat wel anders in Rom. 9 : 18 : „Hij ontfermt zich, wiens Hij wil, en verhardt wien Hij wil". En ook met Hand. 13 : 48: „Er geloofden zovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven". Deze laatste tekst is ook een sprekend getuigenis van de onveranderlijkheid der verkiezing. Het staat vast wie er geloven zullen en het eeuwige leven verwerven. Het zijn degenen die daartoe verordineerd zijn. Opmerkelijk is het, dat Barth een tekst als Hand. 13 : 48 in zijn honderden bladzijden van K.D. Il2 over de uitverkiezing niet eens noemt. In het register der aangehaalde teksten komt deze niet voor.

De vastheid van de uitverkiezing wordt ook beleden in Romeinen 8 : 29, 30: , , Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder de broederen. En die Hij tevoren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze Heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt." De Apostel betoogt in de verzen 28-30 dat de volle verlossing en verheerlijking der gelovigen zeker is, niet alleen vanwege de voorbidding des H. Geestes en de stellige verhoring door God, maar bijzonder vanwege de raad Gods, waarin voor de gelovigen alle heilsweldaden onverbreekbaar aan elkaar verbonden liggen. Alle dingen moeten dus meewerken ten goede voor degenen die God liefhebben. Deze liefde komt ook weer niet uit henzelf op, maar wordt in hen gewerkt door Gods Geest. De eigenlijke grondslag ligt in God en in Zijn voornemen. Wat is dit voornemen Gods, hoe vast is het en wat sluit het in? Dat kunnen wij lezen in de verzen 29 en 30. Daar blijkt dat de vastheid van de heilsverkrijging voor de kinderen Gods geheel rust op het raadsbesluit van de Almachtige. Doch dit besluit is dan ook onveranderlijk. Ik hoef het niet eens op te merken, dat Barth slechts in 't voorbijgaan van deze belangrijke teksten melding maakt.

De verkiezing wordt duidelijk voorgesteld in de bekende tekst: want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Iemand heeft eens in ernst de exegese voorgeslagen : Weinigen zijn uitverkoren om er velen te roepen. Men moet wel bijzonder in 't nauw zitten met een tekst om zo'n exegese voor te staan. Meer in aansluiting bij het Woord Gods exegetiseert dr. H. Riddepbos: , , De roeping, d.w.z. de nodiging tot de zaligheid van het Koninkrijk, gaat wel tot velen uit; doch in vergelijking met die velen zijn het slechts weinigen, die in hun bekering en geloof blijk geven, door God tot de beërving van de zaligheid bestemd te zijn. Het universele karakter van de heilsbedeling heft dus het particuliere karakter van de genade niet op. Tevens blijkt dat deze éne gast zonder bruiloftskleed een meerderheid presenteert. Aan hem wordt slechts als een voorbeeld gedemonstreerd wat allen, die zich niet bekeren, in de openbaring van het Koninkrijk te wachten staat". Sommigen willen deze tekst zó verklaren, dat de uitverkiezing plaats vindt bij het laatste oordeel. Dan moet men de Schrift in teksten verdelen, die met elkaar niets te maken hebben. Paulus kan dan rustig schrijven ; wij zijn uitverkoren vóór de grondlegging der wereld. Maar Jezus zegt dan : of iemand uitverkoren zal worden, zal blijken op de jongste dag. Dat is dan omgekeerd ongeveer: na de verwoesting der wereld. Dit atomistisch bijbelverklaren lijkt mij in strijd met het gezag van de Heilige Schrift als Gods Woord. Het is al in strijd met Matth. 24 : 22 : „En zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden, maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden". Hier weet dus God reeds vóór de jongste dag, wie er uitverkoren zijn. Het staat hier reeds vast. Trouwens de Heere Jezus weet in het jaar 30 ongeveer, dat er uitverkorenen zullen zijn in die dagen. Hoe zou de Heiland dit geweten hebben? Als het niet van Gods voorziening afhangt of iemand met het geloof in Christus begiftigd wordt, doch van 's mensen verkiezing, welke zekerheid is er dan, dat er in de laatste dagen uitverkorenen zullen zijn ?

Dat moet dan betekenen volgens de voorstanders van deze uitverkiezing, na de verwoesting der wereld, dat er door God uit de mensen uitverkoren zullen worden, omdat zij geloven. Ligt het niet veel meer voor de hand om de Heere

Jezus te laten spreken vanuit Zijn kennis van de raad Gods? Doet God ooit iets buiten Zijn raad om? Wie dat zegt komt in botsing met Efeze 1:11.

De uitverkorenen uit Matth. 24, zijn voor de grondlegging der wereld uitverkorenen en daarom zullen zij er in het einde der dagen zijn. Want op hen zal dan van toepassing zijn wat de apostel aan Timotheüs schreef : „God heeft ons geroepen met een Heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus vóór de tijden der eeuwen".

En is er in de Schrift ook getuigenis van de verwerping ? Ook dat is er. Denk maar aan Matthëus 7:23: „Ik heb u nooit gekend". Vergelijk dit woord met Romeinen 8 : 30: „Die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook verordineerd". Romeinen 9:18 zegt: „en verhardt dien Hij wil". Romeinen 9 : 21: „en het andere (vat) ter onere". Zo ook 2 Timotheüs 2 : 20. In 1 Petrus 2 : 8 lezen we: „Dengenen namelijk die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn". 1 Johannes 2 : 19: „Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet".

En dan noem ik nog : , Want er zijn sommige mensen ingeslopen, die eenmaal tot dit oordeel te voren opgeschreven zijn". Vergeten wij bij deze verbijsterende waarheid niet wat de Zaligmaker sprak: „Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen".

L.V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken