Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Engelen Gods 3

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Engelen Gods 3

8 minuten leestijd

De vorige maal schreven wij een en ander over bepaalde engelengroepen, die in de Schrift met name genoemd worden, namelijk de cherubs en de serafs. Van een tweetal engelen is ons echter ook de eigennaam bekend. Het dragen van een eigennaam hangt samen met het feit, dat de engelen persoonlijkheden zijn, redelijke en zedelijke wezens, met een ik-bewustzijn en een eigen wilsvermogen. Bij de dieren is daarvan geen sprake; zij dragen dan ook alleen soortnamen, b.v. paard, leeuw, enz.

Allereerst noemt de Schrift ons Gabriël, welke naam betekent: held Gods. Deze engel komt voor in Daniël 8 : 16 en 9 : 21, alsook in Lucas 1 : 19 en 26, waar hij verschijnt aan Zacharias en Maria. Merkwaardig is dat theologen als F. A. Lampe,† 1728 en T. H. van den Honert, † 1740, meenden, dat wij in Gabriël te doen hebben met een verschij­ning van de Heilige Geest. Deze gedachte is echter zeker niet juist. Wij hebben hier te doen met een geschapen engel. De woorden uit Lucas 1 : 19: , , Ik ben Gabriël, die voor God sta", mogen wij misschien in verband brengen met Openbaring 8 : 2, waar sprake is van de zeven engelen, die voor God staan. Gabriël is dus zeer waarschijnlijk één van deze zeven engelen, die het naast staan aan de Eeuwige, vanwege hun hogere dienst.

Dan wordt ons nog een engel met name genoemd: Michaël, namelijk in Daniël 10 : 13, 21 en 12 : 1, terwijl zijn naam ook voorkomt in het N. T., en wel in Judas : 9 en Openbaring 12 : 7. Michaël betekent: Wie is als God?

Men heeft deze engel wel vereenzelvigd met Christus. Maar in het boek Daniël wordt Michaël genoemd: , , één van de eerste vorsten", wat van Christus als , , aller engelen Hoofd" nooit kan gelden. Wie een der eersten is, heeft immers anderen van gelijke waardigheid naast zich. Ook Michaël is dus een geschapen engel, die in de strijd om Gods zaak vooraan staat. Duidelijk blijkt dit uit Openbaring 12, dat machtige hoofdstuk, waarin ons de strijd van Michaël met de draak, d.i. de duivel, op indrukwekkende wijze getekend wordt. Johannes ziet in een visioen een vrouw in barensnood. Die vrouw is de Kerk, die de Christus naar het vlees zal voortbrengen. Tegenover die vrouw plaatst zich de draak, om het Kind dat zij baren zal, onmiddellijk te verslinden. De opzet van de draak mislukt; er ontbrandt nu een veldslag tussen twee machtige legerscharen. Enerzijds is daar een engelenheir, aangevoerd door Michaël, en anderzijds een heir van boze geesten, onder aanvoering van de draak. De draak wordt neergesmeten op de aarde, waar hij zich gaat keren tegen de Kerk.

Ook in de reeds genoemde gedeelten van Daniël wordt Michaël getekend als de grote strijder voor Gods zaak. In Daniël 10 strijdt hij eveneens tegen satan, die hier genoemd wordt de „vorst" van Perzië en de „vorst" van Griekenland, omdat satan door middel van deze heidense rijken het volk Israël, en, in dit volk, Gods werk wil vernietigen. Wij ontvangen hiermee dus een blik in de worstelingen in de geestenwereld, welke liggen achter de gebeurtenissen op aarde. Achter en boven de collectieve volkerenmachten is een strijd „op hoog niveau", een strijd der geesten te stellen (Efeze 6 : 12). En ieder zie toe, aan welke kant hij staat; wiens werktuig hij wezen wil. Want dat en dat alleen bepaalt zijn overwinning of zijn nederlaag!

Tenslotte spreekt de Schrift ook nog van andere engelengroepen, n.l. „overheden" en „machten" (Efeze 3 : 10), „tronen" en „heerschappijen" (Coloss. 1 : 16), „aartsengelen" (1 Thess. 4 : 16), welke aanduidingen wijzen op onderscheid in waardigheid en dienst. De Schrift licht ons over dit onderscheid echter niet nader in. Rome heeft gemeend, de verschillende ordeningen nader te kunnen bepalen. Men verdeelt de engelenwereld dan in drie opklimmende klassen, zodat men komt tot een hemelse hiërarchie, d.i. rangorde van waardigheid, waarvan de kerkelijke hiërarchie op aarde een afschijnsel zou zijn. Deze gedachte vindt echter geen grond in de Schriftgegevens, , waarom wij haar verder laten rusten.

Is er dus, blijkens de Schriftgegevens, onder de engelen verschil in waardigheid en dienst, hierin zijn zij allen één, dat zij geschapen wezens zijn, wat o.m. inhoudt, dat zij gebonden zijn aan een bepaalde plaats. Met andere woorden: zij zijn niet alomtegenwoordig. Het feit dat zij onlichamelijk zijn, is daarmee niet in strijd, denk b.v. aan de ziel van de mens. Op de vraag wannéér de engelen geschapen zijn, geeft de Schrift ons geen antwoord.

Ook hierin is er overeenkomst tussen de engelen, dat zij allen een redelijke en zedelijke natuur hebben. Wat hun redelijke natuur betreft: zij hebben een ik-bewustzijn: , , Ik ben Gabriël, die voor God sta". De engelen zijn dus geen onpersoonlijke krachten, die van God uitgaan, maar wezens met een eigen, van God afhankelijk bestaan. Zij hebben begeerten, zij prijzen God, terwijl van de duivel gezegd wordt, dat hij , , zondigt van de beginne" (1 Joh. 3:8). Dit alles wijst er duidelijk op, dat de engelen persoonlijkheden zijn.

Ook wordt hun kennis toegeschreven. De duivel blijkt in het paradijs personen en toestanden te kennen. Hij richt zich tot Eva en spreekt met haar over wat God gezegd heeft. Bij de verzoeking van Jezus in de woestijn toont de duivel, dat ook hij de Schriften kent, terwijl de boze geesten in de bezetenen Jezus herkennen als , , de Heilige Gods" (Marcus 1 : 24).

De kennis, waarmee de engelen begiftigd zijn, is rijk, maar begrensd. Zo weten zij de toekomende dingen niet, tenzij God hun die openlbaart. Wanneer Jezus b.v. spreekt over de dag van Zijn wederkomst, zegt Hij nadrukkelijk: , , Doch van die dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen" (Matth. 24 : 36).

Kennis der heilsmysteriën kan hun niet geheel ontzegd worden. Uit verschillende plaatsen in de evangeliën blijkt ons, dat zij Christus kennen, terwijl zij Hem ook dienen. Maar toch is hun kennis van de heilsgeheimen niet op één lijn te stellen met de kennis daarvan bij de gelovigen. Zij weten niet , , proefondervindelijk" wat zonde en genade is. Zoals een vrouw, die nooit moeder werd, de weelde van het moederschap niet bij ervaring kent, zo is het ook met de kennis der engelen aangaande Gods grote heilsdaden. De kennis der gelovigen is in dit opzicht zoveel rijker en dieper. De diepten van Gods eeuwige ontfermingen blijven voor de engelen verborgen.

De engelen zijn echter niet alleen redelijke wezens, die dus een kenvermogen hebben, maar zij zijn ook zedelijke wezens. Dat wil zeggen: zij hebben een wil, een kiesvermogen. Alle engelen zijn door God goed geschapen, want „God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed" (Genesis 1 : 31). Maar een deel van hen keerde zich, in opstandig verzet, tegen God. Van de duivel zegt Jezus: , , Die was een mensenmoorder van de beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven, want geen waarheid is in hem" (Joh. 8 : 44).

, , Waarheid" is hier: de juiste kennis omtrent de dingen in hemel en op aarde; zulk een kennis van God en alle creatuur als geheel overeenkwam met de werkelijkheid. Welnu, daarin is de duivel niet staande gebleven, of anders gezegd: het door God aangewezen bestand der dingen heeft hij niet aanvaard. Nu leeft de duivel in een denkbeeldige wereld, in de leugen. En is de mens daarin de duivel niet nagevolgd? Ook de mens leeft van nature in de leugen. Hij waant zich vrij, maar is een gebondene door zondeketenen. Hij meent buiten God gelukkig te kunnen zijn en vindt niets dan onvrede. Maar wat de duivel niet gepredikt wordt, dat wordt de gevallen mens nog verkondigd: , , Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn!" (Joh. 8:36).

Tegenover de gevallen engelen staan de goede engelen, die ons in de Schrift worden voorgesteld als een getrouwe schare, die onveranderlijk de wil des Heren doet. Zij dienen God dag en n"acht en worden ons in de derde bede van het , , Onze Vader" ten voorbeeld gesteld. En de Hebreënbrief zegt van hen: „Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden om dergenen wil die de zaligheid beërven zullen? (Hebr. 1 : 14). Over deze dienst der engelen hopen wij nog iets te zeggen in het volgende en laatste artikel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Engelen Gods 3

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken