Bekijk het origineel

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

DE DORDTSE LEERREGELS

10 minuten leestijd

HOOFDSTUK ÏI, ARTIKEL 5. Voorts is de belofte des Evangelies, dat een iegelijk, die in de gekrui-sigde Christus gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe; welke belofte allen volkeren en mensen, tot welke God naar Zijn welbehagen Zijn Evangelie zendt, zonder onderscheid moet verkondigd en voorgesteld worden, met bevel van bekering en geloof.

L. VROiGINDEWEIJ

We hebben de vorige keer gezien, , wat de belofte van het Evangelie is. Zij staat duidelijk in ons artikel. De belofte van het Evangelie is hier geen voorspelling: 'Gij zult allen zalig worden, 't Is ook geen onvoorwaardelijke belofte van heil b.v. voor de uitverkorenen. De prediker van het Evangelie gaat niet uit om te zeggen: Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat alle uitverkorenen zeker zalig zullen worden. Dat mag hij ook bij tijd en gelegenheid zeggen, want het staat in de Bijibel. Maar het is de belofte van het Evangelie niet. Die is niet onvoorwaardelijk. De belofte-prediking is ook niet een afkondiging van een bepaalde stand van zaken: Gij hebt allen vergeving van zonden, gij zijt allen met God verzoend, gij zijt allen uitverkoren.

De belofte van het Evangelie is het eeuwige, leven op voorwaarde van geloof. Deze belofte moet gepredikt worden? Aan wie? Moet bij de prediking van het Evangelie rekening gehouden worden met het besluit der uitverkiezing? Moet de belofte beperkt worden tot de uitverkorenen? De Dordfcse vaderen wijzen dit zeer beslist af. Dat de Here Jezus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken moet aan alle volken en mensen gepredikt worden. God steekt Zijn hand uit tot allen, zou Calvijn zeggen. De Evangelieprediker kan niet weten wie er onder zijn gehoor uitverkoren is.. Al zou hij voor een kerk met 2000 kerkgangers spreken zouden zij allen uitverkoren kunnen zijn tot zaligheid. Daar heeft hij overigens niet mee te maken. Prof. H. Bavinck schreef met recht: , , De Schrift laat er geen twijfel over dat het Evangelie aan alle creaturen mag en moet gepredikt worden. Of wij dit met de particuliere uitkoïnst rijmen kunnen is een andere vraag. Maar het bevel van Christus is het einde van alle tegenspraak. Regel voor onze gedragingen is alleen de geopenbaarde wil Gods."

Bavinck betoogt dan verder, dat de uitkomst altijd vaststaat. God bepaalt het van te voren zeggen wij. Hij weel het van te voren zeggen anderen, vast staat het. Voor God kan het resultaat der wereldgeschiedenis geen teleurstelling zijn. En nu ligt het voor Gods rekening oim de uitkomst met de algemene aanbieding des heils in overeenstemming te brengen. , , Dit alleen weten wij, dat die uitkomst, juist naar Gods besluit, gebonden is aan en verkregen wordt door al die middelen en wegen, welke ons zijn voorgeschreven. En daaronder behoort ook de prediking van het Evangelie aan alle creaturen. Met het besluit van verkiezing en verwerping hebben "Wij daarbij niets te maken.

Het Evangelie wordt aan mensen verkondigd, niet als verkorenen of verworpenen, maar als zondaren, die allen verlossing van node hebben. Door mensen bediend, die de verborgen raad Gods niet kennen, kan het Evangelie niet anders dan algemeen in zijn aanbieding zijn". Ik hoop, dat wij het hierover allen eens zijn. Aan ieder persoonlijk mag en moet Christus voorgesteld worden als de Zaligmaker in wie de zaligheid is voor de zondaar, als hij Jezus aanneemt. God schenkt in de prediking aan ieder die het Evangelie hoort Christus. Door middel van de prediking zegt de Here: hier is JeZus, Hij is voor u, als gij Hem hebben wilt tot uw Profeet, Priester en Koning. Hij is voor u, als gij alle eigengerechtigheid en eigenwijsheid wilt laten varen en u voor deze Koning in het stof werpen. Want de aanbieding van Christus betekent niet, dat ons een gouden sieraad wordt aangeboden, dat wij zouden kunnen verkopen o-m er iets anders voor terug te kopen of dat wij zouden kunnen opbergen om er ter gelegener tijd geibruik van te maken. Wie het leven met Christus wil hebben moet de dood in. Hij moet eerst met Christus gekruisigd worden. De mens moet er helemaal aan. Op deze voorwaarde wordt Christus aangeboden. Maar dan ook aan een ieder, die de prediking hoort. In het dankgebed van het Doopsformulier dankt de voorganger, dat God de vergeving van zonden geschonken heeft en dit door de H. Doop bezegelt en bekrachtigt. Nu komt het er op aan, dat deze gedoopte tot inlijving in Christus komt, w^aarom in het gebed tevoren gebeden is. en tot de wedergeboorte komt, die in het Formulier noodzakelijk wordt genoemd, want wij kunnen in het rijk van God niet komen tenzij wij wederom gelboren worden. Het komt er voor de gedoopte op aan, dat hij door een waar geloof deel krijgt aan de weldaden, die hem in het verbond van God geschonken zijn, welke schenking door de Doop verzegeld en bekrachtigd is? Van deze schenking aan allen moet in de prediking van het Evangelie gehandeld worden. Maar dan niet zo, dat wij de indruk wekken, dat iemand, wie ook maar, de geschonken Christus uit Joh. 3 : 16 met een natuurlijk eigenverwekt geloof zou kunnen aannemen.

Onze vaderen maakten een klaar onderscheid tussen schenken en deelachtig worden. Met schenken bedoelden onze vaderen de objectieve schenking van het heil door God in de belofte des Evangelies. In de belofte des Evangelies schenkt God de zondaren vergeving der zonden, gerechtigheid en zaligheid, maar de- zondaar wordt die weldaden deelachtig door het geloof in die belofte Gods. Het geloof nu is niet een werk van de mens, dodh een gave Gods. Daarvan lezen we in het Avondmaalsformulier: O almachtige, barmhartige God en Vader, wij danken U van ganser harte, dat Gij, uit grondteloze barmhartigheid, ons Uw eniggeboren Zoon tot een Middelaar en offer voor onze zonden, en tot een spijze en drank des eeuwigen levens geschonken hebt; en dat Gij ons geeft een waarachtig geloof, waardoor wij aan deze Uw weldaden deelachtig worden.

Heel duidelijk zijn dit twee weldaden, van de tweede wordt echter in het Doopsformulier alleen in het gebed melding gemaakt. Men ziet hoe de Doop de belofte van het Evangelie, en de schenking der genade daarin, verzegelt en bekrachtigt, terwijl het H. Avondmaal zowel de scherüking als het deelachtig geworden zijn door het geschonken geloof betuigt en verzegelt aan de gelovige. En hoe wordt de gedoopte wedergeboren en hoe wordt hij Christus en Zijn weldaden deelachtig? Dat staat in zondag 20: „Wat gelooft gij van de H. Geest? Antwoord .... dat Hij ook mij gegeven is, opdat Hij mij door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig make .. •".

Een kostelijke zaak nu als de prediking mag uitgaan op de rechte wijze. Dau' wordt het voor iedere hoorderneergezet, dat Christus hem geschonken is op de bekende voorwaarden. Al de begeerte van de Heiland, dat deze man of deze vrouw, die daar in de kerk zit tot bekering zou komen, mag worden uitgebeeld. De Here Jezus wil, dat Nicodemus wederom geboren wordt en dat de rijke jongeling alles verkoopt en dat de Parizeer een tollenaar wordt en dat een wijze en verstandige, die meent, dat hij het zelf kan, een kind wordt. Maar de Here Jezus wil niet, dat de Parizeer gelooft, dat het om Christus, wil goed met hem staat. Hij wil ook niet, dat de rijke jongeling denkt van Christus, te zijn, zonder alles te verkopen. Hij wil niet, dat iemand denkt Hem te volgen, die niet geleerd heeft zichzelf te verloochenen. Men kan heel dikwijls de gedachte tegen komen, dat prediking van het Evangelie betekent, tot ieder en iedereen zeggen, dat hij zo als hij is in Christus moet geloven en dat hij dan alles be^it. Het komt mij voor, dat dit in strijd is met het Evangelie, dat de Here Jezus verkondigde. En ook in strijd met artikel 5, want daar staat de bekering voorop. Maar hierover in 't vervolg.

Wij stellen nu vast, dat het Evangelie aan ieder mens gepredikt moet worden, echter met bevel van bekering. Maar dan aan ieder zonder onderscheid- Daar zijn predikers, die het aanbod van genade willen beschouwen als een aanbieding, die van Gods zijde voor de verworpenen niet zo ernstig bedoeld is. Dit mogen wij zo niet stellen. De Leerregels stellen met nadruk, dat het aanbod van genade een welgemeend aanbod is. Zo mag men het iedereen voorhouden. God heeft het immers met een eed bevestigd, dat Hij geen lust heeft in de dood der goddelozen. Mocht toch elke prediker de onmogelijkheid hebben geleerd om zonder de H. Geest en de vrije genade Gods wedergeboren en in Christus ingelijfd te worden. Dit is nodig opdat elke prediker bang zou zijn de indruk te wekken, dat hij bedoelt, dat een mens er wel iets aan doen kan om wat aan te nemen of te willen. Maar laten de predikers, die de onmogelijkheid kennen aan 's mensen kant, bijzonder aandringen, dat de hoorders toch zouden bedenken wat hun in Christus geschonken is en nu hartelijk begeren om daar deel aan te krijgen.

Ook de verantwoordelijkheid kan niet te sterk gepredikt worden, als men

maar op z'n hoede is voor de gedachte van de vrije wil. Die sluipt gemakkelijk in. Maar is dan de kracht van de prediking niet gebroken, als men vast blijft aanhouden aan de onmacht van de hoorder ten goede? Volstrekt niet. De gereformeerde prediker staat veel sterker dan de remonstrantse. Bij de laatste moet het van de mens komen. God zorgt alleen voor helpende genade. Wij hebben niet de minste verwachting van de mens. Maar wij mogen wel verwachting van God hebben en veel ook. God kan doden levend maken. Hij heeft beloofd te willen horen naar het gebed.

Het is Gode aangenaam dat de geroepenen tot Hem komen. Wat een motieven om zeer aan te dringen op de vernedering voor God, op het geloof in Gods goedertierenheid, op een smeken om ontdekking en om een kind gemaakt te worden. Wie geen kind wordt kan nooit in Gods Koninkrijk ingaan. En alleen de H. Geest kan wederbaren. Sommigen hebben het tegenwoordig zo druk over het Koninkrijk Gods. Maar zij hebben het er helemaal niet over, dat er zo'n groot werk aan de mens moet gebeuren om hem daarin te brengen. Laat dit gepredikt worden en de belofte van het Evangelie er bij, dat God de H. Geest geeft aan de armen, de verslagen tollenaars, de rouwmoedige Magdalena's, die Hem bidden.

Het blijve in de prediking ook niet onvermeld, dat het een blijk is van Gods welbehagen, als ons nog het Evangelie gepredikt wordt. De Here had ons dat rechtvaardig kunnen onthouden. God was het niet verplicht om Zijn Zoon te zenden. Hij is evenmin verplicht om ook maar iemand te wederbaren en het geloof te schenken. Waar genade valt, daar valt zij vrij. Doch wat de Here niet verplicht is, wil Hij doen. We hebben de schenking. En wie dat geschojikene in waarheid hebben wil, krijgt het in bezit. En wie het niet hebben wil, gaat door eigen schuld verloren. Als de rijke jongeling zijn goed niet wil missen en de Parizeer zijn gerechtigheid niet, gaat hij door eigen schuld verloren. Dus moet de Christus aan ieder aangeprezen worden, doch de noodzakelijkheid van de wedergeboorte en van de openbaring van Christus, van het sterven aan onze gerechtigheid en van het ingeplant worden in Christus niet verzwegen worden. En dan met veel aandrang. Daar moet verkondigd, voorgesteld en bevolen worden. Dat gaan we D.V. een volgende keer bekijken.

L. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken