Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS (4)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

DE CATECHISMUS (4)

11 minuten leestijd

De enige troost (2)

Vr. Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven?

A. Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, die met zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft, en alzo bewaart, dat zonder de wil mijns hemelsen Vaders geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet; waarom Hij mij ook door Zijn Heilige Geest van het eeuwige leven verzekert, en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.

Het geloof belijdt niet alleen de verlossing, maar ook de bewaring. Terwij de christen zich in deze wereld weet omringd door allerlei vijandige machten en telkens verkeert in velerlei gevaren en nood — later lezen we van de doodsvijanden, nl. duivel, wereld en eigen vlees, die niet ophouden aan te vechten — geeft hij nochtans geen kamp. Niet in een overmoedig zelfbewustzijn, maar in het geloof alle lof gevend aan zijn almachtige Heiland door van Hem te belijden, dat Hij in Zijn liefde en trouw Zijn almacht ten gunste van Zijn gemeente aanwendt en haar op het slagveld tot de overwinning voert, al gaat het ook schijnbaar door nog zoveel nederlagen heen. Hij kan en wil en zal ... te midden van 's levens noden en stormen voor ondergang behoeden.

De gelovigen zullen ongetwijfeld hun ganse leven lang op de leerschool zijn om waarlijk te beoefenen zó van zichzelf, eigen kracht en wijsheid af te zien en hun zaligmaker de eer te geven, die Hem toekomt. Want o, dat hart..! Het wil telkens weer zelf wegen en middelen bedenken en zoeken, terwijl het de Koning verdenkt in Zijn trouw en macht. Maar nu ontvouwen we de heerlijke troost en staan niet breedvoerig stil bij de wangestalten van de gelovige.

Daarom onderstrepen we het getuigenis van het geloof, dat Christus de Zijnen na hen verlost te hebben niet aan zichzelf overlaat, maar ze bewaart naar ziel en lichaam. Niet één millimeter van hun levensweg moeten ze zelf zien door te komen. Hij heeft Zijn leven gegeven voor Zijn kudde en laat niet toe, dat een uit hen verloren gaat. Zijn doorboorde liefdehanden houden mij omvat, en Zijn engelen omringen mij dag en nacht, belijdt het geloof.

In die liefdehand van de Middelaar ontmoet Gods kind tevens de Vaderhand Gods. Daarom lezen we: „en alzo bewaart, dat zonder de wil van mijn he­melse Vader..." Weet ge, lezer, dat buiten Christus God een verterend vuur is? Weten we dat bij ervaring? Hoe zalig dan nu op te mogen blikken in Christus tot een genadige Vader in de hemel. God is bevredigd in de genoegdoening van Zijn Zoon. Daarom heeft Hij Hem uitermate verhoogd en alle dingen in Zijn handen gegeven. Ook in de bewaring van Zijn Kerk vervult de Zoon de wil en het welbehagen van Zijn Vader. Zo is in de hand van Christus tevens de Vaderhand Gods gelegerd om de Kerk, en in de liefde van de Zoon de liefde des Vaders geopenbaard. Machtige troost, waarheid, die het geloof omhelst!

Naar de Heilige Schrift wordt gesproken over de haren van ons hoofd, die allen geteld zijn, en dat alle ding dienen moet tot mijn zaligheid. Alle ding! — Ik ga dat nu maar niet verder ontleden. Het komt vanzelf aan de orde bij de behandeling van de voorzienigheid Gods. Maar het kan niet verhinderen de eeuwige liefde en wijsheid Gods te prijzen. De vijanden moeten maar eens over ons hoofd gereden hebben, of we moeten maar eens in de diepe afgronden van nood en verdorvenheid van ons hart geworpen zijn. Alle ding! . .

Zo belijdt het geloof, dat niet aanmerkt hetgeen gezien of ervaren wordt, maar alleen het Woord, dat vast staat en onverbroken. Gods Kerk belijdt dat temidden van nood en dood, in het dal der schaduwen. Het is haar leven, haar troost, haar rust, bij al het woelen van duivel, wereld en eigen hart. Zij belijdt dat in het machteloos en dwaas zijn in zichzelf, terwijl ze eigen leven en zelfwegen-zoeken uit handen geeft. En zó ervaart ze ook, dat het waar is.

Komt nu de vraag, hoe een mens — in zichzelf zonder een greintje geloof — in deze wetenschap en de verwachting van het eeuwige leven staan zal en de vrucht ervan genieten zal, dan wordt in ons antwoord niet gewezen op b.v. de voorwaarde van een groot geloof, of met klem geëist, dat men het er voor houden móet, dat het zo is, maar dan verwijst de christen naar zijn God, de drieenige God, die hij in dit antwoord belijdt als de God van volkomen zaligheid. Dat klinkt toch op in het slot: waarom Hij mij ook door Zijn Heilige Geest van het eeuwige leven verzekert...

Eerst getuigde de christen van Jezus Christus, Gods Zoon, als zijn Zaligmaker; in Hem mocht hij vervolgens het oog en hart opheffen tot zijn God als zijn genadige Vader; nu belijdt hij God de Heilige Geest als de Toepasser en de Trooster, Die in alle waarheid leidt. Daarom zouden vraag en antwoord ook als volgt kunnen luiden: Vr. Wie is uw enige troost? — Antw. Mijn drieënige God, Vader, Zoon en Heilige Geest.

Daarop komt het antwoord toch neer. Ja, aan de drieënige God hangt het leven der Kerk. „Die God is ons een God van volkomen zaligheid". Die God! — Niet de god der Mohammedanen, niet de goden der heidenen, niet de god van onze gedachten, niet de god van de zelfwerkers en zelf-gelovenden, maar die God, de God der Schriften, de drieënige God, Vader, Zoon en Heilige Geest.

De belijdenis van de drieënige God is daarom zo zeer fundamenteel, dat ieder, die deze belijdenis aantast, zich buiten de Kerk van Christus plaatst. Hij belijdt niet de God der Schriften, maar een valse god.

In de belijdenis van de drieënige God kent het geloof God niet alleen als God vóór ons en boven ons, maar ook in ons. Nadat dan ook de christen zijn God beleden heeft als Verlosser en liefhebbende hemelse Vader, belijdt hij Hem ook als Toepasser en Verzegelaar, Die het geloof schenkt en werkt en de genade des Zoons en de liefde des Vaders verzegelt in de gemeenschap van de Heilige Geest, Die het onderpand is van de erfenis der eeuwige heerlijkheid.

Zou Hij, Die het één gedaan heeft en doet en wil zijn, ook het ander niet doen. Zeer zeker ... ik geloof in de Heilige Geest. Omdat Christus mij verlost heeft en bewaart naar de wil van mijn hemelse Vader, daarom verzekert Hij mij ook door Zijn Heilige Geest ... Vader, Zoon en Heilige Geest, Die tesamen de enige en waarachtige God zijn, zijn mijn heil, leven en hoop. Niets uit mij, ook geen nagelschrap van mijn geloof, vertrouwen en dankbaarheid, maar alles uit God, de God mijns heils: Ik geloof in God de Vader en in Jezus Christus Zijn Zoon en in de Heilige Geest. Hij, de drieënige God maakt alles goed. Niet in de hoogte, maar in de diepte der verootmoediging, der ontlediging van eigen gerechtigheid, werkzaamheden, krachten, willen, ervaringen als bronnen van troost en zekerheid, spreekt het geloof, waarin de arme zondaar zich verloren heeft aan zijn drieënige God en telkens weer zich aan Hem verliest.

Eén vraag wil ik nog nader onder ogen zien, namelijk hóe de Heilige Geest verzekert. Ongetwijfeld is het juiste antwoord op deze vraag: De Heilige Geest werkt het geloof door het evangelie en Hij versterkt het door datzelfde evangelie en het gebruik der sacramenten. Doch het is nodig hierbij een enkele opmerking te maken. Daar Hij namelijk de Geest des Vaders en des Zoons is, kan het nooit in Zijn lijn liggen, dat buiten Christus om tot verzekering conclusies getrokken worden uit bepaalde kenmerken van Geesteswerk in het hart. Ook verzekert de Heilige Geest niet met teksten of versjes buiten gemeenschap en vereniging des geloofs met Christus om. Neen, de Geest wil Christus verheerlijken in het hart van de zondaar tot verzoening met God, van Wie we door de zonde gescheiden zijn. Daarom zal het verzekerend werk van de Heilige Geest in het hart ook altijd gelijke tred houden met de mate van de kennis van Christus. De Geest gaat niet troosten buiten Christus, maar juist twisten met de zondaar, opdat hij door schuldbesef getroffen en verslagen als veroordeelde voor God tot het bloed der verzoening kan worden geleid. En naarmate nu de gelovige werkzaam is met Christus en de genadige God in Hem, wordt ook de verzekering gekend. Wanneer het verslagen zondaarshart op de liefelijkheden van Christus en de trouw des Heeren gewezen wordt, zó, dat het er gelovig op neerzinkt, dan vlucht het vrijmoedig tot Jezus, schuilt en rust in Hem. Dat is de verzekering, die het meest bekend is: bij tijden.

Anders wordt het, als de goddeloze een vrijsprekende God kent in de openbaring van Jezus Christus in zijn hart als geschonken Borg. De booswicht, die de dood verdiende, werd aangenomen kind in de Geliefde. De ark werd in ons hart gebracht, en verenigd met Christus door het rechtvaardigend geloof hebben we vrede met God. Nu kan de Heilige Geest als Geest des Vaders en des Zoons rusten, wonen in ons hart en gekend worden als het onderpand van de erfenis.

Dat is de rijkste vorm van verzekering. Zo spreekt het geloof in ons antwoord; ik ben het eigendom van Jezus, en daarom, verzekert Hij mij door de Heilige Geest van het eeuwige leven. Paulus wijst de gelovigen in Efeze op hun voorrecht; in Welke (nl. Christus) gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met de Geest der belofte. O zalig leven in de kennis van de genade des Zoons en des Vaders, terwijl de liefde is uitgestort in het hart. De hoop is gewekt. Hier hebt ge het kind in hope: in hope zalig, in verwachting van de toekomst des Heeren; de bruid die heenleeft naar de grote dag van haar Bruidegom. De Geest woont als getuige in het hart en verzekert. Hij bant de vrees, in een goed geweten door de opstanding van Jezus Christus.

Deze verzekering opent de schatkamers des heils, overtuigt van de eeuwige en almachtige heerschappij van Koning Jezus, stort in ons hart uit de liefde Gods des Vaders, geeft vreugde in Hem, doet huppelen voor Zijn aangezicht. We lezen de getekende schuldbrief: de zonden zijn achter Gods rug geworpen in de zee van eeuwige vergetelheid.

Zo is er een ontvangen van de Heilige Geest als Geest der belofte op het geloof. Wanneer deze schriftuurlijke rijkdom niet wordt gepreekt, zal de sekte ons de rekening presenteren. Vinden we hier mogelijk één der redenen, waarom de Pinksterbeweging zo'n opgang maakt?

Het is niet vanzelfsprekend, dat de christen leeft uit dit heil. Neen, er kan een bedroeven van de Heilige Geest zijn. Daarom lezen we in de Schrift zoveel vermaningen, die het kind terugroepen tot de bediening van de Geest des Vaders en des Zoons, opdat het leve in de gemeenschap met de oudste Broeder en in Hem met de Vader in de hemel: „Wandel voor Mijn aangezicht".

Zo ook alleen wordt vervuld, dat de Heilige Geest van harte willig en bereid maakt om voor Christus te leven. „Zonder Mij kunt gij niets doen", heeft Christus gezegd. Het leven der dankbaarheid — de liefde tot Gods geboden en het wandelen in Zijn inzettingen — wordt volkomen gedragen door de genade van de drieënige God. Maar daarom kan de christen ook zo onbevangen in het slot van het antwoord over het nieuwe leven spreken. Hij weet maar al te goed, hoe gebroken zijn leven is. Het „ik ellendig mens" is hem bekend. Maar nochtans is alle krampachtigs hem vreemd, 't Ligt niet in zijn hand, maar in Gods hand, dat hij zijn God dient. En die heeft gezegd: „Ik zal Mijn Geest in u geven, en Ik zal maken, dat gij in mijn inzettingen zult wandelen." (Exech. 36) Dat wordt vervuld. Die belijdt te geloven in de Heilige Geest, haat en vliedt de zonde en kent lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werk te wandelen. Hij ziet daartoe op het gebod en zijn God, Die de eis „Gij zult" weet om te vormen tot een belofte: Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen. Daarom zal waar zijn: Hieraan kennen wij, dat wij Hem gekend hebben, zo wij Zijn geboden bewaren. (1 Joh. 3 : 3)

Zo is mijn troost mijn God, de drieenige God, de God van volkomen zaligheid, Die mij — gevangen in mij o jammerlijk bestaan — neemt en zet in de ruimte van de genade van onze Heere Jezus Christus, de liefde van God de Vader en de troostvolle gemeenschap van de Heilige Geest.

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken