Bekijk het origineel

Dienst des Woords

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Dienst des Woords

6 minuten leestijd

De voornaamste taak der kerk volgens het bevel van Christus is de prediking, of om het precies te zeggen: de Dienst des Woords.

Laat ons de opdracht, zoals die door de Evangelisten is overgeleverd, eerst in de verschillende formuleringen beschouwen:

De opdracht volgens Mattheüs werd al reeds genoemd: Gaat dan henen, onderwijst (maakt tot discipelen) al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes; lerende heen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. En ziet. Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen. (Matth. 28 : 19, 20).

Marcus: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden. (Marcus 16 : 15, 16).

Lukas noemt niet bepaald de opdracht van Christus aan de discipelen, maar wèl Christus' woord aan de Emmaüsgangers: Alzo is er geschreven en alzo moest de Christus lijden en van de doden opstaan ten derden dage en in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem. (Lukas 24 : 46 en 47).

Johannes noemt het bevel van Christus niet, wèl vermeldt hij een woord, dat sterk herinnert aan de omschrijving van Markus: Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven, maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. (Joh. 3 : 36).

En dat ook hij de opdracht der prediking kent, kan worden verstaan uit hetgeen hij schrijft in het 17de hoofdstuk van zijn evangelie: En Ik bid niet alleen voor dezen (de discipelen, die met Hem waren), maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen. (Joh. 17 : 20).

Als we deze woorden overzien, dan blijkt dat Christus zeer omstandig over deze opdracht en zijn inhoud en strekking gesproken heeft.

Van Mattheüs wisten we reeds, dat het in de prediking te doen is om discipelen, d.i. leerlingen van Christus te maken, en dat dezen door de doop in de Drieënige Naam als zodanig en van de wereld afgezonderd, onderscheiden worden. Van de wereld afgezonderd, maar door het discipelschap verbonden en deze nieuwe gemeenschap verzegeld door het sacrament des Doops. De doop in de Drieënige Naam, Vader, Zoon en Heilige Geest (want dat is de door Christus ingestelde Doop), is een zichtbaar waarteken en zegel van het discipelschap van Christus en het opgenomen zijn in de gemeenschap der discipelen van Christus. Dat zijn ze die onderwezen zijn in het Evangelie en onderwezen willen worden.

Niet ten onrechte noemt men de Doop het teken van het verbond. En welk een verbond? Een verbond met de Drieenige God. God sluit een verbond met degenen, die hier discipelen genaamd worden, leerlingen van Christus.

Hoe zij dat worden? Dit is zo duidelijk als glas en toch weer zo vol geheimenis, want het is in Gods hand. Een discipel is iemand, die met belangstelling luistert naar de man, die wat te zeggen heeft. Het raakt hem. Hij wil er meer van weten. Hij blijft luisteren. Hij loopt die man na en als zijn belangstelling niet wordt uitgeblust, rust hij niet voordat hij met de hemelse Leermeester persoonlijke ontmoeting en omgang heeft.

In zoverre is 't duidelijk. Zo gaat het. Maar, hoe kwam nu de luisteraar, die discipel werd onder het gehoor van de man, die wat te zeggen heeft? Hoe was dat, dat hij niet kon nalaten verder te luisteren, ja niet kon rusten, voordat hij Christus persoonlijk ontmoette, terwijl anderen doorliepen en heengingen? Er is leiding in het leven.

„Niemand leeft zichzelf". (Rom. 14 VS. 7).

Hoe wordt men discipel van de Heere Jezus Christus?

Door onder de prediking te komen. Maar, hoe komt men er onder? Vele wegen: Soms reeds door geboorte in een kring van discipelen; soms door verkeer met discipelen. Soms onverklaarbaar, wat wij noemen „bij geval", maar er is geen toeval in dit leven.

Hij die zegt: „maakt discipelen". Hij is het eigenlijk, die ze ook bij het Woord brengt, omdat Hij Zijn Woord bij hen wil brengen. Want Hij zegt tegen Zijn gezanten: „Ik ben met ulieden al de dagen, tot de voleinding der wereld". (Matth. 28 : 19, 20). De Heere Jezus wrocht mede met de predikers en de uitkomst is niet twijfelachtig, want Hij zegt er „Amen" op. .

Marcus.

Marcus ziet de ruimte voor de prediking even wijd als Mattheüs: de gehele wereld, en alle creaturen.

Wat zal er gepredikt worden? Marcus zegt: het Evangelie, d. i. de blijde boodschap. Niet vaag en onbepaald, want hij trekt de strengen van het Evangelie gevoelig aan: De prediking van het Evangelie moet wat uitwerken. Men moet discipel willen zijn, want Marcus spreekt over gedoopt zijn. Ja, dat niet alleen, maar hij haalt een woord van , de Heere Jezus zelf aan: die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn. Het door de doop verzegelde discipelschap is niet genoeg. De doop maakt blijkbaar niet zalig zonder geloof. „Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, die zal zalig worden". (Markus 16 : 15 v.v.).

„Maar die niet geloofd zal hebben", — hier wordt verder niet van de doop gerept — „zal verdoemd worden". De doop zonder geloof maakt niet zalig, en de doop redt ook niet van de verdoemenis.

Discipelschap is niet genoeg. Er zijn er wel, die kunnen praten over God, over Christus, ja misschien wel over de hele Bijbel, maar zonder geloof. De zodanigen derven het leven uit het Evangelie.

Het Evangelie, dat Christus wil gepredikt hebben, moet dus over deze dingen gaan: over verdoemenis en zaligheid, over geloof en ongeloof.

Zo krijgt „de blijde boodschap" geestelijk en zedelijk relief. Die verdoemenis zegt, moet over de zonde en over de schuldige staat van ons geslacht spreken, en die zaligheid in zijn mond neemt, moet de weg wijzen, die van de dood naar het leven leidt.

Lukas.

Lukas' woorden bewijzen, dat de Heere Jezus zo over deze dingen heeft gesproken tot Zijn discipelen. (Lukas 24 : 47).

Hij leert ons immers, dat Christus heeft gezegd, dat in Zijn Naam moest gepredikt worden bekering en vergeving der zonde. Het komt alweer neer op de prediking van zonde en schuld. Wie de eis der bekering moet prediken, moet over de zonde en het oordeel van Gods gerechtigheid spreken. Anders toch heeft bekering en oproep tot bekering geen zin. Wat toch kan de verkondiging van de vergeving der zonden voor een

Vervolg op pag. 28

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Dienst des Woords

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken