Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE NAMEN GODS (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE NAMEN GODS (2)

Prof. Dr. J. Severijn

8 minuten leestijd

„Gods wezen is wel onbegrijpelijk, zodat Zijn goddelijkheid aan alle menselijke zintuigen verre ontgaat, maar in ieder Zijner werken afzonderlijk heeft Hij ontwijfelbare kentekenen Zijner heerlijkheid ingegrift, en wel zó duidelijke en in 't oog vallende tekenen, dat alle voorwenden van onwetendheid is weggenomen, al is men nog zo onkundig en dom ...

Daarom noemt de schrijver van de brief aan de Hebreen (11 : 3) op schone wijze de wereld het schouwtoneel der onzienlijke dingen, omdat deze harmonische ordening der wereld voor ons als het ware een spiegel is, waarin we God, die overigens onzienlijk is, kunnen aanschouwen.

En om die reden kent de profeet (Ps. 19 : 1) aan de hemelse schepselen een taal toe, die door alle volken gekend wordt, omdat in die schepselen een getuigenis der Godheid aan de dag treedt, te duidelijk, dan dat het aan de beschouwing van enig volk, zelfs van het meest afgestompte, kan ontgaan. En dit duidelijker uiteenzettend, zegt de apostel (Rom. 1:9) dat de mensen geopenbaard is, hetgeen omtrent God behoorde geweten te worden; want allen zonder uitzondering zien zijn onzienlijke dingen, die van de schepping der wereld aan verstaan zijn, zelfs tot zijn kracht en goddelijkheid toe". (Calvijn Inst. I, 5. 1).

Alle schepselen hebben enige vertolking, men zou kunnen zeggen, noemen een naam van God, en onder hen staat de naar Gods beeld geschapen mens bovenaan, zodat aan hem de verhevenste namen Gods worden ontleend. In 't voorafgaande gedeelte van dit hoofdstuk is daarop gewezen. Dit voorrecht heeft de gevallen mens ook geleid tot verschillende beperkingen der Godsopenbaring, met het gevolg, dat het Woord Gods onder de invloed van het moderne rationalisme, alleen in zeer beperkte zin erkenning vond en het openbare leven met zijn verschillende facetten: maatschappij, staat, kunsten en wetenschappen, buiten de Godsopenbaring kwam te staan.

Dit is volkomen in strijd met het feit, dat de wereld — en de mens — een schepping Gods is. Want, ofschoon God oneindig hoog boven het schepsel verheven is, is het toch ook zó, dat Hij de wereld geschapen heeft, naar Zijn goddelijk voornemen, door Zijn goddelijke kracht en tot Zijn goddelijke doeleinden. Ten aanzien van de naar Zijn beeld geschapen mens, mogen wij zelfs zeggen, dat Hij hem er bij betrokken heeft, zich aan hem heeft willen bekend maken en hem in onderscheidene diensten aan Zijn rijk heeft willen verbinden. Wie daartegen bezwaar heeft en dit doen Gods beneden Zijn goddelijke waardigheid acht en daarom de wereld aan Zijn goddelijke Majesteit onttrekken wil, trachte uit te vinden, hoe het mogelijk is, als deze dingen zo zijn, als hij denkt, dat hij ze zo denkt en over God praat en oordeelt, terwijl dat dan de facto niet mogelijk zou zijn en hij geen kennis van God zou kunnen hebben.

Het kan zonder meer duidelijk zijn, dat het geen zin heeft op dergelijke redeneringen in te gaan. Wij bedoelen niet te zeggen, dat de dogmenhistorie tot niets nut is, maar wij aarzelen toch niet te beweren, dat er in de achttiende en negentiende eeuw, om die alleen maar te noemen, heel wat overhoop is gehaald, dat men onder de dogmenhistorie zou willen rangschikken, hoewel het met het eigenlijke religieuse leven overeenkomstig de gegevens der openbaring weinig of niets te maken heeft.

Daarmede willen wij niet zeggen, dat wij God op een adequate wijze kennen d.w.z. dat wij God kennen op een overeenkomstige wijze zoals God Zichzelven kent. Doch wij zijn van oordeel, dat niemand kan beweren, dat de kennis, die God aan de door Hem geschapen mens overeenkomstig zijn geschapen kenvermogen doet toekomen, geen goddelijke waarheid zou zijn en daarom niet zuiver en betrouwbaar.

(Wie over de hier terloops aangevoerde materie meer wil weten, raadplege de Gereformeerde Dogmatiek van Dr. H. Bavinck I § 26, biz. 74).

De namen Gods zijn bepalingen van Zijn deugden, 1 Petrus 2:9: „opdat Gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht". De gemeente heeft de roeping Gods deugden te verkondigen. „Ik ben de Heere, dat is Mijn Naam en Mijn eer zal Ik geen anderen geven, noch Mijn lof aan de gesnedene beelden". Jesaja 40 : 8, 12; 43 : 21; 63 : 5.

Zoals God zich openbaart, zo is Hij. Door Zijn openbaring maakt Hij zich kenbaar aan ons en zo zijn ook Zijn Namen openbaringen. Oorspronkelijk, d.w.z. in de oudste theologie, heeft men goed verstaan, dat de namen Gods niet maar persoonsonderscheidingen waren, maar dat zij ook de deugden Gods bedoelden uit te drukken. Dat is juist, want ze zijn één met het wezen Gods. Alle deugden Gods liggen opgesloten in Zijn wezen. Zij komen God in de meest absolute zin toe.

Wij hebben echter geen kennis van God in Zijn verhevene transcendentie, maar Hij openbaart zich aan de mens in deze schepping en heeft zich ken­ baar gemaakt zowel door de schepping als door de bijzondere openbaring.

In de tijd der aartsvaders komt herhaaldelijk de naam Elschaddai voor, een naam, waarvan de afleiding niet eenstemmig bekend is, maar die ons God doet kennen als degene, die alle macht bezit en dienstbaar maakt aan Zijn wil.

Elohim is de God der schepping en der natuur, Elschaddai is de God van Abraham, Gen. 24 : 12; van Izaak, Gen. 28 : 13; van Jacob, Ex. 3 : 6; de God der vaderen. Ex. 3 : 13, 15; de God der Hebreen, Ex. 3 : 18; de God Israels, Gen. 33 : 20; en bij Jesaja dikwijls de Heilige Israels.

Jaweh is de naam Gods bij uitnemendheid, de God der genade. Over de uitspraak en dus de vocalisatie van deze naam is heel wat te doen geweest in de historie. De Joden meenden, dat het verboden was die naam uit te .spreken. Zij ontleenden dit aan Lev. 24 : 16 en Ex. 3 : 15. Daarom lazen zij bij de vier letters, die deze naam in het Hebreeuws aanwijzen, (Jhvh) andere klinkers, b.v. van het woord Adonai'^ of Elohim. De LXX heeft geregeld Adonai gelezen, in het Grieks Kupios, Latijn Dominus, Engels The Lord, Duits Herr, Nederlands Heere (vgl. Acta Syn. Dordr. sess. 12. Het verdient opmerking, dat Heere dus eigen naam is en ondanks de nieuwe spelling als Heere wordt geschreven). Het Frans heeft 1' Eternel, de Eeuwige.

Intussen weet men niet hoe de juiste, oorspronkelijke uitspraak is geweest. Wat de betekenis aangaat, houden we ons aan Ex. 3 : 13-15, de God der vaderen antwoordt op de vraag: „Hoe is Zijn Naam? Ik zal zijn, die Ik zijn zal, de God van Abraham, Izak en Jacob heeft mij tot ulieden gezonden; dat is Mijn Naam eeuwiglijk, en dat is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht".^ Ook vroeger is deze Naam door de Heere God wel gebezigd: Gen. 15 : 7; 23 : 13; Gen. 14 : 22; 24 : 23; 28 : 16; 15 : 2, 8; 32 : 9. Door de openbaring van Exodus 3, is Jaweh Israels God van Egypteland af. (Hosea 12 : 10; 13 : 4).

Jhvh is dus Gods eigenlijke naam.. Ex. 15 : 3; Ps. 83 : 19; Hos. 12 : 6; Jes. 42 : 8. Verschillende verkorte vormen worden in samenstellingen gebezigd. Denk maar eens aan namen als Jesaja, Jeremia, Zacharia, waarin ia een afkorting is van Jhvh.

Zo voegt men ook de naam Adonai toe aan Jhvh, b.v. Ezechiël 23 : 12. Een andere toevoeging is Zebaoth (Heirscharen); Ps. 69 : 7; 84 : 2; Haggaï 2 : 7-9.

Over de betekenis van deze verbinding met Jhvh is men het niet eens. Het heeft trouwens geen zin verder in te gaan op de pogingen om de betekenis van de uitdrukking Jhvh Zebaoth nader te onderzoeken. Algemeen is de

gedachte, dat Zebaoth niet ziet op het krijgsleger van Israël, maar wat hét dan wel bedoelt is niet een punt van gemeenschappelijke overtuiging.

Daartegenover heeft een andere uitlegging die bij de heirscharen aan de engelen denkt, meer waarde gekregen. Deze wordt trouwens door de Schrift zeer wel ondersteund: X Sam. 4 : 4; 2 Sam. 6 : 2; Jes. 37 : 16; Hos. 12 : 5, 6; Ps. 80 : 2, 5; 89 : 6-9. De engelen omringen Gods troon. Gen. 28 : 12, 13; 32 : 2; Jes. 5 : 14; 1 Kon. 22 : 19; Job 1 : 6; Ps. 68 : 18; 89 : 8; 103 : 21; 148 : 2; Jes. 6:2. Daarmede wordt de heerlijkheid van God uitgedrukt. Hij is Koning, de Almachtige.

Het Nieuwe Testament vertaalt deze nEimen in het Grieks. El, Elohim wordt Theos (God). Hoe sterk de overtuiging leeft, dat God zelf de namen heeft geopenbaard, spreekt daaruit mede, dat het Nieuwe Testament de Oud-Testamentische aanneemt als de God van Abraham, de God van Izaak, de God Jacobs, de God van Israël. (Matth. 15 : 31; 22 : 32; Mark. 12 : 26; Luk. 1 : 68; 20 : 37; Hand. 3 : 13; 7 : 32, 46; 22 : 4; 24 : 14; Hebr. 11 : 16. Zo worden ook de verbindingen van Jhvh met Elohim en Zebaoth in het Nieuwe Testament in het Grieks teruggevonden. Lukas 1 : 16; Hand. 7 : 37; 1 Petr. 3 : 15.

De naam Vader komt in het Oude Testament voor en drukt de verhouding uit, waarin God tot Israël staat. Naast een meer algemene betekenis als Schepper, 1 Cor. 8 : 6; Efeze 3 : 15; Hebr. 12 : 9; Jac. 1 : 18, ziet de Vadernaam op de verhouding van het kindschap in Christus. De uitverkorenen worden van dat kindschap deelgenoot en worden zich daarvan op aarde bewust door de Heilige Geest. Joh. 3 : 5, 8; Rom.

8 : 15 en volgende verzen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE NAMEN GODS (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken