Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

8 minuten leestijd

1 Corinthe 11 vers 17-34. (Vervolg).

Enige tijd geleden schreven wij enkele artikelen over dit Schriftgedeelte. Om het belang van de zaak behandelden wij vers 28, waarin het gaat om de zelfbeproeving voor de viering van het Avondmaal, uitvoerig. Deze beproeving is nodig, om te voorkomen, dat wij op een verkeerde wijze de tekenen van het lichaam en bloed des Heeren zouden gebruiken, met de gevolgen van dien. Dit gevaar is niet denkbeeldig. Paulus wijst in de verdere verzen van dit gedeelte ook de gemeente van Corinthe op dit gevaar. Hij plaatst zijn vermaning tot zelfbeproeving tussen twee waarschuwende verzen in, waarvan de éne, vers 27, luidt: „Zo dan, wie onwaardiglijk dit brood eet of de drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren".

't Is van belang, om dit vers juist te verstaan. Wij weten toch uit de praktijk, dat er zijn in de gemeenten, die, wat hier staat, verkeerd opvatten en toepassen, zó, dat dit voor hen mede een oorzaak wordt, om zich van het Avondmaal te onthouden. Onder hen kunnen er juist zijn, die teer van consciëntie, bevreesd zijn om het Sacrament te ontheiligen en om alzo zichzelf de toorn des Heeren op de hals te halen. Deze gesteldheid is in elk geval beter, dan die van hen, die helemaal geen moeite hebben met het aangaan aan de dis des Heeren en die zich ook niet afvragen wat de apostel eigenlijk met deze woorden bedoelt en of dit ook hen zou raken. Hier herinneren wij ons het woord van Jezus, dat wij ons ervoor te wachten hebben om één van de kleinen te ergeren. En dit zouden wij doen, wanneer wij minachtend over hun angstvalligheid zouden spreken.

Dit neemt echter niet weg, dat wij wel moeten zeggen, dat hun opvatting en toepassing van wat Paulus hier schrijft, stellig onjuist is. Immers, zij lezen zijn woorden zó, alsof er stond, dat wij niet als onwaardigen aan de dis des Verbonds mogen aankomen! Maar zou dit door de apostel bedoeld zijn, dan zou hij dus stellen, dat er bij de Avondmaalsganger een zekere waardigheid gevonden zou moeten worden. En zou dan hiermee niet een afsluitboom opgericht zijn voor elk kind des Heeren op de weg naar het Avondmaal? Wié zou dan dit Sacrament mogen en kunnen gebruiken? Wie toch kan zich ooit die gunst waardig maken, om de tekenen van het lichaam en bloed des Heeren te ontvangen en door de Geest in gemeenschap met de Heere Zelf te treden?

Zeker, wij zagen indertijd, dat voor het aangaan tot het Avondmaal de rechte zelfbeproeving eis is en deze moet ertoe leiden, dat men in waarachtig geloof niet meer buiten de deelname aan het Avondmaal zou kunnen. Doch werpt die mens, die in dit geloof tot de dis komt, zich hiermee een zekere waardigheid op? Of maakt hij juist niet van harte de belijdenis uit het Avondmaalsformulier tot de zijne: „Maar integendeel, aangezien wij ons leven buiten onszelf in Jezus Christus zoeken, zo bekennen wij daarmede, dat wij midden in de dóód liggen"?

Deze belijdenis is toch juist het tegendeel van een waardigheid opwerpen in onszelf. Maar juist een aanvaarden van het feit, dat wij volkomen onwaardig zijn in onszelf. Het gebruiken van het Avondmaal zou ophouden te zijn, wat het toch altijd blijven moet, een gróte genade, — wanneer daarbij zou moeten meegebracht enige waardigheid in onszelf!

Echter, het is wel zeker, dat de apostel in vers 27 iets anders bedoelt. Hij bedoelt hier niet te spreken over de innerlijke gesteldheid van de Avondmaalsganger, welke als een waardigheid voor God zou kunnen gelden. Dan had hij hier in het oorspronkelijke een bijvoeglijk naamwoord moeten gebruiken. Maar hij gebruikt hier een bijwoord. De Staten Vertaling heeft hier het woord onwaardiglijk, wat ook iets anders inhoudt dan onwaardig. De Nieuwe Vertaling leest hier: op een onwaardige wijze. De apostel doelt hier op de wijze, waarop aan het Avondmaal gegeten en gedronken wordt. Natuurlijk staat dit weer niet los van wat er innerlijk leeft of niet leeft in het hart van de Avondmaalsganger, dus van het al of niet aanwezig zijn en functioneren van het waarachtig geloof. Doch het accent valt hier op de wijze van het eten en drinken. Dit kan men op een waardige, betamelijke wijze doen, zó dat het in overeenstemming is met de betekenis van het Sacrament en zo, dat de innerlijke drijfveren daaraan beantwoorden. Maar ook op een wijze, welke met die betekenis ten enenmale in strijd is, terwijl tevens de innerlijke drijfveren daaraan niét beantwoorden. In de gemeente van Corinthe was inderdaad dit laatste het geval. Thans brengen wij nog eens in herinnering, dat daar aan de viering van het Avondmaal de z.g.n. liefdemaaltijden voorafgingen. Echter, de manier, waarop men die hield, was te zeer in strijd met wat in de vergaderingen der gemeente, in het onderling contact en zeker bij het samen aanzitten aan deze maaltijden gevonden moest worden: de oprechte liefde en het gelóóf jegens de Heere Jezus en als vrucht daarvan de liefde jegens elkaar. De verscheurdheid der gemeente in groepen en partijen kwam er immers op een pijnlijke wijze tot openbaring. De behoeftigen werden tekort gedaan. Men krenkte hen, door zelf al te ruim van de meegebrachte spijzen te genieten, terwijl men hén zelfs het overgeblevene nauwelijks gunde. Het egoïsme, stoelend op de wortel van het natuurlijke, ongelovige hart, vierde hoogtij. En de viering van het Avondmaal, dat nauw met die liefdemaaltijden verbonden was, werd in dit kwaad meegetrokken. De liefdeloze, egoïstische leden der gemeente beschouwden die viering zonder meer als een voortzetting van de liefdemaaltijden en zaten aan 't Avondmaal aan in dezelfde geest. Men gedroeg er zich zó, alsof het brood van het Sacrament brood was als alle ander brood en alsof het met de wijn evenzo stond, zonder een bijzondere, geestelijke betekenis. Zodoende zou men heel die viering van het Avondmaal naar beneden halen en ze maken tot iets alledaags.

Dit was het, wat Paulus noemt een eten en drinken op onwaardige wijze. Het brood en de wijn van het Avondmaal, wel brood en wijn als ander brood en wijn, hebben, vanwege hun gebruik bij het Sacrament, een geheel eigen waarde. Doch dié werd als het ware miskend. En alzo werd het Sacrament ontheiligd. Tegen déze ontheiliging waarschuwt de apostel, wanneer hij verder schrijft, dat wie aldus eet en drinkt, „schuldig zal zijn aan het lichaam en bloed des Heeren". Wij verstaan, hoe hij hier weer zó spreken kon van het lichaam en bloed des Heeren. Dat behoeft helemaal niet in te houden, dat er zo iets als een verandering van de substantie van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus zou plaats vinden. Doch wij hebben hier weer te maken met de z.g.n. sacramentele zegswijze. Op sacramentele wijze kunnen het brood en de wijn bij het Avondmaal het lichaam en bloed des Heeren genoemd worden, zoals bij de Doop het water heet het bad der wedergeboorte. De zichtbare tekenen kunnen hier de benaming dragen van de zaak, welke ze afbeelden. Ook op „natuurlijk" gebied treffen wij deze manier van doen aan. Een duidelijk voorbeeld hiervan is b.v. de nationale vlag. Dié wordt met bijzondere eerbied behandeld, men loopt te wapen om de vlag te verdedigen. En bij bijzondere gelegenheden is er het vlagvertoon. Niét, omdat die lap gekleurde stof zoveel waard is, maar ieder ziet ze als een symbool van de eer en de grootheid van het vaderland. En daarom krijgt die vlag een geheel enige waarde én behandeling. Op godsdienstig terrein valt hetzelfde waar te nemen. Het is bekend, dat in de dagen van de eerste christenvervolgingen de christenen gedwongen werden het kruis te vertrappen. Dit was eigenlijk hetzelfde als een verwerpen van de nieuwe religie, van Christus Zelf. Ieder, die dit deed uit vrees, moest toch wel beseffen, dat hij hiermede Christus Zelf verloochende.

Hier gaat het nog maar om symbolen, tekenen, zonder meer. En deze dan nog door mensen uitgedacht. Bij het brood en de wijn van het Avondmaal gaat het om tekenen, door Christus Zélf ingesteld. Bovendien om tekenen, welke tevens als zegelen willen functioneren. Voor de gelovigen zijn brood en wijn onderpanden, dat zij, wanneer zij deze in oprecht geloof nuttigen, door de Heilige Geest met Christus Zelf, met Zijn lichaam en bloed, eens gekruisigd, en verhoogd, verenigd worden en deelhebben aan de weldaden, door Hem verworven.

Omdat dit alles zó ligt, is het goed te verstaan, dat de apostel van de betekende zaak spreekt in plaats van het teken en dat hij zo doende schrijft: „wie op onwaardige wijze eet en drinkt, zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren".

 

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken