Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE BELIJDENIS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

DE BELIJDENIS

15 minuten leestijd

De voorgeschiedenïs vam de nationale synadie te Dordrecht 1618/19 woridt met name door twee problemen beheerst: a) het gezag van de belijdenis, b) de verhouding tussen Kerk 'en Staat.

Het kerkrecht van de Gereformeerde (Hervormde) Kerk is in de eerste tijd, in haar ontstaans-en organiseringsperiode, kwnulatief. Het Convent van Wezel heeft de basis voor dit kerkrecht gelegd, hoewel de artikelen van dit convent er nooit direkt in geparticipeerd hebben.

Het bindende kerkrecht begint pas met de Kerkorde van Emden, maar toch ziet men in de artikelen van Wezel reeds het stramien, waarop voortgeborduurd zal worden, en dat blijft zo tot Dordredht 1618/19 toe. Nu is in dit kerkrecht begrepen de eis tot ondertekening van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en/of de Heidelberger Catechismus. Wezel eiste van predikanten en doctores, dat zij in alles overeenkwamen „met die Leere, welcke in de Kercke openbaerlick wordt onderhouden, ende vervat is in de Belydenisse (welcke eerst van de Kerckendienaren in Vrankrijk aan den Franschen Koning ds overgelevert, ende daer na in het Nederduytsoh overgeset zynde, aen den Koning van Hispanien, en de dci andere Overheden van Nederduitschland is toegeschreven ende behandigt), gelyck ook in de Catechismus" (Wezel II-8). De kursivering is niet van mij, doch is in dit handschrift aangebracht. Die Catechismus zou voor de Walen de Catechismus van Geneve zijn, voor de „Duytsohe Kercken de Heydelbergsohe: doch wy laten dit in de vryheit derzeive tot de eerste aenstaenide Synode" (Wezel III-2). Tot mogelijke ketterij van een predikant rekent Wezdl: het zich meer dan billijk is vermaken in vreemde en kurieuze vragen en ledige spekulaties; het naarstiger dan betaamt lezen van ketterse boeken; het nawandelen en ten voorbeeld noemen van mensen met vreemde gevoelens „ende haere droomen toegevende" (denk aan het apokalyptiscfa doperdom, Joris en Niclaes).

De synode van Emden eist ondertekening (art. 2): „Om, die eendrachtigheid in de Leere tusschen de Nederlandsche Kercken te bewyzen, heeft het den Broederen goetgedocht de belydinge des geloofs der Nederlandsdhe Kercken te onderschryven" en de Franse Confessie orn reden van verbondenheid en enigheid met de Franse Kerken tevens te ondertekenen, met vertrouwen dat omgekeerd de dienaars van de Franse Kerken ook de Nederlandse Geloofsbelijdenis zouden ondersdhrij'ven. Dat laatste is wel via Datheen en Taffin in Frankrijk gevraagd, maar niet geschied.

Voor de Heidelberger stelt Emden geen dwang, maar men behoort die te gebruiken (usus; art. 5 K.O.). Waar echter een „andere forme van Catechismus (den Woorde Gods gelykformich zynde)" gebruikt wordt, zal men niet aandringen op verandering.

F. S. Knipscheer v/ijst er in zijn boek De invoering en de waardering der Gereformeerde belijdenisschriften in Nederland vóór 1618 herhaaldelijk op, welk een onkunde er was aangaande de belijdenis. Het kwam bij predikanten voor, dat zij eerst uitleg bdhoefden, wanneer hun gevraagd werd de confessie te ondertekenen. In dit licht en tegen deze achtergrond zullen wij het allereerste artikel van de provinciale synode te Dordrecht 1574 - een provinciale synode met nationale betekenis - moeten lezen: „Word voor goet aenigesien, dat in iedere Consistorie ofte Kerkenraet, ende Classe, een Copye van de Belydmighe des Ghèloofs der Nederlantsche Kercken ende Articulen bewaert worde, soo wel van de Articulen des Embdischen Synodi, als die nu besloten zyn", waar uiteraard een tekst van de Belijdenis zo niet van de Catechismus bij inbegrepen was. Overigens zien wij hier W. Niesels mening bevestigd, dat de Kerkorden een konfessionele inslag en betekenis hadden. Dan vervolgt de orde van Dordt 1574 met art. 2: „De Broeders hebben besloten, dat men eenderiey Catechismus in allen onsen Kercken houden sal. Welcke Catechismus sal wesen de Heydelbergsche, tot dat in Synodo generali anders besloten word." Tot het onderzoek van predikanten rekent de Kerk (art. 14) „de Confessie ende Articulen doen ondersohryven". Knipscheer beijvert zich op blz. 64 van voomoemd boek duidelijk te maken dat de bedoeling van een en ander is samenbundeling van alle partijen, zowel die van Caspar van der Heyden als die van Jan Arentsz. tot één Kerk. Dat zal zeker ook een, zo niet de bedoeling zijn geweest. Van Emden tot Dordt 1618 was men binnen de gereformeerde gezindte oecume­ nisch, en wellicht ook daarbuiten voorzover het Lutheranen, Zwinglianen en Philippisten gold. Ook dat heeft Knipscheer in de eerste vijfentwintig bladzijtden van zijn werk duidelijk uit de doeken ged& an. Maar dat dit argument tevens een samengaan van „rekkelijfcen" en „preciesen" inhoudt, zoals hij op blz. 60-62 suggereert, wens ik te betwijfelen, en wel om de volgende reden. Wanneer in 1576 op gezag van de Staten van Holland en Zeeland Kerkelijke Wetten worden uitgevaardigd door toedoen van een der deelnemers aan het Convent van Wezel, Willem van Zuylen van Nijevelt, waarin prompt bovengenoemde ondertekening vervalt en vervangen wordt door een predikantseed met tamelijk zwakke termen als „alle t' geene tegens den wille Goidts ende myn ampt niet en sai stryden . . . het woord Godts op t' aldersuiverlyckste sal handelen .. . alleen ter eeren Godts", dan komt daarop een duidelijk afwijzend antwoord van de Kerk op de nationale synode van Dordrecht 1578 (art. 53): „Wy achten, om eendradhtioheyt in der Leere te betuyghen, dat men in allen Kercken der Nederlanden de belijdenis des geloofs in 37 artikelen, in dit jaer 1578 herdruckt, en den Koning Philippo over veel jaren overgelevert, onderschryven sal, ende gelijk dit van den Dienaren des Woorts ende Professoren der Theologie gedaen sal worden, soo waert het goet, dat hetselve oock van den Ouderlinge geschiede." Dat bij de bevestiging der dienaren vragen uit 1574 gebruikt worden, waarin geen sprake is van Confessie of Catechismus (Knipscheer, blz. 67), is na deze ondertekening via de classes geen argument voor het veronderstellen'van latitudinarisme.

Op de provinciale synoide van Dordrecht 1574 verzocht de classis Walcheren, de voor te leggen en te ondertekenen tekst van de Nederlandse Geloofsbelijdenis „de Frarische editie van D°. Beza, laestmael uuj^tgegaen, ghelycformich" te maken, maar de synode besloot te wachten „tot op den Synodum generalem". In 1580, op de synode te Antwerpen, was de Franse editie t.b.v. de Walen al in een herzien handschrift aanwezig, in 1581 kréég Daniël de Dieu van de nationale synode te Middelburg de opdracht om de belijdenis van De Brés opnieuw uit het Frans te vertalen. Dat werk kreeg na veel moeite in 1583 zijn beslag. Genoemd voorstel van de classis Walcheren duidt m.i. opnieuw op de Gereformeerde oecumene, zoals die te Emden bedoeld was (vgl. Knipscheer blz. 67 met 69), temeer omdat een Geneefs exemplaar en uitgave ten grondslag moest liggen aan een nieuwe vertaling in het Nederlands. Inmiddels eiste de synode van Middelburg in art. 37, dat de dienaren des Woords, ouderlingen, professoren in de theologie („twelck oock den anderen Professoren wel betaemt") en schoolmeesters de Nederlandse Geloofsbelijdenis zullen ondertekenen. Knipscheer is van mening dat, gezien de woorden „sullen .. . onderteyckenen", men met deze eis wilde wachten tot het ogenblik wanneer de herziene tekst zou verschenen zijn. Eerder moeten wij bij dit „sullen" denken aan het Duitse sollen: het geldt de plicht tot onderschrijving van dit geloof scompendium !

Op de nationale synode van 's-Gravenhage 1586 werd ook niet, zoals Naber en Knipscheer vermoeden - een Leicesterse dwang tot ondertekening der confessie ingevoerd, die na het vertrek van de Engelse gezant Leicester mét de „Leicesterse" kerkorde zou zijn opzij gelegd; integendeel, beide bleven van kracht en blijken hun plaats ingenomen te hebben in het kumulatieve Gereformeerde kerkrecht. Zodat wij die dwang uit de Haagse K.O. art. 47 in letterlijk dezelfde bewoordingen terugvinden in art. 53 van de Dordtse K.O. 1618/19. Veel gegevens uit dlassicale archieven zouden hierbij te noemen zijn.

Dat kumulatieve ontwaren wij ook, wanneer het gaat om ondertekening van de Catechismus. Pas rond 1610 komt dit gebruik in zwang; in Zeeland werd aan de schoolmeesters de keus gelaten, of zij de Geloofsbelijdenis dan wel de Catechismus wilden ondertekenen. Hetzelfde wordt in 1618 terzake van de schoolmeesters bepaald (art. 54): „Insgelycks sullen oock de Schoolmeesters gehouden zyn: de Artykelen als boven (bedoeld de 37 - CAT) ofte in de plaatse van dien den Christelyken Catechismum te onderteekenen."

Nu is er medunkt genoeg materiaal verzameld om op enkele principiële vragen in te gaan. Heeft de Dordtse synode met de woorden „revisalbel ende reformabel" t.o.v. de belijdenis ') bedoeld, dat die belijdenis van synode tot synode ter revisie zou liggen, afgezien van de mogelijkheid tot indiening van gravamina? Terecht schrijft Knipscheer ergens dat men de beslissing over de herziene en te ondertekenen tekst van de belijdenis opschoof naar een nationale synode.

Maar het is niet juist, wanneer men meent dat opzettelijk de Nederlandse Geloofsbelijdenis, die men ondertekende, openstonld op elke synodevergadering voor revisie. Ik voor mij houd het ervoor dat de twee woorden eerder op de tekst en tekstuitgave zien, dan dat zij een gedurige inhoudelijke censuur niet alleen mogelijk maken, dodh veronderstellen. Daar is na 1583, toen dan de bijgewerkte en herziene uitgave bij Canin (Kaen) in Dordrecht uitkw^am, zowel te 's-^Gravenhage in 1586 als te Dordrecht in 1618/19 geen sprake van.

AMereerst is er na de Dordtse synode nooit zo'n generale of zelfs nationale meer geweest, en het naschrift van de Dordtse leerregels noemt met zekere klem: „Daarna vermaant deze synode ook ernstig de lasteraars, dat zij toezien, welk zwaar oordeel Gods zij op ziöh laden, die tegen zovedl Kerken en zoveler Kerlken belijdenissen vals getuigenis spreken ..."

Ten tweede wijzen de te Dordt opgestelde ondertekeningsformulieren ^) in een andere richting. Toen op 14 mei 1619 des namiddags, volgens de Postacta, als gravamen werd ingediend „het instellen van een bequaem Formulier van onderteyckeninge der Bëlydenisse, ende des Catechismi, voortaen te doen van alle, die in Kerkelycke bedieninge zyn", dan resulteert dit in meer dan waarom gevraagd werd, n.l. in een „accuraat formulier" waarmee niet alleen Belijdenis en Catechismus, doch ook „de verklaringe des Synodi Nationahs over de vyf Remonstrantsche Articulen" wordt ondertekend „om haer regtsinnigheyt klaerlik te betuygen, en sommige verkeerde uytvlugten omtrent de onderteykeninge voor te komen". Aan die uitvluchten worden dan nog 16 mei 1619 de minder vriendelijke woorden toegevoegd: „daer mede sy de Kerken plegen te bedriegen". Hier valt het argument van eenheid van alle partijen - weg om plaats te maken voor de bij Knipscheer (blz. 197) minder geliefde „bindende formule voor de besdhrijving van het Christelijk geloofsleven".

Dat inderdaad een verbindtenis werd bedoeld, die daarom ook al niet te revisabel geweest zal zijn, behalve op het punt van vertaling en uitgave, bewijzen de drie formulieren, die op 18 mei voor predikanten, en rectors met schoolmeesters, op 25 mei voor professoren in de theologie met regenten en subregenten van collegia als het Statencollege zijn uitgevaardigd.

Ook de eventueel te eisen „nader verklaringe van ons gevoelen over eenigen Artykdl deser belydenis, des Catechismi, of verklaringe des Synodi Nationalis", 'die in geval van hoogleraren en regenten door de synode, ingeval van predikanten door kerkeraad, classis of synode afgenomen wordt, laat geen ruimte tot andere inhoud der voornoemde geschriften, maar wel voor de exegese van bepaalde zaken - men denke aan het infra-en supralapsarisme. De regel des geloofs heeft zogoed als de Schrift een scopus ecclesiasticus, een kerkelijke zin, een kerkelijke normering en speelruimte wat betreft de interpretatie.

Ik schreef over een kumulatief kerkrecht. Ook de bepalingen rond ondertekening der belijdenis worden hierdoor gekenmerkt. Wezdl kende geen ondertekening, Emden wel. Dordrecht 1578 acht het goed dat alle hoogleraren en ook de ouderlingen de Nederlandse Geloofsbelijdenis ondertekenen, Middelburg eist dit. 's-Gravenhage voegt er de bepaling ingeval van „refusie" (weigering) aan toe, Dordrecht 1618/19 neemt zulks over en maakt formulieren klaar, waarin de drie formulieren van enigheid zijn opgenomen en moeten worden ondertekend. Zeker, een kumulatief 'kerkrecht, doch materiële uitbreiding van de belijdenis heeft men niet bedoeld. Zo moeten wij ook de toevoeging van de Catechismus en de Dordtse Leerregels niet zien als een inhoudelijk „meer" dan tevoren. Aanleiding hiertoe is geweest, mede althans, het merkwaardige feit dat 21 december 1618 de Remonstrant Henricus Leo in de synode verklaarde, geen bezwaren tegen de Nederlandse Geloofsbelijdenis te hebben. En iets later de Remonstranten Ryckewaert en Vezeling: geen bezwaren tegen de Catechismus. Begrijpelijk dat de Canones toegevoegd werden om elk bedrog of misverstand te vermijden. Doch niet om daarmee nu meer te gaan leren en inhoudelijk meer aan christelijke leer te laten ondertekenen dan tevoren!

Ik wees er reeds op dat een versie als van de Canones, die door een binnen-en een buitenlandse kommissie was geredigeerd, n.l. door Carleton, Scultetus, Deodatus, Polyander, Walaeus en Trigland, alleen al om het gereformeerd-'oecumenisoh aspekt niet spoedig zou worden herzien. Een ander argument is, dat de Remonstranten wèl aandrongen op omgieting van de hele Nederlandse Geloofsbelijdenis. Toen kwam in april 1619 plotseling de eis van Staten-Generaal via de politieke Gekommitteerden ter synode, om in deze yergadering de Nederlandse Geloofsibelijdenis en de Catechismus te herzien. Spoedig werd duidelijk - en H. Kaajan heeft dat in zijn boek over de Groote Synode aangetoond - dat de Staten synodale bekrachtiging van deze gesdhriften bedoelden. Zij .zouden immers, door deze internationale vergadering bekrachtigd, in aanzien stijgen! Buitenlanders en binnenlanders keurden hen rond 1 mei unaniem goed, en hetzelfde vond na veel diskussies plaats rond 6 mei (pledhtige afkondiging) met de Canones. Wij moeten van die diskussies niet schrikken: zij hébben 'bijgedragen tot het evenwichtig karakter der Canones. De deJFinitieve tekst hield op deze wijze een gematigde, Augustiniaanse middenweg in tussen supra-en infralapsariërs.

Knipsdheer ziet een ontwikkeliTug van Wezel tot Dordt 1618/19. Het komt z.i. hierop neer, dat de voorstanders van ondertekening der Geloofsbelijdenis rond 1568 daarin geen gevaar zagen voor de vrije ontwikkeling en vorming der geloofsmeningen, terwijl ditzelfde feit van ondertekening zulke ontwikkeling rond 1618 juist onmogelijk heeft gemaakt. Ook meent hij, dat de belijdenis eigenlijk de Kerk opgelegd is. Mijn vraag is: hoe moest het anders in een Kerk die van de grond af werd opgebouwd, en bij zoveel onkunde, zelfs onder de ambtsdragers? Wat er ook van waar zij: ik acht van belang dat de leertraditie ider Kerk èn het gereformeerd-oekumenisch aspekt de grens van het belijden bepaalden en de ondertekening ons doen zien als een blijk van ingevoegd-zijn en opgenomen-zijn in de leertraditie. Dat is heel wat positiever dan een afsnoering en inperking.

Wordt vandaag de dag gevraagd, of de belijdenis terzake van Israël, de eschatologie, de pneumatologie niet op de helling moet en of er geen artikelen aan de Nederlandse Geloofsbelijdenis moeten worden toegevoegd, dan vergete men niet dat een nationale consensus nauwelijks haalbaar is, een internationale als bij de Wereldraad niet verder komt dan het belijden van Jezus Christus als God en Heer, en dat er voetangels en klemmen zijn op deze weg. Het kan de bedoeling van de Kerk niet zijn om, het in termen van gericht en genade, verkiezing en verwerping gestelde artikel 37 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis om te vormen of uit te bouwen tot een komplete eschatologie. Het kan evenmin de bedoeling zijn om meer te geven aan pneumatologie dan in de artikelen 5, 11 en 24 qua compendium aan lijnen gegeven is. Met Israël is het een andere zaak. Hoewel het voor de geschiedenis van het Nederiandse calvinisme troostvol ds, dat verdreven Joden herademden in het vrije Amsterdam en die stad de erenaam Mokum (makoom, de plaats) gaven, is het Joodse volk niet of nauwelijks opgenomen in de theologie van de Gouden Eeuw^.

Laten wij tevens niet vergeten - en het moge ons oordeel over de kerkelijke geschiedenis tussen 1568 en 1619 milder maken - dat het Convent van Wezel niet milder in zijn uitspraken was, omdat het „rekkelijker" was, en dat Dordrecht 1618/19 niet omlijnder was, omdat de synode „precieser" was. Dezelfde of nog grotere inspraak dan te Wezel is er te Dordrecht via commissarissen-politiek. Maar ook die verschuiving van „eendradhticheyt" tot „onderteykeninge" hangt samen met het kumulatieve kerkrecht. De Gereformeerde Kerk was in 1568 niet die qua organisatie gekonsolideerde grootheid, die zij in 16'18 is geworden. Zien wij dit in, dan ontdekken wij tevens, dat de veelvuldige gereformeerdoekumenische kontakten, waar Wezel hlijk van gaf, ook in Dordrecht alleen al in de „synode van buitenlanders" leefde.

De formulieren van eni^eid liggen er. De mogelijkheid tot het indienen van gravamina is gebleven, doch een konstante mogelijkheid van revisie wordt tegengewerkt, doordat de Gereformeerde Kerk van 1568 tot 1619 een kerkrecht had met belijdende inslag en een belijdenis met kerkrechtelijke kanten. En het is niet in te zien dat dit vandaag de dag anders zou zijn; men denke aan de Ker^fcorde in enger verband en de ordinanties.

K.

C. A. T.


1) Zie 3. N. BakihuiEen van den Brink, De tekst van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, 2 art. in Woord en Dienst 27 juni en 11 juli 1959.

2) Wij onderscbreven Bedienaren des Goddelyken Woorts/Reotoren ende rSoiiooilimeesters/Professoren 'der H(eil4ge) Theologie ofte wy Regent en Onder-Regent, verklaren opregtelyk en in igoeder oonscientie, met dese onse onderteekeninge, dait wy van herten gevoelen en gelooven, dat alle de Articulen en stiucken der Leere, tn de Belydenis en Catedhismus der Gereiformeerde Nederlantsche Kerken begrepen, midtsgaders de Verklaringe over eenige Poincten der voorseyde Leere/eenige Articulen der selver Leere, in de Nationale Synodus Anno/in den jare 1619 tot Dordregt gedaan, in alles met Goids Woont over een komen...

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1968

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

DE BELIJDENIS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1968

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

PDF Bekijken