Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE GEZANGEN-BROCHURE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE GEZANGEN-BROCHURE

II. „WAT DE OUDEN ZONGEN”

6 minuten leestijd

De vorige maal werd gewaagd van een artikel van de heer F. van Amstel in het orgaan van de Nederlandse Organistenvereniging. Daarin toont hij begrip voor de kritische beoordeling van de kwaliteit van de Schriftgezangen onder de „102 Gezangen" zoals die in de brochure 102 Gezangen... enz. wordt gegeven.

Daarentegen heeft hij nogal bezwaren tegen wat de brochure zegt over het kerklied en het kerkgezang. Die bezwaren liggen rondom drie punten: wat in de (Oude) Kerk werd gezongen; hoe in de Oude Kerk werd gezongen; al of niet door koren, al of niet berijmd.

Wat werd in de Oude Kerk gezongen?

Met „Oude Kerk" is hier bedoeld: de tijd tot ongeveer 600 na Chr., tot paus Gregorius I de Grote, waarna de Kerk veel sneller begon weg te glijden.

De heer Van Amstel zegt in zijn artikel: „De stelling van de Geref. Bond, dat de „Oude Kerk" van meet af aan altijd „vrij gedichte" kerkliederen heeft „afgewezen" is tendentieus en onjuist".

Nu komt deze stelling in de brochure niet voor. Ieder kan in de paragraaf „Het gezang in de Oude Kerk" nalezen, dat daar staat: „Algemeen wordt erkend, dat de christenen in de vroegste tijd het zingen van de psalmen in de samenkomsten der gemeente van de Israëlieten hebben overgenomen. Of naast de psalmen ook liederen werden gezongen, is onzeker". Dat is wat anders dan de heer Van Amstel de brochure toeschrijft.

Wat de brochure wèl stelt, wordt in genoemde paragraaf gestaafd met een reeks aanhalingen uit een „Rapport inzake de herziening der liturgie en het vraagstuk van het kerkgezang", dat door deputaten van de synode der Gereformeerde Kerken van Groningen (1927) werd uitgebracht aan de synode van Arnhem (1930). En dat rapport zegt niet zo maar wat, maar is goed gedocumenteerd, terwijl de erin vergaarde gegevens voorzichtig en verantwoord worden gehanteerd. De conclusie kan moeilijk anders zijn dan wat hiervoor uit de brochure werd aangehaald: er zijn wel gegevens juit die tijd over vrije liederen, maar daarvoor is óf onzeker dat ze in de eerste tijd in de eredienst werden gebruikt, of het is zeker dat ze als zodanig niet werden gebruikt.

Natuurlijk is het mogelijk, meer literatuur na te slaan dan het genoemde Gereformeerde rapport doet. Maar ook die andere literatuur gaat uiteindelijk terug op de niet bijzonder overvloedige gegevens die ons uit die oude tijden zijn overgeleverd. Het algemene beeld, dat de Oude Kerk zeer gereserveerd stond tegenover het vrije lied, kan daar niet zoveel door veranderen. Als men de gegevens maar niet met een bepaalde vooringenomenheid benadert; er niet bij voorbaat een wei-afwijzen of niet-afwijzen wil „uithalen".

Zo kan men zeker wijzen op oud-kerkelijke hymnen. Van diegene die de heer Van Amstel met name noemt is evenwel Dies irae niet oud-kerkelijk en ook Veni Creator Spiritus van na 600. Rekent men ook diegene niet mee die niet zozeer des zondags, maar bij speciale gelegenheden (dagelijkse vroege morgendiensten, in het algemeen korte dagelijkse „getijdediensten", en bij processies e.d.) schijnen te zijn gebruikt, alsook leer-dichten als bijv. Psalmus contra partem Donati, een polemisch lied van Augustinus tegen de donatisten, dan levert een afgrazen van de gezangbundels 1938 en 102 Gezangen alsmede van een - overigens stellig onvolledige - opsomming die door dr. C. P. van Andel in zijn boek Tussen de regels wordt gegeven, bij elkaar nog geen twintig liederen op die voor 600 gedicht en nietbijbelse hymnen zijn. Natuurlijk zullen er veel meer zijn geweest dan wij nu nog kennen, maar ten opzichte van de 150 psalmen is het bepaald niet indrukwekkend.

Verschillende schrijvers.

Prof. dr. Helmut de Boor schrijft in Geschichte der deutschen Literatur Bd. I zijdelings over de liturgie in de Oude Kerk in verband met de Benedictijnen, die in 529 hun eerste klooster stichtten, en hun rol in de liturgische ontwikkeling: „De psalmen zijn de eigenlijke grondslag van het liturgisch gezang van de R.K. kerk . .. Juist de Benedictijnen hebben het gezang niet slechts (in het algemeen) godsdienstig doen gebruiken, maar ook waarde toegekend voor de (kerkelijke) liturgie". Zeker, Ambrosius (340-397) dichtte een aantal'liederen en liet die ongetwijfeld, toen hij bisschop te Milaan was, daar zingen; maar van de houding van de Kerk zegt De Boor: „De Kerk heeft het ambrosiaanse lied steeds gaarne als een feestelijke en stemmingsvolle verfraaiing van de godsdienstoefening gebruikt, maar in het liturgisch geheel niet dan aarzelend en terughoudend toegang verleend" - waarbij wij dan nog moeten rekenen met het beperkte verspreidingsgebied van de ambrosiaanse liturgie.

W. MöUer noemt in zijn standaardwerk Lehrbuch der Kirchengeschichte, Frei-

burg i. Br. 1889, Bd. I voor de eerste periode in de kerkgeschiedenis tot aan keizer Constantijn de Grote, (274-337) als liederen de psalmen alsmede enige uitsluitend bijbelse liederen: et trisagion (Jes. 6:3), het Magnificat (lofzang van Maria), Benedictus (Matth. 21 : 9), Nunc dimittis (lofzang van Simeon), het Klein Gloria (Openbaring 1 : 6) en het Groot Gloria (Luc. 2 : 14). Vrije liederen waren afkomstig van de ketterse gnostici. Voor de tweede periode (van Constantijn tot paus Gregorius de Grote (ca. 600) noemt hij eveneens de psalmen; in deze periode komen daarnaast liederen op „om de eredienst glans en praal te verlenen en voor de schare aantrekkelijker te maken" (blz. 555).

Voor wat evenwel de reactie van de Kerk betreft verwijst de Gezangen-brochure behalve naar de Constitutiones Apostolicae, die ongeveer in het begin van de 4e eeuw uit oudere geschriften schijnen te zijn samengesteld (Möller I, blz. 244-245) en waarin slechts de psalmen worden genoemd, ook naar de concilies van Laodicea in Klein-Azië (ca. 360), van Bracatara, het tegenwoordige Braga in Noord-Portugal (563), en van Toledo in Spanje (633).

Op de eerste twee werd het gebruik van vrije liederen in de eredienst afgekeurd. In C. J. von Hefele, Conciliengeschichte Bd. III, Freiburg i. Br. 1877. wordt de letterlijke vertaling gegeven van de 22 capitula van kerkordelij ke aard van het Bratacara-concilie. No. 12 (blz. 19) luidt: „Behalve de psalmen en bijbelse liederen uit het Oude en Nieuwe Testament mag niets dichterlijks in de Kerk worden gezongen, zoals het de heilige Canones voorschrijven". Canones zijn hier: kerkelijke rechtsregelen.

Op het concilie van Toledo werden 75 capitula (letterlijk: hoofdstukken, hier: punten) aanvaard. No. 13 (Von Hefele, blz. 81) luidt: „Het is niet juist, alle door Hilarius en Ambrosius vervaardigde liederen te verwerpen en slechts de bijbelse voor kerkelijk gebruik toe te laten".

Natuurlijk wijst het af en toe opduiken van het vrije liederen-verbod erop, dat de neiging bestond ze te gebruiken. Even zeker is het, dat globaal genomen de kerkelijke vergaderingen voor paus Gregorius I de Grote (590-604) dit hymnen-gebruik ongaarne zagen, en daarna juist bevorderden.

De lezers moeten daarbij bedenken, dat het bij deze liederen-kwestie in de Oude Kerk natuurlijk niet gaat om een spelletje 't is nietes - 't is welles; alsof wij ons nog veel aan die stokoude concilies gelegen zouden moeten laten liggen. Hier is in het geding, of de brochure terecht verband zocht tussen de definitieve deformatie van de Oude Kerk, die met paus Gregorius I begon door te zetten, en het verlies aan belangstelling voor het bijbelse lied.

Deze gedachte komt mij voorlopig nog niet „buitengewoon onjuist" voor.

(Slot volgt)

Arnhem

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE GEZANGEN-BROCHURE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken