Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

SMIJTEGELT EN COMRIE (3)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

SMIJTEGELT EN COMRIE (3)

7 minuten leestijd

Alexander Comrie (1)

Afkomst en jeugd

Alexander Comrie werd geboren te Perth in Schotland op 17 dec. 1706. Zijn vader Patrick Comrie stamde uit een oud en aanzienlijk geslacht, zijn moeder was een kleindochter van de jonggestorven, maar beroemd gebleven prediker Andrew Gray (1632—1658). Comrie, die sterk gehecht was aan familietradities, spreekt in zijn werken meer dan eens over Gray, zijn „nu zaligen overgrootvader”.

Eveneens uit mededelingen van Comrie zelf weten we dat hij de gebroeders Ralph en Ebenezer Erskine van dichtbij gekend heeft en vele malen heeft horen prediken. Hij is zelfs door hun catechetisch onderwijs voorbereid op de belijdenis van het geloof. Blijkbaar hebben de gebroeders Erskine een diepe indruk op hem gemaakt, want jaren latei: schrijft hij nog over Ralph Erskine: „mijn getrouwe oude vriend, welke God tot mijn bestiering in mijn jeugd gebruikt heeft”.

Over Comrie's vooropleiding tasten we in het duister. In elk geval is hij, ook alweer volgens een mededeling van hemzelf in Schotland „niet alleen in de Latijnse, maar ook in de grondtalen onderwezen". Dat zal wel gebeurd zijn op de „Grammar school". En dat zou erop kunnen wijzen dat zijn ouders hem hadden bestemd voor de dienst des Woords. Comrie zou echter niet de Schotse kerk, maar de Hollandse kerk gaan dienen.

Studiejaren

In het levensverhaal van Comrie bevindt zich een lacune, die nog nimmer bevredigend is opgevuld. Omstreeks 1726 moet Comrie in Nederland zijn gekomen, waarschijnlijk als gevolg van het feit dat zijn vader niet meer in staat was zijn studie te bekostigen. Vast staat dat hij enige tijd in Rotterdam heeft gewoond en dat hij daar heeft gewerkt op het kantoor van de koopman Adriaan van der Willigen. Aan deze laatste is het te danken dat Comrie zijn studie kon hervatten, want door hem is Comrie in contact gebracht met Arnoldus de Sterke, vrijheer van Woubrugge, die samen met zijn zwager ds. Tarée zijn studie hebben bekostigd. Dat is in ieder geval de historische kern van het fantastische verhaal dat dr. A. Kuyper in 1882 publiceerde in „The Catholic Presbyterian" en dat hier en daar nog steeds wordt naverteld, ook al is het door de levensbeschrijver van Comrie, dr. A. G. Honig, afdoende ontzenuwd. . . . .

In sept. 1729 liet Comrie zich inschrijven als student in de godgeleerdheid aan de Groningse Universiteit. Hij genoot er het onderwijs van de hoogleraren Driessen, Van Velzen, Verbrugge en Vogèt. Met prof. Driessen moet Comrie wel bijzondere betrekkingen hebben onderhouden, want hij is er getuige van geweest hoe deze hoogleraar in grote geestelijke nood verkeerde en uitriep: „O God, is er een weg ter ontkoming, maak hem mij dan bekend”.

Comrie heeft zijn studietijd in Groningen niet in ledigheid doorgebracht! Althans, hij sprak er later schande van, dat jongelui slechts „drie a vier jaar zich op de hogeschool ophouden en veel van die korte tijd niet studeren, maar met beuzelingen en onnutte bezoeken doorbrengen, hetgeen onvermijdelijk de ruïne van Neerlands kerk zal veroorzaken, zo er niet in voorzien wordt”. . . .

In 1733 verhuisde Comrie van Groningen naar Leiden, waar hij zich behalve op de theologie ook toelegde op de filosofie. Hij promoveerde dan ook op 5 okt. 1734 op een filosofisch onderwerp. Zijn promotor was de beroemde professor ’s Gravensande.

Predikant te Woubrugge

Na de voltooiing van zijn studie meldde Comrie zich bij de Classis Leiden voor het praeparatoir examen. Terstond daarna volgde het beroep van de gemeente Woubrugge. Het lag voor de hand dat Comrie, die door de vrijheer van Woubrugge in staat was gesteld om te studeren, in de bestaande vakature werd beroepen en het sprak evenzeer vanzelf dat hij dit beroep aannam. Hij werd er op 1 mei 1735 bevestigd door ds. N. Holtius van Koudekerk en deed intrede met de veelgebruikte, maar voor hem ook veelzeggende tekst uit Zach. 6 : 15: En die verre zijn, zullen komen en zullen bouwen aan de tempel des Heeren en gij lieden zult weten dat de Heere der heischaren mij tot u gezonden heeft”.

Tijdens de ambtsbediening van Comrie's voorganger, Carolus Blom, had er te Woubrugge een revival plaats gehad. Verschillende mensen waren tot bekering gekomen, onder wie ook de predikant zelf. De gevolgen van deze opwekkingsbeweging waren nog merkbaar toen Comrie de herdersstaf in Woubrugge opnam.

Comrie’s pastorale arbeid onttrekt zich voor een groot deel aan onze waarneming. Men heeft hem vaak beschuldigd van nalatigheid in huis-en ziekenbezoek. Dit op grond van het feit dat hij één van zijn boeken, de „Eigenschappen des Geloofs", opdroeg aan zijn gemeente, „om", zoals hijzelf zegt, „enigen van u hun klagen dat wij zo weinig uitgaan, te doen staken. Dat wij zo weinig uitgaan, hopen wij, dat gijlieden ten beste zult nemen, wij hebben dat nooit tot een gewoonte gehad " Met dit „uitgaan" bedoelt Comrie echter niet het gewone bezoekwerk, maar het deelnemen aan de gezelschappen.

Intussen maakte Comrie er geen geheim van, dat hij veel tijd nodig had voor de voorbereiding van zijn preken. Wellicht als gevolg daarvan trok hij veel mensen, niet alleen uit Woubrugge, maar ook uit de omgeving, vooral ook uit het nabijgelegen Leiden.

In tegenstelling tot vele van zijn geestverwanten had Comrie in Woubrugge niet veel strijd te voeren tegen de volkszonden van die dagen. Gevallen van overspel, diefstal, openbare dronkenschap en dergelijke kwamen in zijn gemeente sporadisch voor. Comrie klaagt dan ook weinig over openbare goddeloosheid, maar des te meer over onbekeerlijkheid van zijn hoorders.

Toch bleef zijn prediking niet zonder vrucht. Zelf schrijft hij daarover: „Hoewel wij over velen reden tot klagen hebben, dat ze onze prediking niet hebben geloofd, zo moeten wij tot roem van Gods genade bekennen dat onze arbeid niet geheel ijdel is geweest, maar dat de Heere enige tijd geleden.de harten van sommi­ gen hier en ook van die van elders opgekomen waren, geopend heeft”.

De kleine gemeente Woubrugge heeft het voorrecht gehad, 38 jaar door Comrie te worden gediend. In al die jaren ontving Comrie zeven maal een beroep naar een andere gemeente (en schrijver dezes kan niet nalaten met voldoening op te merken dat één van die zeven Oude Tonge was ), maar voor al deze beroepen heeft hij bedankt. Predikant en gemeente werden hoe langer hoe meer aan elkaar verbonden. De naam van Comrie blijft dan ook voorgoed met die van het dorp Woubrugge verbonden. In de consistorie van de kerk en in het gemeentehuis hangen portretten van Comrie en de kade waaraan de Hery. kerk is gelegen, heet „Comriekade”.

Emeritaat en overlijden

Gedurende de laatste jaren van zijn ambtsbediening was Comrie herhaaldelijk ziek, en telkens riep hij de hulp van de classis in, hopend op herstel. Blijkbaar zag hij er tegenop zijn emeritaat aan te vragen. Op den duur vond de classis het welletjes en wenste dat „Zijn Eerwaarde zijn emeritaat besoUiciteert hadde " Aldus geschiedde en op 4 april 1773 hield Comrie een korte afscheidspreek n.a.v. 1 Joh. 2 : 24: Hetgeen gij van den beginne gehoord hebt, dat blijve in u. Indien in u blijft wat gij van den beginne gehoord hebt, zo zult gij ook in de Zoon en in de Vader blijven”.

Zijn opvolger, ds. B. Ouboter, had het beroep al aangenomen en vóór diens intrede verhuisde Comrie naar Gouda, waar hij een woning betrok op de Westhaven. Zijn levensavond werd verdonkerd door het verlies van zijn enige dochter, die in okt. 1774 overleed. Twee maanden later, op 10 dec. 1774, ging Comrie zelf in in de vreugde des Heeren. Zijn stoffelijk overschot werd ter aarde besteld in de St. Janskerk te Gouda.

Bescheiden als Comrie was had hij van tevoren bepaald dat „De Boekzaal", het bekende tijdschrift van die dagen, geen „In Memoriam" over hem mocht publiceren, en ook dat er in Woubrugge geen „lijkpredikatie" mocht worden gehouden. Ds. Ouboter heeft toen op de eerstvolgende zondag de oud-predikant van de gemeente herdacht met een kort woord n.a.v. Hebr. 13 : 7: Gedenkt uw voorgangers, die u het Woord Gods gesproken hebben . . . . .”

Oude Tonge

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

SMIJTEGELT EN COMRIE (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken