Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE VREES OVERWONNEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE VREES OVERWONNEN

9 minuten leestijd

Ten dage als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen. Psalm 56:4.

Moed dwingt altijd respect af.

Een jongen redde met gevaar voor eigen leven een vriendje — en hij komt in de krant.

We eren de mannen van de reddingsboten aan de kust. Mannen als Klaas Toxopeüs en Dorus Rijkers.

Als jongen lazen we graag verhalen van de helden van Zuid-Afrika. In de sagen en legenden van Grieken en Germanen spelen heldengestalten een grote rol.

Daar zit een stuk romantiek in, één stuk verbeelding, waarin vaak alle proporties uit het oog verloren worden. De helden worden dan een soort halfgoden.

In de bijbel komen alle dingen weer op hun plaats. De Bijbel weet ook van helden. David beweent Saul en Jonathan als helden, die gevallen zijn. Hij eert zijn tegenstander Abner om zijn moed.

Maar nooit is er de heldenverering.

David zelf is ook een held. Reeds jong verslaat hij een leeuw en een beer. Hij is de enige, die tegen Goliath in de tweekamp zich begeeft.

Maar dan blijkt ook de aard van zijn heldendom uit het woord, waarmede hij Goliath tegemoet treedt: „gij komt tot mij met een spies en een zwaard, maar ik kom tot u in de Naam van de God der slagorden Israels, Dien gij gehoond hebt." Zijn moed en zijn kracht zijn van God. Daarom zal hij ook Hem de eer geven.

Als David in deze 56ste Psalm meer dan eens zegt: „ik zal niet vrezen", dan is dat geen grootspraak, geen snoeverij. Het is niet de taal van iemand, die niet weet, wat vrees is. Wat dat betreft is hij iemand, die vlakbij ons staat.

Waarom kennen wij mensen vrees?

Omdat wij bedreigd worden.

Het is geen dapperheid, maar dwaasheid, wanneer wij doen, alsof wij ons overal wel doorheen zullen slaan. Dat is de houding vaak van mensen met een grote mond en een klein hart.

De vrees is zo algemeen menselijk, dat er reeds in de oudheid mensen geweest zijn, die zeiden: de vrees heeft de goden gemaakt, d.w.z. de mensen hebben zich altijd en overal zó door machten bedreigd gezien, machten, die ze niet baas konden, dat ze daarom goden verzonnen hebben als bondgenoten.

In elk geval spreekt daaruit het echtmenselijke van de vrees. Er zijn altijd machten rondom ons heen, die wij niet in onze macht hebben. En het is geen dapperheid, maar dwaasheid als de lawine op ons af komt, rustig te blijven staan en te zeggen: ik ben niet bang.

Er kunnen kritieke ogenblikken zijn in een ziekte-proces, die ons het ergste doen vrezen.

Er kunnen familie-omstandigheden zijn, die ons met zorg vervullen. De vrees voor de ontwikkeling van het wereldgebeuren kan ons aangrijpen. Dagelijks proeven we de spanningen in de nieuwsberichten. Een deel van het ongeremde gedrag van sommige jongeren in onze grote steden, moet tegen deze achtergrond gezien worden.

Die vrees is al oud. De eerste maal klinkt het woord „vrees" uit de mond van de pas gevallen mens. „Ik hoorde Uw stem in de hof en ik vreesde” (Gen. 3).

Die vrees is vaak vrees voor het leven, dat men niet aandurft. Die vrees uit zich als vrees voor de eenzaamheid. Of als vrees voor de grote massa, waarin de enkeling teloor gaat. Die vrees is niet het minst vrees voor de dood. En daarachter is die vrees uit Gen. 3; de vrees voor God. Het is de vrees voor de verantwoording, die we niet dragen kunnen. Het is de vrees, waardoor Kaïn overal de wraak voelt dreigen voor het vergoten bloed.

Die vrees heeft vele levens geknakt, in het krankzinnigengesticht gebracht en soms zelfs de dood ingejaagd. Psalm 90 is van die vrees doortrokken.

De Bijbel spreekt van de schrik des He-

Jezus Zelf zegt: „vreest niet voor degenen, die het lichaam wel kunnen doden, maar de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel”.

Het is een ontzaglijk ernstige zaak mens te zijn. Want dat betekent te kunnen handelen tegen God. Wie durft zijn leven straks terug te zien, zoals het bewaard wordt in Gods archief?

Wat doen wij mensen tegen vrees?

Tegen een vloed werpen we dijken op.

Tegen gevaren zoeken we een schuilplaats. Tegen vijanden sluiten we een bondgenootschap. We zoeken steun in de prestaties van de medische wetenschap, in onze goede relaties, in de steun van Vadertje Staat, in onze prestaties op geestelijk en zedelijk terrein.

Maar wat blijft er weinig van over, als het werkelijk ernst wordt. Als alles, waarop wij willen steunen, bezwijkt en valt. Als de stormen komen in de vorm van verzoeking en twijfel, van verleiding en bestrijding, waartegen opvoeding en goede voornemens, principes en gewoonten geen weerstand bieden. Wie dan onbevreesd wil doorgaan, gaat onverschillig worden. Het leven wordt dan weinig waard, zowel bij de brute goddeloze. die met z'n leven speelt, als bij de oppervlakkig godsdienstige, die meent, dat „het leven" voor zijn goedkope deugden te krijgen is.

Wat zijn er een manieren om de vrees daar van binnen het zwijgen op te leggen. Ontoelaatbare, maar ook ontoereikende pogingen om de vrees te verslaan, door z'n vertrouwen op „vlees" te stellen, in welke vorm dan ook.

David heeft een andere weg voor ogen. Hij is voor Saul gevlucht. Bij de Filistijnen wordt hij herkend als Israel's krijgsoverste. Ook daar is hij niet veilig. Bondgenoten heeft hij daar niet.

Ja toch. Eén! Daarmede is hij hier in gesprek.

De vrees kwam in de wereld door de scheiding van God. Die vrees gaat alleen weg, niet door onszelf te blinddoeken of het in een andere richting te zoeken, maar door de herstelde verbinding met God.

Want Hij is de Enige Die over al die dreigende machten regeert. Die ze wegneemt, of er de vrees uit wegneemt. Die voor hen, die op Hem vertrouwen, alle dingen doet medewerken ten goede en zelfs leert roemen in de verdrukkingen. Dat is de weg, die aangegeven wordt door dit psalmwoord: „ten dage als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen”.

Is er bij de psalmist David, die dit zegt (zingt) en bij allen, die met hem leren instemmen, geen sprake van die vrees voor God? Is dat voor hen een onbekende zaak?

Neen. We horen diezelfde David bidden: „ga niet in het gericht met Uw knecht, want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn”.

Juist bij allen, bij wie evenals bij David iedere andere uitweg afgegrendeld wordt, en bij wie er maar één weg open blijft, de weg naar de Here, zien we het bewustzijn wakker worden van onze verantwoordelijkheid tegenover God,

van onze schuld en van Zijn rechtvaardig oordeel. Dan wordt het ergste niet allerlei wat een gevolg is van de zonde. Maar de zonde zelf.

De prediking mag daarvan niet zwijgen, alleen maar sprekende over allerlei andere inderdaad aangrijpende noden. Want God spreekt in . Zijn Woord Zelf over die zonde-nood. Maar Hij spreekt er zó over, dat Hij daardoor zondaren niet van Zich weg, maar naar Zich toe wil drijven.

Psalm 56 begint met de roep om Gods genade: „wees mij genadig, o God!" Maar de dichter kent dien God ook als de God aller genade. Hij heeft het geklank gehoord van het Woord der genade.

In het middelpunt van dat Woord staat een Held, bij Wien God voor Israël hulp heeft beschoren. Hij heeft heel die lawine van al die nood, zonde, schuld, oordeel, ellende op Zich af zien komen. En Hij is niet op zij gegaan. Dat was geen dwaasheid, al meenden het Zijn spotters. Maar het was de liefde, die Hem in de bres deed gaan staan.

Dat is de heerlijkheid van de belijdenis, dat David's Zoon ook David's Here is. God heeft aan niemand minder dan aan Zijn eigen Zoon deze strijd toevertrouwd. In Hem heeft God Zelf alles bereid. In Hem was Hij de wereld met Zichzelven verzoenende, hunne zonden hun niet toerekenende. God heeft dien gro-ten Zone Davids gegeven tot wijsheid, tot gerechtigheid en tot heiligmaking, ja tot een volkomen verlossing. In Hem is er een toegang en een toevlucht tot God. Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Onder Zijn voeten zijn alle dingen gesteld.

Dat is het wonder van de prediking van Hem, Wiens Naam is: Immanuel, God m.et ons. In deze zelfde psalm staat uit de mond van David: „dit weet ik, dat God met mij is". Meer heeft een mens niet nodig. Dan mag die mens, die in zichzelf een zondaar is, wiens heerlijkheid een verwelkende bloem is, zingen. De psalmen zingen. Zij zingen:

de Heer is met mij, 'k zal niet vrezen, de Heer zal mij getrouw behoên; daar God mijn Schild en Hulp wil wezen, wat zal een nietig mens mij doen.

Daar gaat een gemeente Gods de wereld door met de strijd tegen ziekte, zorg, oorlog, rampen, vervolgingen, de zonde, de duivel en zijn ganse rijk, het ongeloof, de stem in de conscientie, die zegt: daar ben je in tekort geschoten en hierin ben je ontrouw geweest, dat had je niet mogen doen en dat had je niet mogen zeggen. En dan die gedachtenwereld! Wie kan er tegen op? Vooral, als we in en achter dat alles die stem horen, die vraagt: waar zijt ge? Zodat we iets verstaan van dat woord van die vluchtende mens: „ik hoorde Uw stem in de hof, en ik vreesde”.

Wie zal onze bevende vrees wegnemen? Die wordt alleen weggenomen, doordat God ons nog meer te zeggen heeft. Hij komt in de Here Jezus Christus een schuilplaats bereiden tegen de vloed en een Verberging tegen de wind. Hij zoekt Zijn discipelen op in nacht en stormgetij en roept hun toe: „Zijt goedsmoeds. Ik ben het, vreest niet". Hij heeft hen laten voorttobben, tot zij aan het einde van hun krachten waren. Want het is de aard van de zonde, dat we eerst alle bronnen uitputten, eer we hier onze troost vinden. Maar in Christus ligt dan ook alles, wat we nodig hebben. In Hem geeft God Zijn beloften voor het tegenwoordige en voor het toekomende leven. En heel de geschiedenis van Zijn kerk getuigt er van, dat God Zijn Woord gestand doet.

Tot de goddelozen zegt Hij telkens: „vertrouwt niet op " Tot degenen, die Hem vrezen, is het altijd weer: „vreest niet, gelooft alleenlijk”.

Zo wil Hij leren geen waardeloos stroo in de weegschaal te leggen tegenover al die vreesaanjagende feiten. Alleen in het vertrouwen op Hem, die in Christus ons alle dingen kan en wil schenken, slaat de schaal door naar de rechterzijde.

Daar wordt de vrees overwonnen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 oktober 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE VREES OVERWONNEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 oktober 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken