Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Reformatorische Bisschoppelijkheid?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Reformatorische Bisschoppelijkheid?

De ambten bij Martin Bucer*

7 minuten leestijd

Na een verkenning van de eerste twee hoofdstukken uit het boek van dr. Van 't Spijker over de ambtsleer bij Bucer, houden wij ons in het nu volgende artikel bezig met hoofdstuk drie en vier, waarin de ontwikkeling van Bucers gedachten over het ambt nader ontvouwd worden.

De godsdienstgesprekken, reformatiepoging te Keulen en de 'christelijke gemeenschap' te Straatsburg.

Het derde hoofdstuk van het boek over de ambten bij Bucer laat ons de Reformator van Straatsburg zien als de man, die droomde van een mogelijke reformatie van de Rooms-katholieke kerk. Zijn gedragingen tij ds de godsdienstgesprekken (o.a. te Regensburg) worden onder de loup genomen. Ook zijn reformatiepogingen in het aartsbisdom Keulen waartoe hij uitgenodigd was door de keurvorst-aartsbisschop Herman von Wied. In deze periode valt bij Bucer minder nadruk op de controvers Rome-Reformatie (1539—1549).

Bezield door het ideaal van een mogelijke hereniging, kwam Bucer in deze dagen met klem op voor een werkelijk geestelijke pastorale vulling van het ambt. Wanneer de Rooms-katholieke bisschoppen zich weer zouden gaan wijden aan de zielzorg en minder aan het beheer van de kerkelijke goederen en niet te vergeten van het wereldlijk bezit, wanneer de visitatie o.a. door hen weer ter hand zou worden gevat, zou dan niet vanzelf heel het hiërarchisch systeem, waarin het éne ambt over het andere heerst, ineenstorten? ! Bucer richtte in deze tijd de hoofdaanval niet op dit systeem, liet zelfs in grote toegevendheid het bisschoppelijk machtsinstituut ongemoeid, omdat hij geloofde, dat Gods Geest dit verbreken zou, wanneer er slechts ruimte geschapen was voor het Woord van God en Zijn alleenheerschappij. Er moesten jaarlijkse provinciale en nationale synoden gehouden worden, waar niet slechts 'Kappen en Platten', maar vooral ook 'geestelijke' steenhouwers en pottenbakkers aanwezig moesten zijn. Zij hoorden immers meer op een concilie thuis dan een bisschop, die alleen van jagen verstand heeft. Alle vormen van simonie (het verkrijgen van kerkelijke ambten tegen betaling) moesten verdwijnen, ook het vicariaat (het laten waarnemen van het eigenlijke dienstwerk door vervangers. Het coelibaat moest worden opgeheven. Het 'erfdeel van de Gekruisigde' (de kerkelijke goederen) moesten weer gebruikt worden voor hun oorspronkelijke bestemming (de opleiding van de dienaren en hun onderhoud, leniging van de gemeentelijke noden). Ook moest het recht van de gemeente om haar eigen bisschoppen te kiezen weer aan de kerken worden teruggegeven. Vooral in het aartsbidom Keulen, waar Bucer zijn pogingen tot reformatie helaas vroegtijdig afgebroken zag, pleitte hij voor een grondige theologische opleiding, opdat de gemeenten weer kundige en trouwe dienaren krijgen zouden. Ook nu wil Bucer de gemeente volop inspraak geven in de uitoefening van de kerkelijke tucht over leven en leer van ambtsdragers en gemeenteleden. De diakonale zorg voor armen, zieken en bejaarden benadrukt Bucer sterk.

Na het mislukken van de godsdienstgesprekken en de reformatiepogingen in het aartsbisdom Keulen krijgen Bucers gedachten over gemeente en ambt een duidelijker lijn. De tegenstand van Rooms-katholieke zijde was groot geweest. Men heeft het daar waarschijnlijk begrepen, dat Bucers aanval, ook al liet hij ogenschijnlijk veel overeind van het curialistische standpimt, een vernieting daarvan met zich meebracht. Het onfeilbare leergezag van de apostolische stoel met zijn bisschoppen wordt in feite door Bucer aan de gemeente toegekend.

In het laatste deel van deze periode (1549) poogde Bucer de beoefening van de kerkelijke tucht te bevorderen door middel van de 'christliche Gemeinschaften' te Straatsburg. Daarover verderop iets meer. Mede onder invloed van de Boheemse broeders en vooral van Calvijn, die kort tevoren de Franse vluchtelingengemeente te Straatsburg was gaan dienen, zette Bucer zo de zaak van de tucht door, daarin zeer tegengewerkt door de zg. Epicureeërs (patriciërs en aanzienlijke kooplieden) en door de magistraat, die zich niet wilde laten gebruiken om de tucht over heel de breedte van het maatschappelijke leven in Straatsburg op de wijze van Bucers voorstellen door te voeren. Bucer en Calvijn hebben elkaar in deze tijd wederzijds beïnvloed.

Maar om dezelfde reden, als waarom Calvijn Geneve had moeten verlaten, nl. omdat men hem niet wilde volgen in de realisering van de kerkelijke tucht, zou ook Bucer (6 april 1549) Straatsburg als vluchteling uitgaan. Op uitnodiging van de Engelse aartsbisschop Cranmer vluchtte Bucer naar Engeland, waar hij benoemd werd tot koninklijk professor aan de universiteit van Cambridge. Als doctor (honoris causa) werkte hij stimulerend in op de gang van zaken bij de doorvoering van de reformatie in Engeland.

De (koninklijke) middenweg

Daarover handelt het laatste hoofdstuk van het boek van dr. Van 't Spijker. Uit de geschriften, die Bucer in Engeland geschreven heeft (over de ordening van de dienaren, over Efeze 4, over de kracht en het nut van de heilige bediening, enz.) blijkt, hoezeer Bucer de man was van de via media (de koninklijke middenweg).

De weg o.a. tussen het hoogkerkelijke standpunt, waarin het ambt slechts functioneert als een uitvloeisel van de missio Deï (de zending door God) en het laagkerkelijke standpunt, dat het ambt uitsluitend wil waarderen als één van de vele genadegaven binnen de gemeenschap der heiligen, anders gezegd: de middenweg tussen eenclericalisering der ambtsopvatting naar hiërarchische structuur en een spiritualistische vervluchtiging, zoals bij de Dopersen. Het ambt (in dienstknechtsgestalte) is bij Bucer hèt genademiddel bij uitstek geworden. Langs deze weg verleent God de genade der schuldvergif f enis.

Ook wat betreft de roeping en bevestiging van de dienaren der kerk bewandelt Bucer de middenweg. De gemeente roept haar eigen dienaren. Dat is haar onvervreemdbaar recht. Maar de oncontroleerbare gemeentemassa mist het orgaan om op een ordelijke manier haar recht tot uitdrukking te brengen. Daarom moet er ook orde op zaken gesteld worden wat betreft de ordening (ordinatie, aanstelling) van de dienaren.

Uit zijn voorzichtige benadering van de bestaande episcopale structuren van de kerk in Engeland vloeit het voort, dat Bucer over de kerk spreekt als over een aristocratie (regering door de besten) in een monarchie. Christus heeft in Zijn gemeente de alleenheerschappij. Maar om de zuiverheid van het geloof te bewaren voeren de bisschoppen het primaat. Echter ziet Bucer deze bisschoppen onmiddellijk verbonden en omgeven door een presbyterium (ouderlingen-raadgevers).

Bucer is dus ook hier geen verdediger van het autonome episcopaat. Het episco-

paat is bij Bucer niet meer dan een bepaalde vorm van het presbyteriaat. Ook het zg. vierde ambt, het doctoren-ambt, gericht op de verklaring van de Schrift, het stimuleren van de theologische studie en het bestrijden van ketterij, enz., is slechts een specialisatie van het presbyteraat. Het episcopale stelsel is dus met Bucer niet te verdedigen. Episcopaat en presbyteraat gaan bij hem volledig samen als op een via media.

In de 22 maanden, waarvan hij er bijna 10 ernstig ziek was, ging er van Bucer in Engeland grote invloed uit, vooral op de organisatie van de vluchtelingengemeenten in Londen, onder leiding van A Lasco, en via deze kerken weer op de kerken van het vasteland. Maar ook ten aanzien van de Engelse kerken zelf bleef de invloed van Bucer niet uit. Men heeft hem wel verweten, dat de voortdurende strijd tussen Puritanisme en anglicaans episcopalisme verergerd zou zijn door de twee-slachtigheid van Bucers opvattingen (zie boven). Bucer heeft echter, rekening houdend met de tijdsomstandighed, het autonome episcopalisme de kop willen indrukken door het ambt van episcopus en presbyter (met aftrek van heel de apostolische successie) in wezen gelijk te schakelen.

Na dit globale overzicht, waarin enkele hoofdlijnen uit het boek van dr. Van 't Spijker over de ambten bij Martin Bucer naar voren zijn gehaald, volgen nu nog ter afsluiting enkele belangrijke punten, die we graag uit dit geschrift opdiepen en ter overweging willen meegeven aan de lezer. Moge het in het bijzonder de ambtsdragers verdiepen in de beleving van hun ambt. Moge het ook dienen om onze gedachten te vormen in de huidige vaak verwarrende discussies over het ambt. Daarover dan een volgende maal.

Zeist

C. den Boer


* Dr. W. van 't Spijker, De ambten bij Martin Bucer; uitgave J. H. Kok N. V., Kampen; 480 pag., ƒ 28, 75.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 september 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Reformatorische Bisschoppelijkheid?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 september 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

PDF Bekijken